Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3211

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.255.261/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagrecht. Executiegeschil. Vraag of de man aan een vonnis waaraan dwangsommen zijn verbonden heeft voldaan. De vrouw heeft beslag gelegd ter zake van beweerdelijk verschuldigde dwangsommen. Volgens de voorzieningenrechter terecht. Hof komt tot andersluidend oordeel. Volgens het hof heeft de man wel uitvoering gegeven aan het bedoeld vonnis. Hof gelast de vrouw over te gaan tot opheffing van het door haar gelegde loonbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.255.261/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/560348/ KG ZA 18-1106

Arrest van 5 november 2019

Inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag.

Het verloop van het geding

De vrouw is op 18 februari 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 januari 2019 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw 8 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man verweer gevoerd tegen de door de vrouw geformuleerde grieven; tevens heeft hij incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van 1 grief.

Bij memorie van antwoord in het incidentele appel heeft de vrouw de grief weersproken.

Op 25 oktober 2019 heeft een pleidooi plaatsgevonden. Beide advocaten hebben een toelichting gegeven, onder overlegging van hun pleitnota’s.

Partijen hebben om arrest gevraagd. Het arrest is gewezen op de stukken die voor dit pleidooi in het geding zijn gebracht.

Eis wijziging

1.Tijdens het pleidooi wenste de man zijn eis te wijzigen. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Het hof is van oordeel dat de eiswijziging tardief is, zodat het hof aan deze eiswijziging voorbij gaat.

De beoordeling van het hoger beroep

Waar gaat het over?

3. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017 heeft de rechtbank de man bevolen om aan de vrouw een aantal persoonlijke bezittingen af te geven. Indien de man geen gevolg geeft aan de beslissing van de rechtbank verbeurt hij een boete van € 500 per dag met een maximum van € 50.000. Bij arrest van dit hof van 20 februari 2018 heeft het hof voormeld vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het vonnis van 26 april 2017 en het daarop volgende arrest van 20 februari 2018 zijn slechts beslissingen in kort geding en geen oordeel van de bodemrechter. Op grond van art 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een beslissing in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale.

4. Aangezien de vrouw van mening is dat de man geen uitvoering geeft aan het vonnis in kort geding van de rechtbank van 26 april 2017 is zij overgegaan tot incassering van de opgelegde dwangsommen. De vrouw heeft op 1 oktober 2018 ter zake van de in haar visie verbeurde dwangsommen voor een bedrag van € 50.518,22 beslag laten leggen onder de werkgever van de man.

5. De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard en gevorderd:

1) de vrouw te bevelen het beslag, zoals op 1 oktober 2018 is gelegd onder de werkgever van de man, het [naam werkgever] , op het loon van de man uit hoofde van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017, op te heffen dan wel te laten opheffen;

2) voor zover het gevorderde onder 1 niet tot toewijzing zal leiden, de dwangsom te matigen dan wel het maximum van de dwangsom te matigen tot een bedrag dat de voorzieningenrechter in redelijkheid voorkomt.

6. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is als volgt beslist:

in conventie

6.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 26 april 2017, voor zover het de veroordeling onder 6.3. in combinatie met die onder 6.4. betreft, onder de voorwaarde dat de man binnen zes weken na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt om definitief antwoord te krijgen op de vraag of hij al dan niet ingevolge het vonnis van 26 april 2017 dwangsommen verschuldigd is, zulks op straffe van verval van de schorsing;

6.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de vrouw

7. Door de vrouw wordt gevorderd:

dat het dit hof moge behagen het vonnis van de rechtbank Rotterdam in kort geding, team handel en haven, gewezen op 23 januari 2019 tussen appellante als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen onder toewijzing van de reconventionele vordering van de vrouw, dit alles met veroordeling van de man in de kosten van beide procedures.

