Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3206

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.250.769/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap met o.a. woning in Marokko. Vaststelling eerste huwelijksdomicilie echtgenoten (IPR); relevantie inschrijving in basisadministratie; samenwoning vereist? Taxatie woning in Marokko: tegenstrijdige taxatierapporten. Verplichtingen man uit hoofde van bruidsgave; toepasselijk recht op bewijslastverdeling (art. 10:13 BW): bewijslast rust op de man krachtens art. 33 Mudawwanna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.250.769/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/517561 / HA ZA 16-1040

arrest van 19 november 2019

inzake


[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. J.B. Peters, thans mr. A. Schellekens te Waddinxveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 20 november 2018 is de man in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 21 februari 2018, het tussenvonnis van 11 april 2018 en het eindvonnis van 22 augustus 2018 van de rechtbank Den Haag, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

Het exploot vermeldt 7 februari 2018 als datum van het eerste tussenvonnis. Die datum staat ook vermeld op blz. 1 van het eerste tussenvonnis, maar uit het petitum van dat tussenvonnis en uit het tussenvonnis van 11 april 2018 alsmede het eindvonnis van 22 augustus 2018 blijkt dat het eerste tussenvonnis is gewezen op 21 februari 2018.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar rov. 2 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018.

Bij memorie van grieven tevens houdende akte van wijziging van eis heeft de man tien grieven geformuleerd en voorts zijn eis in reconventie gewijzigd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven weersproken.

De man heeft zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. Partijen zijn [in] 1992 op het Marokkaanse consulaat te Rotterdam met elkaar gehuwd. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit. Thans bezitten zij beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit.

2. Partijen hebben in 2000 een woning gekocht aan de [adres] . In 2009 hebben partijen deze woning verkocht en zijn zij verhuisd naar een driekamerappartement (hierna: de voormalige echtelijke woning).

3. Bij beschikking van 23 februari 2011 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 24 maart 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4. Tussen partijen heeft geen scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap plaatsgevonden.

Eerste aanleg

5. Aanleiding voor de onderhavige procedure is een geschil tussen partijen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, bestaande uit onder andere een appartement te [plaatsnaam] , Marokko, en de inboedel van de voormalige echtelijke woning. Voorts verschillen partijen van mening over de verplichtingen van de man in verband met de bruidsgave alsmede over de vraag of de door de man opgevoerde schulden aangemerkt kunnen worden als schulden van de gemeenschap.

6. De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door haar voorgestelde wijze vast te stellen, met bepaling dat de man zijn medewerking zal verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. De man heeft daartegen verweer gevoerd en op zijn beurt in reconventie gevorderd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door hem voorgestelde wijze te bepalen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

7. Bij eindvonnis van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank, volgend op de tussenvonnissen van 21 februari 2018 en 11 april 2018, de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen vastgesteld, waarbij aan de man zijn toegedeeld het appartement te [plaatsnaam] , Marokko, tegen een waarde van € 54.641,80, alsmede de inboedel van de voormalige echtelijke woning tegen een waarde van
€ 3.000,- en de man voorts is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 28.820,90 wegens overbedeling en van € 907,50 ter zake van de uitgestelde bruidsgave. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen.

Vordering in hoger beroep

8. De man is tijdig in hoger beroep gekomen van beide tussenvonnissen en het eindvonnis.

De man vordert in conventie bij arrest, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, de vrouw alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen van de vrouw in alle onderdelen integraal althans gedeeltelijk af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

De man vordert in reconventie, met wijziging van eis:

( i) voor recht te verklaren dat het huwelijksgoederenregime van partijen pas vanaf 5 april 1993 (bedoeld zal zijn: 5 april 2003, Hof) wordt beheerst door Nederlands recht;

(ii) voor recht te verklaren dat het appartement te Marokko niet in de ontbonden gemeenschap van partijen valt;

(iii) de vrouw te veroordelen tot het nakomen van de tussen partijen gesloten overeenkomst betreffende het appartement en tot het verlenen van haar medewerking aan de levering van het appartement aan [de dochter] , geboren [in] 2005 te [plaatsnaam] , althans de man daarvoor vervangende toestemming te verlenen;

(iv) indien het hof zich wel bevoegd acht de wijze van verdelen c.q. de verdeling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen, dan vordert de man dat als volgt te doen:

  • -

    het appartement toe te delen aan de man voor een bedrag van MAD 247.050,- althans van MAD 342.000,- onder aftrek van een vergoedingsrecht van de man van MAD 100.000,- uit hoofde van de (aan)betaling van de man plus een door het hof vast te stellen vergoedingsrecht uit hoofde van de verbouwingskosten;

  • -

    de in de voormalige echtelijke woning achtergebleven inboedelgoederen toe te delen aan de man, zonder nadere verrekening met de vrouw;

  • -

    de inboedelgoederen in de nieuwe woning van de vrouw aan de vrouw toe te delen, zonder nadere verrekening met de man;

  • -

    toedeling van de bankrekeningen op naam van de man aan de man en toedeling van de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw, onder verrekening van de helft van het saldo op 15 december 2009 dan wel 24 maart 2011 voor zover deze bankrekeningen in de gemeenschap vallen;

  • -

    de vrouw te veroordelen op grond van art. 21 jo. 843a Rv tot het geven van inzage in het verloop van alle op haar naam staande bankrekeningen over de jaren 2009 tot en met 2011 alsmede in de saldi van deze bankrekeningen op de peildatum;

  • -

    toedeling van de auto met kenteken [00-00-00] aan de man, onder verrekening van de waarde van € 1.500,- met de vrouw;

  • -

    te bepalen dat de schuld aan de moeder van de man van MAD 100.000,- in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van dit bedrag, waarbij de man verrekening vordert voor het aandeel van de vrouw in deze schuld met de waarde van het appartement voor zover de man tot verrekening van die waarde met de vrouw gehouden is;

  • -

    te bepalen dat de schuld aan de broer van de man van MAD 110.000,- in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van dit bedrag;

  • -

    te bepalen dat de schuld aan ANWB VISA met rekeningnummer [volgt nr.] in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;

  • -

    te bepalen dat de vorderingen van de Belastingdienst met kenmerk [volgt nr.] en [volgt nr.] in de gemeenschap vallen en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;

  • -

    te bepalen dat de schuld aan Prime Line met rekeningnummer [volgt nr.] in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;

  • -

    de regresvordering van de man te stellen op een bedrag van € 17.277,56 exclusief de verschuldigde wettelijke rente (€ 6.806,70 uit hoofde van de schuld aan mevrouw [naam een] , € 5.000,- uit hoofde van de schuld aan de broer van de man, € 2.500,- uit hoofde van de schuld aan [de dochter] , € 1.000,- uit hoofde van de schuld aan [naam twee] , € 504,30 uit hoofde van de schuld aan ANWB VISA, € 927,- uit hoofde van de schuld aan de Belastingdienst, € 539,56 uit hoofde van de schuld aan Prime Line), waarbij de man verrekening vordert met de helft van de waarde van het appartement voor zover de man tot verrekening van die waarde met de vrouw gehouden is.

