Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3210

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.264.831/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Kort geding voortgezet gebruik woning(en). Verzoek in beroep tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan te leggen criterium nu in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Belang bij schorsingsverzoek vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.264.831/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/575466 / KG ZA 19-520

arrest in het incident d.d. 12 november 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. N.J. Glen-Boedhram te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

thans wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam.

Het geding

De man is bij exploot van 19 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 7 augustus 2019 van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft in de appeldagvaarding 10 grieven genomen alsmede een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis ingesteld.

De vrouw heeft een memorie van antwoord in het incident ingediend.

De man heeft gefourneerd in het incident en arrest gevraagd.

Beoordeling van het incident

Enige relevante feiten

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn [in] 2008 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Zij hebben twee thans nog minderjarige kinderen en de vrouw heeft het ouderlijk gezag over een uit een eerdere relatie geboren thans nog minderjarig kind.

2. De vrouw heeft een echtscheidingsverzoek uit 2013 na een verzoeningspoging ingetrokken. Op 24 juni 2019 heeft zij bij de rechtbank Den Haag een nieuw verzoek tot echtscheiding ingediend.

3. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoren drie woningen (appartementen), te weten:

- [woning een] ;

- [woning twee] ;

- [woning drie] .

4. De man bewoont de woning aan de [woning een] . De vrouw heeft sinds mei 2019 geen vaste woon- of verblijfplaats.

5. De woning aan de [woning drie] werd verhuurd maar is in juli 2019 op last van de burgemeester op grond van de Opiumwet gesloten. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bestreden vonnis

6. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:

- de man veroordeeld de woning aan de [woning een] binnen vier weken na betekening van het vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte ervan, met een maximum van € 25.000,-;

- bepaald dat deze veroordeling haar werking verliest indien de man de woning aan de [woning twee] aan de vrouw ter beschikking stelt;

- het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de kosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

7. Het bestreden vonnis is op 7 augustus 2019 aan de man betekend.

Vorderingen in incidenteel hoger beroep

8. De man vordert thans in het incident dat het dit hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist,

- met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen arrest, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest tot de dag van volledige betaling.

9. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van de man in de kosten van het incident.

Oordeel hof

10. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op de voet van artikel 351 Rv geldt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688) het volgende:

(I) De eiser in het incident moet belang hebben bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging.

(II) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

(III) Bij deze afweging moet ervan worden uitgegaan dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Uitgangspunt zijn de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft in beginsel buiten beschouwing. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan beroep is ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(IV) Indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(V) Indien in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (IV) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (I)-(III) vermelde.

11. Nu de rechter in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dient het hof te oordelen met inachtneming van het in de vorige rechtsoverweging onder (I)-(III) vermelde. Het hof oordeelt als volgt.

12. Uit de overgelegde stukken is het hof het volgende gebleken. Daags voor de man, ingevolge de betekening van het bestreden vonnis aan hem, de woning aan de [woning een] moest verlaten heeft hij de woning aan de [woning twee] aan de vrouw ter beschikking gesteld. De vrouw woont inmiddels met de kinderen in de laatstgenoemde woning. De man woont (nog steeds) in de woning aan de [woning een] . Naar het oordeel van het hof heeft de man derhalve geen belang meer bij zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis. Immers, in het dictum van het bestreden vonnis is bepaald dat de veroordeling van de man om de woning aan de [woning een] te verlaten, haar werking verliest indien de man de woning aan de [woning twee] aan de vrouw ter beschikking stelt.

13. Hetgeen voorts door partijen naar voren is gebracht behoeft geen verdere bespreking meer, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

Proceskosten

14. Partijen hebben ieder gevorderd de andere partij in de kosten van dit incident te veroordelen. Het hof ziet aanleiding om deze vorderingen aan te houden tot de behandeling van de hoofdzaak.

15. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

wijst af de vordering van de man tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van 7 augustus 2019 van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven;

houdt de beslissing met betrekking tot de vorderingen van partijen aangaande de proceskostenveroordeling in het incident aan tot de behandeling van de hoofdzaak;

verwijst de zaak voor de hoofdzaak naar de rol van 3 december 2019 voor het nemen van memorie van antwoord door geïntimeerde in de hoofdzaak.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en F. Ibili en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.