Vordering man

8. De man vordert dat het dit hof behage:

in principaal appel:

- de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep af te wijzen;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure;

in incidenteel appel:

het vonnis van 23 januari 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam in zoverre te vernietigen, en naar het hof begrijpt opnieuw rechtdoende, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de vrouw alsnog te bevelen het beslag, zoals gelegd is op 1 oktober 2018 onder de werkgever van de man, het [naam werkgever] , op het loon van de man uit hoofde van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017, binnen 1 week na betekening van het arrest op te heffen dan wel te laten opheffen, met vervanging met het dictum van het arrest bij niet nakoming van de veroordeling;

- de vrouw in incidenteel appel te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Dwangsom en kort geding procedure

9. Het hof overweegt als volgt. De rechter die de dwangsom heeft opgelegd dient te beoordelen of de dwangsom is verbeurd. In het onderhavige geval is dit de rechter die op 26 april 2017 vonnis heeft gewezen. In het onderhavige geschil heeft de man echter aan de voorzieningenrechter gevraagd om opheffing van de door de vrouw gelegde beslagen.

10. De aard van het kort geding is dat de voorzieningenrechter een ordemaatregel treft. De aard van de procedure verzet zich er tegen dat een verkapte bodemprocedure wordt gevoerd. De wijze waarop partijen hun processtukken inrichten is voor het hof in dit kader niet altijd even helder, hetgeen voor hun risico komt.

Enige relevante feiten

11. Bij vonnis van 26 april 2017 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen is in rechtsoverweging 6.3 van het dictum aangegeven welke goederen de man aan de vrouw dient af te geven. Indien de man geen uitvoering geeft aan het vonnis verbeurt hij een dwangsom van maximaal € 50.000.

12. Bij arrest van dit hof van 20 februari 2018 heeft het hof het hiervoor vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017 bekrachtigd. Het hof verwijst hier specifiek naar rechtsoverweging 17. De eerste zin van deze rechtsoverweging luidt: “De man heeft geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat hij ter zitting heeft aangegeven dat hij beschikt over de door de vrouw genoemde goederen.”. In de laatste zin van die rechtsoverweging heeft het hof overwogen: “Door het inleveren van lege bestandsdragers heeft de man moedwillig verzuimd om datgene te doen waartoe hij in kort geding is veroordeeld.”. Het hof heeft in dit arrest niet een oordeel gegeven of de man al dan niet dwangsommen had verbeurd.

13. De vrouw heeft op 16 mei 2017 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017 aan de man laten betekenen. Eerst op 1 oktober 2018 legt de vrouw – ter zake van de in haar visie verbeurde dwangsommen – onder de werkgever van de man voor een bedrag van

€ 50.518,22 beslag. Dus anderhalf jaar na de betekening van het vonnis.

14. Uit de processtukken volgt dat tussen de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw afspraken zijn gemaakt dat de man de spullen op het kantoor van de advocaat van de vrouw zou afleveren. Conform deze afspraak heeft de man op 16 mei 2017 rond 16 uur een doos met goederen aan twee medewerkers van de advocaat van de vrouw overhandigd. Een medewerker van het kantoor van de advocaat van de vrouw heeft een lijst ondertekend waarop de spullen zijn vermeld die zijn overhandigd. De medewerker van het kantoor verklaart nog schriftelijk: “De inhoud heb ik niet kunnen checken.”. Op de lijst is het volgende vermeld:

- 1 x WD hard disk van 3TB (2039 bestanden van foto`s, video`s documenten, accounts)

- 1 x WD hard disk van 500 GB (zoals van haar gekregen)

- Auto sleutel van [merk auto]

- 2 x samsung smartphones (zoals van haar gekregen)

- 2 x simkaarten (zoals van haar gekregen)

15. Op 23 mei 2017 schrijft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man (vetgedrukt van het hof): “In opgemelde zaak heeft uw cliënt diverse spullen op mijn kantoor afgeleverd die ik aan cliente ter hand heb gesteld. Onderstaand treft u haar reactie aan. Uw cliënt heeft zich derhalve niet gehouden aan de inhoud van het vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 april 2017. Ik stel uw cliënt nog in de gelegenheid om uiterlijk maandag 29 mei 2017 de ontbrekende spullen af te geven, waarna ik de deurwaarder zal informeren dat er niet is voldaan aan de inhoud van de beschikking en zij de dwangsommen kunnen incasseren.". In de e-mail van de vrouw van 22 mei 2017 is onder meer vermeld: “Op de kleine harde schijf heb ik nog niet kunnen kijken omdat deze niet naar behoren lijkt te werken, maar ik heb wel kunnen kijken op de grote harde schijf. ..... Daarnaast is het moeilijk voor mij om nu na jaren goed te herinneren welke mails er in mijn mailboxen zaten. ..... Maar via een omweg heb ik de telefoon wel kunnen opladen. ..... Uiteraard is dit een eerste indruk van de dingen die ik mis. Wellicht kan ik met de tijd nog herinneren wat er allemaal nog meer op stond en zal ik zeker op een later tijdstip nog aanvullen. De spullen die ik heb gekregen zijn dus bij lange na niet volledig.”.