9. De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man in hoger beroep zal afwijzen, behoudens de verdeling van de auto met kenteken [00-00-00] en de bankrekening van de man met rekeningnummer [volgt nr.] , en het bestreden eindvonnis alsook de bestreden tussenvonnissen voor het overige zal bekrachtigen. Voorts heeft de vrouw geconcludeerd dat het hof de man zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

Bespreking van de grieven

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

10. Alvorens de grieven 1 t/m 10 van de man te behandelen, stelt het hof ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter, gelet op de woonplaats van partijen in Nederland ten tijde van het inleiden van de onderhavige procedure, internationale bevoegdheid toekomt om te oordelen over de gevorderde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de overige vorderingen van partijen over en weer. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter strekt zich eveneens uit over vermogensbestanddelen die zich buiten Nederland bevinden, in dit geval het appartement te [plaatsnaam] , Marokko, en de door de man gestelde bankrekening in Marokko op naam van de vrouw.

Toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime

11. Grief 1 heeft betrekking op rov. 4.2 van het tussenvonnis van 21 februari 2018, waarin de rechtbank op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: Verdrag 1978) heeft geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Marokkaans recht vanaf de huwelijkssluiting tot 12 november 2002 (art. 4 lid 2, onder 2 en a jo. art. 5 Verdrag 1978) en ‘in ieder geval vanaf die datum’ door Nederlands recht omdat partijen op voornoemde datum meer dan tien jaar na de huwelijkssluiting hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (art. 7 lid 2, sub 2 Verdrag 1978). Meer specifiek grieft de man tegen de vaststelling door de rechtbank dat partijen op 12 november 2002 meer dan tien jaar na de huwelijkssluiting hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Met een beroep op het door de vrouw overgelegde uittreksel uit de basisregistratie personen, stelt de man zich op het standpunt dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting op 12 november 1992 niet samenwoonden, dat de vrouw tot 5 april 1993 niet woonachtig was in Nederland en dat partijen pas op 5 april 1993 zijn gaan samenwonen aan de [adres] . Dit zou volgens de man betekenen dat het huwelijksvermogensregime van partijen pas vanaf 3 april (bedoeld zal zijn: 5 april, Hof) 2003, dat wil zeggen tien jaar nadat partijen in Nederland zijn gaan samenwonen, wordt beheerst door Nederlands recht.

12. Gelet op de datum van de huwelijkssluiting neemt het hof de toepasselijkheid van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 tot uitgangspunt. Op grond van art. 4 Verdrag 1978 geldt dat vanaf de huwelijkssluiting Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Nu vast staat dat partijen geen rechtskeuze of huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, treedt een wijziging op in het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime vanaf het tijdstip dat partijen na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben gehad (art. 7 lid 2, sub b Verdrag 1978). De man betoogt dat deze termijn van tien jaar is aangevangen op 5 april 1993 en niet, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, op 12 november 1992. Deze stelling van de man is gebaseerd op een op 14 april 2016 door de gemeente [plaatsnaam] afgegeven uittreksel uit de basisregistratie personen, waarin een overzicht is te vinden van de historische adressen van de vrouw. Dat uittreksel vermeldt als oudste woonadres van de vrouw [adres] vanaf 5 april 1993. Anders dan de man betoogt, kan hieruit niet worden afgeleid dat de vrouw zich op 5 april 1993 uit het buitenland in Nederland heeft gevestigd. Met zijn stelling miskent de man dat de in art. 7 lid 2, onder 2, Verdrag 1978 bedoelde gewone verblijfplaats van de echtgenoten moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waarbij aan de inschrijving van een echtgenoot in een basisadministratie géén doorslaggevende betekenis toekomt maar zulks hooguit één van de relevante omstandigheden betreft waarmee rekening kan worden gehouden (vgl. conclusie A-G voor HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW9383, nrs. 9 t/m 11).

13. Vast staat dat partijen [in] 1992 op het Marokkaanse consulaat te Rotterdam in het huwelijk zijn getreden. Nu de man heeft nagelaten zijn stelling dat de vrouw zich pas op 5 april 1993 in Nederland heeft gevestigd te onderbouwen met andere stukken dan het in rov. 12 genoemde uittreksel, leidt het hof uit de stellingen van de vrouw en de plaats van de huwelijkssluiting af dat partijen reeds op 12 november 1992 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Overigens doet daar niet aan af dat partijen, naar de man stelt, ten tijde van de huwelijkssluiting niet samenwoonden maar pas op 5 april 1993 zijn gaan samenwonen. Ook als met de man zou worden aangenomen dat partijen pas op 5 april 1993 zijn gaan samenwonen, heeft dat geen invloed op het aanvangsmoment van de in art. 7 lid 2, onder 2, Verdrag 1978 genoemde termijn van tien jaar. Immers, voor de toepassing van deze verdragsbepaling volstaat dat de echtgenoten in dezelfde staat een gewone verblijfplaats hebben, zonder dat daarbij ook is vereist dat zij daadwerkelijk samenwonen (vgl. het toelichtend rapport Von Overbeck bij het Verdrag 1978, nr. 147).

14. Dit betekent dat het hof van oordeel is dat de echtgenoten vanaf 12 november 1992 hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben gehad, waardoor het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten op grond van art. 7 lid 2, sub 2, Verdrag 1978 is gewijzigd op 12 november 2002 van het – tot dan toe geldende – Marokkaanse recht in het Nederlandse recht. Grief 1 faalt derhalve. Volledigheidshalve overweegt het hof dat de wijziging van het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime naar Nederlands recht vanaf 12 november 2002 slechts gevolgen heeft voor de toekomst en dat het vermogen van de echtgenoten dat reeds aanwezig was vóór deze wijziging derhalve onderworpen blijft aan het vanaf de huwelijkssluiting tot 12 november 2002 van toepassing zijnde Marokkaanse recht (art. 8 lid 1 Verdrag 1978).

Valt het appartement in Marokko in de huwelijksgemeenschap?

15. In grief 2 voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat het appartement te [plaatsnaam] , Marokko, in de ontbonden gemeenschap van goederen valt. De man keert zich met deze grief tegen de vaststelling van de rechtbank in rov. 4.9 van het tussenvonnis van 21 februari 2018 dat de eigendom van het appartement in Marokko is verkregen in het jaar 2005. Volgens de man blijkt uit de verkoopovereenkomst dat het appartement door hem is gekocht op 20 april 2002, waardoor dit goed buiten de gemeenschap van goederen zou vallen. In dit verband doet de man een bewijsaanbod tot het overleggen van een uittreksel uit de grondboeken uit het Marokkaanse kadaster waaruit zou moeten blijken dat de goederenrechtelijke levering van het appartement heeft plaatsgevonden in een periode waarin tussen partijen nog geen sprake was van een gemeenschap van goederen.