16. Op 24 augustus 2017 schrijft de vrouw een mail naar haar advocaat. In deze mail staat (vetgedrukt van het hof): “Hierbij wil ik aangeven wat de stand van zaken is rondom de afgifte van mijn privé spullen door de heer [de man] . De heer [de man] heeft de fysieke spullen afgeleverd aan uw kantoor. Echter de inhoud van mijn telefoons, mails, dropbox en harde schijf heeft hij onvolledig aangeleverd. ..... Een van de harde schijven is kapot en kan ik niet openen. De kapelingang van een van de telefoons is kapot gemaakt. Op de andere harde schijf staat maar een fractie van wat er op had moeten staan. Daarnaast mis ik emails en mis ik de inhoud van mijn dropbox volledig. Alsmede de inhoud van mijn telefoons. Het is uiteraard voor mij niet mogelijk om vanuit mijn geheugen elke mail en elke audio, video en foto bestand per stuk op te noemen, maar ik kan in ieder geval benoemen wat ik nog wel weet en mis.".

17. Op 6 april 2018 stuurt de advocaat van de vrouw de volgende e-mail aan de advocaat van de man (vetgedrukt van het hof): “Zoals ook u bekend is het vonnis d.d. 26 april 2017 in kracht van gewijsde gegaan. Van cliente heb ik begrepen dat zij tot op heden nog niet alle spullen heeft ontvangen zoals in het vonnis is vermeld. Wij hebben uw client daartoe reeds meerdere keren de gelegenheid toe gegeven. Thans wordt uw client nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om binnen 10 dagen na heden de ontbrekende stukken op te sturen. Daartoe treft u bijgaand de laatste correspondentie aan waaruit ook blijkt om welke spullen het gaat. Indien uw client niet voldoet aan de inhoud van het vonnis binnen de gestelde termijn zullen er nadere rechtsmaatregelen volgen.”.

18. De man heeft bij e-mail van 16 april 2018 aan de advocaat van de vrouw geschreven dat hij alle spullen had afgeleverd.

19. Uit de inleidende dagvaarding in eerste aanleg volgt dat de man van mening is dat de vrouw misbruik van recht maakt door het executeren van de dwangsommen.

Appel van de vrouw

20. Het hof begrijpt uit de grieven van de vrouw dat zij van mening is dat de voorzieningenrechter niet op goede gronden tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Uit haar incidenteel verweer volgt dat zij het hoger beroep heeft ingesteld omdat zij het er niet mee eens is dat de man in een bodemprocedure alsnog de gelegenheid krijgt om aan te tonen dat hij wel voldaan heeft aan het vonnis van 26 april 2017. Door de vrouw is in de toelichting op haar grieven onder meer het navolgende aangevoerd:

  1. Door de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 april 2017 te schorsen en te bepalen dat de man een bodemprocedure aanhangig dient te maken om antwoord te krijgen op de vraag of hij al dan niet ingevolge het vonnis van 26 april 2017 dwangsommen verschuldigd is, gaat de voorzieningenrechter geheel ten onrechte voorbij aan de inhoud van het arrest van het hof Den Haag van 20 februari 2018. Hierdoor wordt eveneens ten onrechte aan de man alsnog een extra appelmogelijkheid geboden. Het hof verwijst naar randnummer 8 van de memorie van grieven van de vrouw.

  2. Aangezien de voorzieningenrechter zelf reeds aannemelijk acht dat de man op het punt van de privé administratie niet aan de veroordeling heeft voldaan, had de voorzieningenrechter reeds daarom dienen te oordelen dat de man terecht de dwangsommen heeft verbeurd en hem niet-ontvankelijk dienen te verklaren, dan wel zijn vorderingen af te wijzen.

  3. Nu reeds is vast komen te staan volgens de voorzieningenrechter dat de man niet volledig heeft voldaan aan de veroordeling van het vonnis van 26 april 2017 als gevolg waarvan hij de dwangsommen heeft verbeurd, is het vonnis van de voorzieningenrechter onbegrijpelijk en mist elke rechtsgrond.

  4. Geheel ten onrechte is de man in de gelegenheid gesteld om een bodemprocedure aanhangig te maken om een definitief antwoord te krijgen op de vraag of hij al dan niet ingevolge het vonnis van 26 april 2017 dwangsommen verschuldigd is.

  5. De man moet in de werkelijke proceskosten worden veroordeeld.

  6. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in reconventie de vrouw in de proceskosten veroordeeld terwijl de man daarom niet heeft gevraagd. Het hof verwijst naar grief 8.

21. Door de man is verweer gevoerd. Uit het zeer uitvoerige betoog van de man volgt dat hij van mening is dat hij wel op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 26 april 2017. Door de man wordt in zijn memorie van antwoord uitvoerig verwezen naar zijn inleidende dagvaarding in eerste aanleg. De man is onder meer van mening dat de vrouw in haar memorie van grieven een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de volgende feiten en omstandigheden heeft gegeven:

a. a) de afspraken met betrekking tot de afgifte van zaken en gegevens aan de vrouw,

b) de afgifte van zaken en gegevens op het kantoor van de advocaat van de vrouw.

Er was aan de zijde van de vrouw geen werkelijke bereidheid om de zaken en gegevens in ontvangst te nemen. De man verwijst ook nog naar een e-mail van 11 mei 2017 van de zijde van de advocaat van de vrouw waarin is gesteld: “Naar aanleiding van uw onderstaand bericht doen ik u weten dat ik na overleg met cliënte aan u zal laten weten wanneer en hoe tot afgifte kan worden overgegaan.”.

22. Met betrekking tot de compensatie van de proceskosten kan de man zich verenigen aldus begrijpt het hof zijn verweer. Door de man wordt erkend dat hij geen proceskostenveroordeling heeft gevorderd.

Incidenteel appel van de man

23. Het hof begrijpt uit de incidentele grief van de man dat hij van mening is dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het aannemelijk is dat de man niet heeft voldaan aan het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017. Het hof begrijpt uit de korte toelichting dat de man van mening is dat hij wel alle bestanden heeft afgegeven. Voorts herhaalt de man op blz. 24 dat sprake is van misbruik van beslagrecht nu de vrouw de dwangsom door de latere executie en beletting van een executiegeschil tot een maximum heeft laten belopen.

24. Door de vrouw is verweer gevoerd. In randnummer 3 van haar memorie van antwoord op het incidenteel appel erkent zij dat de man op 16 mei 2017 op het kantoor van de advocaat van de vrouw een doos met spullen heeft afgegeven. In randnummer 4 stelt de vrouw dat het hof in zijn arrest van 20 februari 2018 heeft vastgesteld dat de man in verzuim is. In randnummer 6 stelt zij dat het onder de werkgever van de man gelegde beslag rechtsgeldig is nu vast staat dat de man de opgelegde dwangsommen verschuldigd is. In randnummer 8 stelt zij dat uit productie 18 van de inleidende dagvaarding niet valt af te leiden dat een van de bestanden betrekking heeft op de administratie. Tijdens het pleidooi heeft de vrouw herhaald dat er door de executie van de dwangsommen geen sprake is van misbruik van procesrecht.

25. Het hof overweegt als volgt. Het arrest van dit hof van 20 februari 2018 – de beslissing en de daaraan ten grondslag gelegen overwegingen – betreft een beslissing in kort geding met betrekking tot de vraag of op goede gronden is bepaald dat de man persoonlijke goederen van de vrouw aan haar moet afgeven onder verbeurte van een dwangsom. De feiten en omstandigheden zoals thans uit de processtukken volgen met betrekking tot de gang van zaken omtrent de daadwerkelijke afgifte van de zaken en of er al dan niet dwangsommen verbeurd zijn, heeft het hof toen niet beoordeeld.