16. Bij de behandeling van de grief stelt het hof voorop dat Marokko – kennelijk – een translatief stelsel kent voor de eigendomsoverdracht van onroerend goed, hetgeen betekent dat de eigendom van het goed pas overgaat wanneer op basis van de koopovereenkomst de goederenrechtelijke levering heeft plaatsgevonden althans een inschrijving heeft plaatsgevonden in het daartoe bestemde overheidsregister. Dit blijkt ook uit de door de man overgelegde koopovereenkomst van 20 april 2002 (‘De begunstigde wordt eigenaar van de thans verkochte onroerende goederen vanaf de dag van inschrijving in de grondboeken (…) overeenkomstig artikelen 66 en 67 Dahir (…) van 12 augustus 1913 aangaande de registratie’) alsmede uit de door de vrouw overgelegde koopovereenkomst van 20 juli/3 augustus 2005 (‘De koper zal eigendom zijn van het heden verkocht onroerend goed te rekenen vanaf de dag van de inschrijving van dezen in het grondregister overeenkomstig aan de artikelen 66 en 67 van het Dahir van 12 augustus 1913 op de registraties’).

17. Uit de bewoordingen van de door de man overgelegde koopovereenkomst van 20 april 2002 leidt het hof af dat dit een voorlopige koopovereenkomst betreft (zie blz. 1, laatste alinea: ‘Voorwaarden voor de mogelijke verkoop’ en ‘Indien de verkoop doorgaat, zal dit geschieden onder de gewone voorwaarden, en met name onder de volgende (…)’, en blz. 2: ‘De koper heeft aan de verkoper het bedrag van HONDERDDUIZEND Dirham (100.000 MAD) als voorschort betaald (…). Voor wat betreft het saldo van 100.000 MAD, HONDERDDUIZEND Dirham, verplicht de koper zich tot de betaling hiervan aan de verkoper op de dag van de ondertekening van de definitieve verkoopakte’). De door de vrouw overgelegde koopovereenkomst van 20 juli/3 augustus 2005 is bij notariële akte opgesteld (blz. 1: ‘Voor [volgt naam] , Notaris te [plaatsnaam] , ondergetekende, zijn verschenen (…)’) en beoogt de eigendomsoverdracht van het appartement tot stand te brengen. Voorts stelt het hof vast dat de vrouw haar versie van de koopovereenkomst reeds bij de inleidende dagvaarding heeft overgelegd ter staving van haar stelling dat het appartement is gekocht op 20 juli 2005, dat de man de inhoud van deze koopovereenkomst en het daarop gebaseerde standpunt van de vrouw in eerste aanleg niet althans onvoldoende heeft betwist, en dat de man pas na een voor hem teleurstellende beslissing van de rechtbank, zijn versie van de koopovereenkomst in hoger beroep in het geding heeft gebracht ter staving van zijn – eveneens voor het eerst in hoger beroep ingenomen – stelling dat de koopovereenkomst niet in 2005 maar in 2002 is gesloten. Gelet op het vorenstaande, zal het hof bij de verdere beoordeling van het hoger beroep de door de vrouw in het geding gebrachte notariële koopovereenkomst tot uitgangspunt nemen.

18. Uit de door de vrouw overgelegde notariële koopovereenkomst volgt dat de koop van het appartement heeft plaatsgevonden in het jaar 2005 en niet in het jaar 2002 zoals de man heeft gesteld. In het verlengde hiervan is dan ook aannemelijk dat de goederenrechtelijke levering althans de inschrijving in het overheidsregister eveneens in het jaar 2005 heeft plaatsgevonden. In ieder geval leidt het hof uit deze koopovereenkomst en de op enig moment daarop volgende goederenrechtelijke levering althans de inschrijving in het overheidsregister af, dat de man eigenaar was van het appartement in de op 12 november 2002 aangevangen periode waarin tussen de echtgenoten een gemeenschap van goederen heeft bestaan (vgl. rov. 14). Tegen deze achtergrond behoeft de vraag of de door de vrouw overgelegde stukken kwalificeren als een akte van inschrijving in de grondboeken (MvA, nr. 7-8), geen beantwoording. Evenmin komt het hof toe aan het bewijsaanbod van de man met betrekking tot een uittreksel uit de grondboeken (MvG, nr. 12).

19. Uit het bovenstaande volgt dat het appartement in Marokko door de man in eigendom is verkregen nadat het Nederlandse recht op 12 november 2002 van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Het hof komt daarmee tot dezelfde conclusie als de rechtbank in rov. 4.9 van het tussenvonnis van 21 februari 2018, waarin is geoordeeld dat het appartement in de gemeenschap van goederen valt waarin partijen destijds gehuwd waren, zodat het appartement in de verdeling betrokken dient te worden. Hieruit volgt dat grief 2 faalt.

Afspraken tussen partijen inzake verdeling van het appartement in Marokko?

20. Met grief 3 bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10 van het tussenvonnis van 21 februari 2018 dat tussen partijen geen afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van het appartement in Marokko. De rechtbank heeft de vordering van de man, inhoudende dat het appartement in overeenstemming met de tussen partijen gesloten overeenkomst aan de dochter van partijen dient te worden overgedragen, dan ook afgewezen. Onder verwijzing naar verschillende gedingstukken voert de man in hoger beroep aan dat partijen onderling overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen, waarbij de eigendom van het appartement zou worden overgedragen aan de dochter van partijen, [de dochter] . Dit betekent volgens de man dat de rechter op grond van art. 3:185 BW niet meer aan een verdeling van het appartement kan toekomen.

21. Uit de gedingstukken waarop de man zich beroept, kan het hof niet afleiden dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van het appartement in Marokko. Het hof motiveert dat als volgt. Bij brief van 31 januari 2010 heeft de toenmalige advocaat van de vrouw aan de toenmalige advocaat van de man bericht, voor zover van belang, dat partijen een appartement hebben in [plaatsnaam] en dat de vrouw voorstelt ‘dat dit appartement op naam van [de dochter] wordt gesteld’. Voorts staat weliswaar vast dat partijen op 12 november 2010 met hun advocaten een viergesprek hebben gehad, maar de man is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat partijen, zoals hij stelt, tijdens dit gesprek de afspraak omtrent het appartement nog eens hebben bevestigd. Uit de in dit verband door de man overgelegde brief van mr. Aardoom-Fuchs van 5 november 2010 blijkt slechts van een afspraakbevestiging inzake het viergesprek. Evenmin volgt het hof de man in zijn stelling dat uit het emailbericht van de vrouw aan haar advocaat van 30 november 2010 blijkt van een overeenkomst tussen partijen inzake de verdeling van het appartement, aangezien de vrouw in dit emailbericht bij haar advocaat slechts informeert naar de stand van zaken met betrekking tot haar voorstel om het appartement op naam van de dochter te laten zetten (‘(…) ik had een bewijs van koopovereenkomst van de appartement in [plaatsnaam] ik vroeg u deze op naam van dochter te laten zetten heeft u daar aan wat gedaan (…)’). Ook de stelling van de man dat de overeenkomst tussen partijen zou volgen uit de omstandigheid dat partijen en hun dochter in december 2010 op kosten van de man naar Marokko zijn gereisd, kan het hof niet volgen omdat volgens de eigen stellingen van de man reden voor die reis was dat ‘de vrouw zich in Marokko wilde laten behandelen’ (MvG, nr. 24).