26. Uit onderdeel 6.3. van het dictum van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017 volgt niet exact wat de gegevensdragers aan inhoud dienen te bevatten. Het dictum is niet specifiek, zodat het uiterst complex is om vast te stellen of de man al dan niet op een correcte wijze uitvoering geeft aan het vonnis.

27. De lezing die de vrouw aan het arrest van dit hof van 20 februari 2018 wenst te geven is gezien de feitelijke gang van zaken rond de afgifte van de goederen, onjuist. Uit het feitelijk relaas met betrekking tot de onderhavige procedure volgt dat de man wel uitvoering is gaan geven aan het vonnis van 26 april 2017. Het hof verwijst naar hetgeen het hof heeft vermeld in rechtsoverweging 11 tot en met 18 onder ‘Enige relevante feiten’. Vast staat dat de man op 16 mei 2017 de goederen op het kantoor van de advocaat van de vrouw heeft afgegeven. Door de vrouw wordt ook erkend dat de man de fysieke spullen heeft afgegeven, het hof verwijst naar de e-mail van de vrouw van 24 augustus 2017. De advocaat van de vrouw heeft op 29 mei 2017 een e-mail gestuurd naar de advocaat van de man om de ontbrekende spullen af te geven. De advocaat geeft geen duidelijke specificatie van welke spullen ontbreken. Naar het oordeel van het hof heeft spullen betrekking op stoffelijke goederen.

28. Uit de e-mail van de vrouw van 22 mei 2017 volgt dat de discussie tussen partijen gaat over hetgeen op de gegevensdragers aan gegevens moet staan vermeld. Door de vrouw wordt erkend dat zij op 22 mei 2017 nog niet op de kleine harde schijf heeft kunnen kijken. Voorts wordt door haar erkend dat het moeilijk is om na al die jaren nog goed te herinneren welke e-mails er in haar mailbox(en) zaten. Uit de e-mail van de vrouw van 24 augustus 2017 volgt wederom dat de vrouw het moeilijk vindt om zich vanuit haar geheugen elke e-mail enz te herinneren. Uit het relaas van de man volgt dat hij de spullen heeft verstrekt en dat hij ook de gegevens op de gegevensdragers aan de vrouw heeft verstrekt voor zover hij daarover kon beschikken. Door de vrouw wordt ook erkend dat zij gegevens heeft kunnen vinden en zij haar telefoons opnieuw heeft kunnen vullen.

29. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is het dictum van het vonnis van 26 april 2017 van de voorzieningenrechter niet gedetailleerd. Wat er op de harde schijf WD elements 3 TB exact moet staan volgt evenmin uit het vonnis van 26 april 2017. Met betrekking tot de vrijgave van de e-mailadressen valt in kort geding niet vast te stellen over welke adressen het gaat. Dit geldt dus ook voor de bestanden op de Dropbox en overige harde schijven.

30. Nu de man stelt dat hij uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 26 april 2017 en de vrouw niet exact kan aangeven waar de man in gebreke is gebleven terwijl dit evenmin volgt uit het dictum van het vonnis van 26 april 2017, is het hof van oordeel dat de vrouw ten onrechte is overgegaan tot het leggen van loonbeslag op het inkomen van de man. De man is op 16 mei 2017 uitvoering gaan geven aan het vonnis van 26 april 2017. De vrouw heeft niet direct na ontvangst van de spullen alle gegevensdragers onderzocht of die de gegevens bevatten die volgens haar op de gegevensdragers zouden moeten staan. Bovendien wordt door de vrouw erkend dat zij niet alles meer weet. Mede gezien de feitelijke gang van zaken bij de afgifte van de spullen, de omstandigheid dat het nagenoeg niet is vast te stellen wat op de gegevensdragers moet staan en het tijdsverloop alvorens de vrouw de dwangsommen is gaan incasseren maakt de vrouw in de visie van het hof door het leggen van loonbeslag misbruik van procesrecht.

31.Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en de vordering van de man moet alsnog worden toegewezen.

Proceskosten

32. Gezien het feit dat sprake is van ex-echtgenoten zal het hof de proceskosten compenseren.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2019 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om binnen een week na datum van dit arrest over te gaan tot opheffing van het door de vrouw onder de werkgever van de man gelegde loonbeslag met betrekking tot het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en A.S. Mertens-de Jong en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.