22. Het hof acht het aannemelijk dat partijen hebben gesproken over de verdeling van het appartement in Marokko, dat de vrouw in dat verband een voorstel tot verdeling heeft gedaan, waarbij de naam van de dochter van partijen als begunstigde is genoemd, maar de man is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat tussen partijen uiteindelijk wilsovereenstemming is bereikt en daarmee een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van in ieder geval het appartement. De grief van de man tegen rov. 4.10 van het tussenvonnis van 21 februari 2018 is daarmee tevergeefs voorgesteld, zodat het hof alsnog dient te oordelen over de gevorderde verdeling van het appartement op grond van art. 3:185 BW.

Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap

23. In grief 4 betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van partijen heeft vastgesteld, omdat de rechtbank daarvoor diende te beschikken over een complete boedelbeschrijving met de daarbij behorende waarden per peildatum, terwijl geen van partijen een dergelijke boedelbeschrijving in het geding heeft gebracht. Vervolgens betoogt de man, kennelijk subsidiair, dat de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum meer omvat dan de activa en passiva waarover de rechtbank zich in de bestreden vonnissen heeft uitgelaten. Onder wijziging van zijn eis vordert de man in hoger beroep dat het hof vaststelt dat tot de gemeenschap van goederen ook behoren, aan de activakant, de inboedelgoederen in de nieuwe woning van de vrouw, bankrekeningen van de vrouw in Marokko en in Nederland, een bankrekening van de man in Nederland ( [volgt nr.] ) mits deze is geopend na 3 april 2003 dan wel na 12 november 2002, en een auto met kenteken [00-00-00] , en voorts, aan de passivakant, het debetsaldo op 16 april 2010 op de ANWB VISA Card van € 1.008,06, een schuld aan de Belastingdienst inzake kindgebonden budget 2008 en 2009 van € 1.854,- en een schuld aan Prime Line van € 1.079,12 volgens het saldo op 13 december 2011. In zijn petitum vordert de man de toedeling van deze vermogensbestanddelen aan één van partijen, al dan niet onder verrekening met de ander.

24. Bij de behandeling van deze grief stelt het hof voorop dat niet is gegriefd tegen de peildatum die de rechtbank heeft gehanteerd voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap, te weten 24 maart 2011, zijnde de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen (rov. 4.6 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018). Aan de hand van de stellingen van partijen heeft de rechtbank in rov. 4.7 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 een overzicht gegeven van de vermogensbestanddelen die volgens tenminste één van partijen in de verdeling betrokken zouden moeten worden. Anders dan de man primair betoogt, kon de rechtbank de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap vaststellen aan de hand van de stellingen van partijen over de in rov. 4.7 van het tussenvonnis genoemde vermogensbestanddelen, zonder dat de rechtbank daarvoor behoefde te beschikken over een complete boedelbeschrijving. In zoverre faalt de grief van de man dan ook.

25. Met betrekking tot de vermogensbestanddelen die door de man voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht, overweegt het hof als volgt.

26. De man vordert de toedeling van de auto met kenteken [00-00-00] aan zichzelf onder verrekening van de waarde van € 1.500,- met de vrouw. Blijkens de MvA (nr. 28) kan de vrouw zich hierin vinden, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.

27. De vrouw kan zich blijkens haar MvA (nr. 28) eveneens vinden in de vordering van de man tot toedeling van de op zijn naam gestelde bankrekening, bekend onder nummer [volgt nr.] , aan de man, onder verrekening van het saldo van deze bankrekening per peildatum met de vrouw. Het hof zal het saldo op deze bankrekening bij helfte tussen partijen verdelen. Nu het een banksaldo betreft heeft de peildatum ter bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap eveneens te gelden als peildatum voor de waardering, zijnde 24 maart 2011.

28. Voorts vordert de man de toedeling van de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw onder verrekening van de banksaldi op de peildatum, waarbij de man twee bankrekeningen noemt: (i) een bankrekening in Marokko en (ii) een bankrekening in Nederland, bekend onder nummer [volgt nr.] , waarop de vrouw haar inkomsten vanuit de zorg voor haar zus op grond van de AWBZ-regeling zou ontvangen. In het verlengde hiervan vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld om op grond van art. 21 c.q. 843a Rv inzage te geven in het verloop van deze bankrekeningen over de jaren 2009 tot en met 2011 alsmede in de saldi van deze rekeningen op de peildatum.

29. De man heeft zijn stelling met betrekking tot (i) een bankrekening in Marokko op naam van de vrouw op geen enkele manier onderbouwd, maar enkel gesteld (MvG, nr. 36) dat ‘de man bekend (is) met een bankrekening van de vrouw in Marokko’. Gelet op de betwisting van deze stelling door de vrouw, zal het hof de op deze stelling gebaseerde verdelingsvordering en de inzagevordering van de man afwijzen.

30. De man heeft zijn stelling met betrekking tot (ii) een bankrekening in Nederland, bekend onder nummer [volgt nr.] , onderbouwd door het overleggen van twee loonstroken van de vrouw uit december 2009 en januari 2010 en van een overzicht van af- en bijschrijvingen van rekening [volgt nr.] op naam van de vrouw in de periode van 29 oktober 2009 tot en met 29 november 2009 (prod. 7, MvG). Uit de loonstrook van januari 2010 kan worden opgemaakt dat het loon van de vrouw over die maand is uitbetaald op rekening [volgt nr.] ten name van de vrouw. In haar MvA heeft de vrouw de stelling van de man met betrekking tot deze rekening niet weersproken. Het hof zal het saldo op deze bankrekening per peildatum bij helfte tussen partijen verdelen.

31. De vordering van de man tot toedeling aan de vrouw van de meubels van de nieuwe woning van de vrouw, met verrekening van de waarde ervan, zal het hof als onvoldoende onderbouwd en gelet op de betwisting zijdens de vrouw dat deze – tweedehands – meubels enige waarde vertegenwoordigen, afwijzen.

32. Wat betreft de vordering van de man met betrekking tot de schulden aan ANWB VISA, de Belastingdienst en Prime Line, overweegt het hof dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de openstaande schulden per datum ontbinding huwelijksgoederengemeenschap, te weten 24 maart 2011. Het hof zal aldus beslissen.

Peildatum voor waardering

33. Grief 5 heeft betrekking op de peildatum die de rechtbank heeft gehanteerd voor de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de gemeenschap behoren. In rov. 4.6 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 is de rechtbank daarvoor uitgegaan van de datum van de feitelijke verdeling. De man betoogt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgegaan van de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen (19 december 2009) dan wel van de datum van de echtscheiding (24 maart 2011).

34. Het hof stelt voorop dat als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen in de regel de datum van de verdeling geldt. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (zie o.a. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697). Aan de orde is de vraag of de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat in plaats van de datum van de verdeling een andere, door de man voorgestelde datum moet worden gehanteerd. Het hof beantwoordt deze vraag in ontkennende zin en motiveert dat als volgt. Geen van de omstandigheden waar de man zich in dit verband op beroept, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een uitzondering op het uitgangspunt dat de datum van de verdeling geldt als peildatum voor de waardering. Anders dan de man aanvoert is voor het hof niet vast komen te staan dat partijen zich (na de vierbespreking op 12 november 2010) hebben gedragen alsof de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap na de verbreking van de samenwoning of de echtscheiding reeds geheel was afgewikkeld. Evenmin acht het hof in dit verband relevant dat de vrouw ruim vijf jaar na de echtscheiding een verdelingsvordering heeft ingesteld. Van enige benadeling van de man, zoals de grief kennelijk veronderstelt, is geen sprake, aangezien een door de man gestelde waardestijging van het appartement ten goede komt aan beide partijen. Dat de vrouw na 15 december 2009 althans 24 maart 2011 nimmer heeft bijgedragen aan de lasten van het appartement en het onderhoud daarvan, zoals de man heeft gesteld, zou op zichzelf genomen een relevante omstandigheid kunnen zijn, ware het niet dat de man heeft nagelaten te specificeren welke financiële lasten hij heeft gedragen, laat staan dat hij gesteld heeft dat het niet mogelijk is om deze uitgaven langs andere weg te verhalen op de vrouw.

35. De slotsom is dat de grief tevergeefs is voorgesteld. Dit betekent dat als peildatum voor de waardering van de goederen die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren de datum van de verdeling heeft te gelden.

Taxatie van het appartement in Marokko

36. In grief 6 komt de man op tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) de beslissing van de rechtbank in rov. 4.14 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018, om het appartement in overeenstemming met het taxatierapport van de vrouw in de verdeling te betrekken tegen een waarde van (MAD 607.500,- =) € 54.641,80. Onder verwijzing naar twee door de man ingebrachte taxatierapporten stelt de man zich in zijn grief op het standpunt dat het appartement in de verdeling dient te worden betrokken, primair, naar de waarde in 2011 van MAD 247.050,- en subsidiair, naar de waarde in 2016 van MAD 342.000,-, waarbij de man aanspraak maakt op een vergoedingsrecht uit hoofde van de investering van de man in de verbouwing van het appartement die tot een waardestijging van het appartement zou hebben geleid.

37. Het hof volgt de man niet in zijn betoog en legt dat als volgt uit. Voor zover de grief is gestoeld op de stelling dat als peildatum voor de waardering van het appartement de datum van verbreking van de samenwoning zou moeten gelden (15 december 2009) dan wel de datum van de echtscheiding (24 maart 2011), faalt de grief omdat het hof, in navolging van de rechtbank, de datum van de verdeling als peildatum voor de waardering aanmerkt (rov. 35). Dit betekent dat het hof voorbij zal gaan aan het door de man ingebrachte taxatierapport van [taxateur een] van 16 november 2016 en de nadere bewijsstukken met betrekking tot de verkoop van vergelijkbare appartementen, aangezien deze stukken betrekking hebben op de waarde van het appartement in 2011 terwijl het appartement dient te worden gewaardeerd naar de datum van de verdeling. Voor de waardering naar dat tijdstip beschikt het hof over twee taxatierapporten: het door de vrouw overgelegde taxatierapport van [taxateur twee] van 23 februari 2016 waarin de actuele waarde van het appartement wordt getaxeerd op MAD 607.500,- en het door de man overgelegde (ongedateerde) taxatierapport van [taxateur een] waarin ‘de huidige waarde’ van het appartement wordt getaxeerd op MAD 342.000,-.

38. In navolging van de rechtbank hecht het hof meer waarde aan het door de vrouw overgelegde taxatierapport, omdat dit rapport – dat uit vijf bladzijden bestaat – redelijk gedetailleerd omschrijft hoe de taxateur te werk is gegaan en goed onderbouwd de waardevaststelling van het appartement door de taxateur weergeeft. Het door de man overgelegde taxatierapport bestaat slechts uit één bladzijde, is ongedateerd en vermeldt slechts dat de huidige waarde is vastgesteld met inachtneming van de maatstaven voor taxatie zoals opgesteld door het Ministerie van Financiën en dat de verbouwingen in het appartement daarbij zijn betrokken. Voor zover dit rapport moet worden gezien als een aanvulling op het eerdere taxatierapport van [taxateur een] van 16 november 2016, neemt dat niet weg dat het aanvullende taxatierapport noch het eerdere taxatierapport voldoende onderbouwde informatie bevat met betrekking tot de waarde van het appartement in 2016.

39. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof, op basis van het door de vrouw in het geding gebrachte taxatierapport van [taxateur twee] van 23 februari 2016, uitgaat van een waarde van het appartement van MAD 607.500,-, hetgeen neerkomt op een bedrag van
€ 54.641,80. Daarmee sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De daarop betrekking hebbende grief van de man faalt derhalve. Voor zover de man nog aanspraak maakt op vergoedingen in verband met waardestijgende investeringen van zijn kant in het appartement, oordeelt het hof dat de man de juistheid van zijn daarop betrekking hebbende stelling – die overigens door de vrouw wordt betwist – niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Leningen

40. Grief 7 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door de man gestelde leningen van totaal MAD 210.000,- die hij bij zijn moeder en zijn broer zou zijn aangegaan voor de financiering van het appartement in Marokko. Wat de lening van de moeder betreft heeft de rechtbank in rov. 4.17 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 geoordeeld dat een eventuele schuld aan de moeder niet zal worden meegenomen in de verdeling, omdat – kort gezegd – niet vast is komen te staan dat er nog sprake is van een schuld aan de moeder. Wat de lening van de broer betreft heeft de rechtbank in rov. 4.18 van hetzelfde tussenvonnis geoordeeld dat zij aan deze schuld voorbij gaat omdat de stellingen van de man op dit punt onvoldoende zijn toegelicht. De man betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze twee leningen, waarvoor hij zich beroept op verklaringen van zijn moeder en zijn broer die door de man in eerste aanleg in het geding zijn gebracht.

41. Onder verwijzing naar de nodige bewijsstukken, houden de stellingen van de man in dat hij op 5 augustus 2003 een bedrag van MAD 100.000,- van zijn moeder heeft geleend en dat hij dit bedrag heeft aangewend voor de betaling van de eerste termijn van MAD 100.000,- die hij op grond van de koopovereenkomst voor 20 april 2002 verschuldigd was (MvG, nr. 69-71). Het hof kan de man niet volgen in dit betoog. Het ontgaat het hof hoe de man de eerste termijn van MAD 100.000,- (uiterlijk) op 20 april 2002 heeft kunnen betalen met de lening die hij van zijn moeder heeft ontvangen, terwijl het geld volgens de eigen stelling van de man pas op 5 augustus 2003 door de moeder aan hem is verstrekt. Voor zover het betoog van de man zou inhouden dat hij de eerste termijn van MAD 100.000,- heeft voldaan met bedragen die hij – voor 20 april 2002 – bij verschillende familieleden heeft geleend en dat hij de lening van zijn moeder heeft aangewend om de schulden bij deze familieleden af te betalen (MvG, nr. 71), heeft de man daarover geen bewijstukken in het geding gebracht of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij bij verschillende familieleden geld heeft geleend om de eerste termijn van MAD 100.000,- te kunnen betalen.

42. Dat geldt ook voor de door de man gestelde lening van zijn broer voor een bedrag van MAD 110.000,-. Het hof sluit zich te dien aanzien aan bij rov. 4.18 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018. In zijn conclusie van antwoord heeft de man tegen de gevorderde verdeling betreffende het appartement als primair verweer aangevoerd dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar aandeel in het appartement ten behoeve van de dochter van partijen, en als subsidiair verweer heeft hij gesteld dat het appartement ‘(…) destijds (is) aangekocht met gelden die door de moeder van de man werden gefourneerd. Het betreft een bedrag van € 10.000,-. In 2012 is door de man uit privé middelen ook € 10.000,- betaald. De man is van oordeel dat hij een vergoedingsrecht heeft ten belope van tenminste € 20.000,- te vermeerderen met rente over die bedragen’. In zijn eerste schriftelijke reactie op de verdelingsvordering noemt de man niet de lening van zijn broer, terwijl dat, gelet op de omvang van de lening en de afhankelijkheid van de man van deze lening om het appartement te kunnen kopen, wel voor de hand had gelegen. Het hof acht het niet aannemelijk dat de man aanvankelijk is vergeten deze lening van zijn broer in zijn verweer te betrekken.

43. Uit het vorenstaande volgt dat het hof de door de man gestelde lening bij zijn moeder en de lening bij zijn broer niet zal betrekken bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Bruidsgave

44. Met grief 8 keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.25 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 dat de man niet erin is geslaagd om te bewijzen dat hij de door hem verschuldigde uitgestelde bruidsgave reeds aan de vrouw heeft voldaan. De man voert aan dat hij gemotiveerd heeft gesteld dat hij de uitgestelde bruidsgave reeds aan de vrouw heeft betaald, namelijk door tijdens het huwelijk in 1994/1995 in Marokko gouden sieraden voor de vrouw te hebben gekocht voor een bedrag van fl. 2.000,-. Gelet op de verstreken tijd en omdat de vrouw zou beschikken over de bonnen van de aanschaf van de sieraden, is de man van mening dat de bewijslast op dit punt moet worden omgekeerd.

45. Bij de behandeling van de grief stelt het hof voorop dat de Nederlandse vertaling van de huwelijksakte van partijen over de bruidsgave de volgende afspraak inhoudt: ‘De bruid is geschikt voor het huwelijk en er zijn geen huwelijksbeletselen voor haar om te trouwen, middels een gezegende bruidsschat ter waarde van 7000 gulden (zegge: zeven duizend gulden), Nederlandse valuta, waarvan 5000 gulden in ontvangst genomen van voornoemde echtgenoot, door haarzelf, via haar vader, bij wijze van erkenning. Rest nog 2000 gulden door de echtgenoot te voldoen.’ Hoewel de Nederlandse vertaling van de huwelijksakte de term ‘bruidsschat’ gebruikt, staat tussen partijen vast dat daarmee de ‘bruidsgave’ is bedoeld (‘mahr’), dat wil zeggen de door de man ter gelegenheid van het huwelijk aan de vrouw toegezegde geldsom (zie ook art. 26 van de Mudawwana alsmede rov. 4.21 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018). Het in de huwelijksakte genoemde bedrag van fl. 2000,- betreft een zogenaamde uitgestelde bruidsgave (vgl. art. 30 Mudawwana). De vraag die partijen verdeeld houdt is of de man de uitgestelde bruidsgave reeds heeft voldaan in de vorm van gouden sieraden die de man stelt tijdens het huwelijk voor de vrouw te hebben gekocht.

46. Waar de grief (blijkens de verwijzingen naar rechtspraak van de Hoge Raad) naar de regels van Nederlands bewijsrecht een omkering van de bewijslast betoogt, gaat de man eraan voorbij dat de bewijslastverdeling – anders dan de bewijswaardering – als een kwestie van materieel bewijsrecht op grond van art. 10:13 BW wordt beheerst door het toepasselijke recht op de rechtsverhouding tussen partijen, in dit geval de bruidsgave (vgl. conclusie A-G voor HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1139, nr. 2.4 e.v.). Nu de onderhavige bruidsgave, voortvloeiende uit een rechtsverhouding sui generis, wordt beheerst door Marokkaans recht, geldt dat voor de bewijslastverdeling ook te rade zal moeten worden gegaan bij het Marokkaanse recht. Art. 33, tweede volzin, van de Mudawwana geeft een specifieke bewijsregel voor de uitgestelde bruidsgave: ‘Indien beide echtgenoten van mening verschillen over de inbezitneming van de uitgestelde bruidsgave, dient de echtgenoot te bewijzen dat deze is voldaan’. Kortom, op grond van het toepasselijke Marokkaanse bewijsrecht ligt het op de weg van de man om in dit geval te bewijzen dat de door hem verschuldigde uitgestelde bruidsgave reeds is voldaan.

47. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de man niet is geslaagd in het bewijzen van zijn stelling ter zake van de bruidsgave, nu hij heeft nagelaten zijn stelling te onderbouwen al dan niet met de nodige bewijsstukken. Voor zover de man nog betoogt dat hij de uitgestelde bruidsgave heeft voldaan omdat hij tijdens het huwelijk van partijen als kostwinner ‘alle kosten van de vrouw voor zijn rekening (heeft) genomen’ (MvG, nr. 81), verliest de man uit het oog dat hij uit hoofde van het huwelijk en de hierdoor ontstane persoonlijke rechtsbetrekking tussen de echtgenoten – zowel naar Marokkaans als naar Nederlands recht – als kostwinner gehouden is om zijn echtgenote te onderhouden en de daarmee gepaard gaande ‘kosten van de vrouw’ voor zijn rekening te nemen. De enkele omstandigheid dat de man tijdens het huwelijk heeft voldaan aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, vormt dan ook onvoldoende bewijs voor de stelling van de man dat hij de uitgestelde bruidsgave reeds heeft voldaan.

Inboedel

48. Grief 9 ziet op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de inboedel van de voormalige echtelijke woning van partijen. Vast staat dat deze inboedel onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. In rov. 4.36 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 heeft de rechtbank de inboedel toegedeeld aan de man, de waarde ervan vastgesteld op € 3.000,- en beslist dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te betalen. In hoger beroep herhaalt de man zijn standpunt uit de eerste aanleg, namelijk dat de vordering van de vrouw met betrekking tot de verdeling van de inboedel moet worden afgewezen omdat (i) primair sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw en (ii) subsidiair de inboedel tussen partijen reeds feitelijk is verdeeld. Voorts stelt de man (iii) meer subsidiair dat de inboedel ten tijde van de verdeling geen € 3.000,- waard is en dat de dagwaarde op nihil moet worden gesteld.

(i) Rechtsverwerking

49. In aanmerking genomen dat een beroep op rechtsverwerking neerkomt op een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, stelt het hof voorop dat een zodanig beroep slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond kan worden geoordeeld. Dit brengt mee dat genoegzame concrete feiten en omstandigheden moeten zijn aangevoerd, waarop dit beroep kan worden gegrond (zie bijvoorbeeld HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, rov. 5). De man heeft zijn standpunt met betrekking tot rechtsverwerking gebaseerd op ‘(…) de gemaakte afspraken op 12 november 2010, (…) de feitelijke gang van zaken en het wachten van de vrouw’ (MvG, nr. 89). Naar het oordeel van het hof heeft de man hiermee onvoldoende concrete gronden aangevoerd om een beroep op rechtsverwerking te rechtvaardigen. Daarbij komt dat het hof reeds heeft overwogen dat niet is vast komen te staan dat partijen op 12 november 2010 afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals de man stelt (rov. 20 t/m 22). Voorts kan ‘het wachten van de vrouw’ haar niet worden tegengeworpen, omdat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking (zie o.a. HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635). Het primaire standpunt van de man faalt dan ook.

(ii) Inboedel reeds verdeeld?

50. Onder verwijzing naar verschillende in het geding gebrachte stukken heeft de man getracht een onderbouwing te geven voor zijn subsidiaire standpunt dat de vrouw reeds goederen uit de voormalige echtelijke woning van partijen heeft meegenomen, zodat de verdeling van de inboedel door de feitelijke bezitsverschaffing reeds heeft plaatsgevonden (MvG, nr. 93). Uit geen van de door de man ingebrachte stukken, ook in onderlinge samenhang beoordeeld, kan het hof afleiden dat de inboedel tussen de partijen reeds is verdeeld. Weliswaar bevat de overgelegde verklaring van de huismeester een bijlage van vermiste spullen die door de vrouw en haar vader uit de woning zouden zijn meegenomen, maar vast staat dat deze bijlage niet door de huismeester maar door de man zelf is opgesteld. Ook uit het overgelegde schadeformulier voor de inboedelverzekering, de verklaringen van de buren en de omstandigheid dat de vrouw een lening van slechts € 1.500,- is aangegaan voor een nieuw aan te schaffen inboedel kan het hof niet opmaken dat de inboedel tussen partijen reeds feitelijk is verdeeld.

51. Verder beroept de man zich in dit verband kennelijk nog op verrekening, waar hij stelt dat hij een deel van de nieuwe meubels van de vrouw heeft betaald en haar eveneens heeft geholpen bij het opknappen van haar nieuwe woning (MvG, nr. 95). Ook daarvoor geldt dat de man naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft gesteld om de vordering van de vrouw uit hoofde van overbedeling wegens toedeling van de inboedel aan de man te kunnen verrekenen met een door de man gestelde vordering die hij zou hebben op de vrouw.

(iii) Waarde van inboedel

52. Meer subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat de inboedel op het moment van de verdeling geen € 3.000,- waard was. De inboedel is grotendeels aangeschaft in de tijd van de eerste samenwoning van partijen en de dagwaarde ruim vierentwintig jaar later dient op nihil te worden gesteld, aldus de man. Het hof kan zich niet vinden in dit betoog van de man en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in rov. 4.36 van het bestreden tussenvonnis, inhoudende dat in het algemeen een inboedel altijd enige waarde vertegenwoordigd, dat de door de vrouw aan de inboedel toegekende waarde van € 10.000,- kennelijk is gebaseerd op de nieuwprijs terwijl de waarde moet worden bepaald op heden, en dat de waarde van de inboedel in redelijkheid op € 3.000,- wordt bepaald uitgaande van een inboedel van een driekamerappartement dat partijen omstreeks 2009 hebben betrokken. De man heeft in hoger beroep niet aannemelijk kunnen maken dat het gaat om de inboedel die is aangeschaft in de tijd van de eerste samenwoning van partijen ruim vierentwintig jaar geleden en niet om de inboedel die is aangeschaft rondom de verhuizing van partijen in 2009.

53. Voor zover de man zich in dit verband nog beroept op verrekening in verband met nieuwe inboedel die de man voor de vrouw zou hebben gekocht, faalt de grief op de reeds in rov. 51 vermelde grond.

Schulden

54. In zijn laatste grief 10 bestrijdt de man de beslissing van de rechtbank dat de schulden die door de man zijn opgevoerd, bestaande uit drie geldleningen, geen schulden van de gemeenschap betreffen. Het standpunt van de man is, kort gezegd, dat deze geldleningen schulden zijn van de gemeenschap die hij na de echtscheiding heeft terugbetaald waardoor hij een regresvordering heeft op de vrouw voor de helft van de totaalsom van de geldleningen, te weten een bedrag van € 11.441,15. De rechtbank heeft de regresvordering van de man uit hoofde van de gestelde geldleningen afgewezen, omdat de man voor twee van de drie geldleningen onvoldoende heeft toegelicht dat hij werkelijk een bedrag heeft geleend (rov. 4.47 en 4.49 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018) en voor de derde geldlening niet is vast komen te staan dat de vrouw heeft getekend voor het aangaan van deze lening (rov. 2.2 van bestreden eindvonnis van 22 augustus 2018).

55. De man heeft drie geldleningen opgevoerd als schulden van de gemeenschap, te weten (i) een schuld van € 5.000,- aangegaan in juni 2008 bij zijn neef [naam drie 1] , (ii) een schuld van € 2.000,- aangegaan in oktober 2009 bij zijn collega [naam twee] , en (iii) een schuld van fl. 35.000,- (= € 15.882,31) aangegaan in 2000 bij mevrouw [naam een] (vgl. rov. 4.37 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018). Ter staving van het bestaan van deze geldleningen heeft de man verklaringen overgelegd van de personen van wie het geld zou zijn geleend.

56. Ten aanzien van de geldleningen genoemd onder (i) en (ii) – die zouden zijn aangegaan in de periode waarin Nederlands recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen, vgl. rov. 14 – heeft de rechtbank in het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 geoordeeld, kort gezegd, dat de man onvoldoende heeft toegelicht dat hij werkelijk een bedrag heeft geleend van zijn neef en van zijn collega en hij dit bedrag vervolgens weer heeft terugbetaald aangezien ieder detail met betrekking tot de lening en terugbetaling ontbreekt (rov. 4.47 en 4.49). In zijn grief voert de man aan dat de lening en de terugbetaling aan zijn neef en zijn collega contant hebben plaatsgevonden, dat een geldleningovereenkomst ontbreekt omdat dat ongebruikelijk is in de Marokkaanse cultuur, dat de verklaringen van zijn neef en zijn collega daarom achteraf zijn opgesteld, en dat de rechtbank de neef en de collega van de man als getuigen had kunnen horen gelet op het bewijsaanbod van de man (MvG, nrs. 112 t/m 123).

57. Het hof verwerpt het betoog van de man op dezelfde gronden als de rechtbank. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de man te weinig informatie heeft verschaft met betrekking tot de geldleningen genoemd onder (i) en (ii). Het hof overweegt dat het bestaan van deze geldleningen niet kan worden aangenomen op basis van de overgelegde verklaringen van de neef en de collega van de man, die acht respectievelijk zeven jaar nadat het geld aan de man zou zijn geleend in slechts twee regels hebben verklaard een bedrag van € 5.000,- respectievelijk € 2.000,- te hebben geleend en terug te hebben ontvangen van de man met vermelding van data/maanden en jaartallen, te meer nu de betalingen contant zouden hebben plaatsgevonden.

58. Ten aanzien van de geldlening genoemd onder (iii) – die zou zijn aangegaan in de periode waarin Marokkaans recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen, vgl. rov. 14 – heeft de rechtbank in het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 geoordeeld, kort gezegd, dat deze geldlening uit 2000 niet automatisch onderdeel uitmaakt van de gemeenschap van goederen maar alleen gemeenschappelijk is als ook de vrouw deze lening heeft ondertekend, dat de vrouw heeft ontkend dat zij het door de man overgelegde document waaruit deze geldlening zou blijken heeft ondertekend, en dat de rechtbank om die reden een deskundigenoordeel nodig acht ten aanzien van de echtheid van de handtekening van de vrouw. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 11 april 2018 een handschriftdeskundige benoemd en bepaald dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de man het vastgestelde voorschot van € 2.420,- heeft voldaan. Het voorschot is door de man niet betaald, waardoor het deskundigenbericht geen doorgang heeft kunnen vinden. Bij het bestreden eindvonnis van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank overwogen de man zijn stelling, dat de handtekening onder de naam van de vrouw op het document van 10 november 2008 afkomstig is van de vrouw, niet heeft bewezen, en daaraan de consequentie verbonden dat de vordering van de man met betrekking tot de geldlening bij mevrouw [naam een] zal worden afgewezen.

59. De man heeft tegen deze afwijzing gegriefd en kort gezegd naar voren gebracht dat partijen fl. 35.000,- hebben geleend van mevrouw [naam een] in verband met de aanschaf van de woning aan de [adres], dat mevrouw [naam een] de verkoopster was van deze woning, dat partijen dit geld nodig hadden omdat er op het inkomen van de man geen volledige hypotheek voor de koopprijs verleend kon worden, en dat uit de bewijsstukken die de man heeft overgelegd genoegzaam blijkt dat de handtekening van de vrouw onder het document van 10 november 2008 van de vrouw is, zodat vast staat dat de geldlening met mevrouw [naam een] door de man en de vrouw gezamenlijk is aangegaan (MvG, nrs. 101-102 en 104-105). Voorts heeft de man gesteld dat de vrouw leugenachtig verklaart en zij bekend is met psychische klachten (MvG, nrs. 106 t/m 108), waarmee kennelijk wordt betoogd dat aan de betwisting van de vrouw niet al te veel waarde moet worden toegekend.

60. Anders dan de man stelt, kan het hof uit de in het geding gebrachte stukken niet afleiden dat de handtekening onder de naam van de vrouw op het document van 10 november 2008 afkomstig is van de vrouw, zoals de man heeft gesteld en de vrouw gemotiveerd heeft betwist. Die onduidelijkheid is voor de rechtbank voldoende aanleiding geweest een schriftdeskundige te benoemen om onderzoek te doen naar de echtheid van de handtekening van de vrouw. Aangezien de man niet is staat is gebleken het voorschot van de deskundige te betalen, heeft het deskundigenonderzoek niet plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof komt deze omstandigheid voor rekening en risico van de man als degene op wie in dit verband de bewijslast rust. Daarbij komt dat de man in hoger beroep niet heeft aangeboden het voorschot alsnog te betalen. De conclusie zal dan ook moeten zijn dat de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn, door de vrouw gemotiveerd betwiste, stelling dat de handtekening afkomstig is van de vrouw.

61. Aan een omkering van de bewijslast, zoals de man subsidiair betoogt (MvG, nr. 111), komt het hof niet toe, reeds omdat de man eraan voorbij gaat dat een omkering van de bewijslast als een kwestie van materieel bewijsrecht op grond van art. 10:13 BW wordt beheerst door het toepasselijke recht op de rechtsverhouding tussen partijen (vgl. rov. 46), in dit geval het huwelijksvermogensregime van partijen waarop ten tijde van de gestelde geldlening bij mevrouw [naam een] het Marokkaanse recht van toepassing was (rov. 14). Naar het oordeel van het hof volgt uit het Marokkaanse recht geen omkering van de bewijslast, zoals de man (kennelijk op grond van het Nederlandse recht) stelt, zodat teruggevallen zal moeten worden op de algemene beginselen van bewijsrecht (vgl. art. 49 van de Mudawwana) op grond waarvan de man de bewijslast draagt van zijn stelling met betrekking tot de handtekening van de vrouw op het document van 10 november 2008.

62. Aan het bewijsaanbod van de man aan het slot van het appelschrift zal het hof voorbij gaan, omdat het aangeboden bewijs niet tot toewijzing van zijn vorderingen ter zake van de leningen kan leiden. Zijn bewijsaanbod ziet immers slechts op het bestaan c.q. aangaan van die leningen, doch van de door hem gestelde terugbetaling heeft hij geen bewijs aangeboden.

Proceskosten

63. Gelet op de verhouding tussen partijen als gewezen echtgenoten, zal het hof de kosten in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

1) bekrachtigt het bestreden vonnis;

2) bepaalt in aanvulling op de in het bestreden eindvonnis vastgestelde wijze van verdeling, ten aanzien van de vermogensbestanddelen die door de man voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht, als volgt:

  • -

    het saldo per peildatum (24 maart 2011) op bankrekening bekend onder nummer [volgt nr.] op naam van de man, wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;

  • -

    het saldo per peildatum (24 maart 2011) op bankrekening bekend onder nummer [volgt nr.] op naam van de vrouw, wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;

  • -

    de auto met kenteken [00-00-00] wordt aan de man toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 750,-;

3) bepaalt voorts dat ieder der partijen draagplichtig is voor de helft van de schulden aan ANWB VISA, de Belastingdienst en Prime Line per peildatum (24 maart 2011);

4) wijst het meer of anders gevorderde af;

5) compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, E.A. Mink en A.C. Olland en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.