Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3179

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.251.474/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex art. 843a Rv. Niet vooruitlopen op beoordeling in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.251.474/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/543725/ HA ZA 17/1224

arrest in het incident van 17 december 2019

inzake

Venlose Glasindustrie B.V.,

gevestigd te Belfeld (gemeente Venlo),

appellante,

hierna te noemen: VGI,

advocaat: mr. B. van Meurs te Sittard,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.H. Steensma te Rotterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 19 februari 2019 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 20 mei 2019. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Bij memorie van grieven heeft VGI vier grieven aangevoerd en een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv ingesteld. Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] de incidentele vordering bestreden.

Vervolgens hebben partijen het incident op 5 november 2019 schriftelijk doen bepleiten, VGI door mr. B. van Meurs, advocaat te Sittard, en [geïntimeerde] door mr. R.H. Steensma, advocaat te Rotterdam, beiden door middel van aan het hof overgelegde pleitnotities. Mr. Steensma heeft het hof op 6 november 2019 nog een akte tot rectificatie gezonden.

Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van het incident

1. De door de rechtbank in het vonnis van 18 juli 2018 onder 2 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal uitgaan van die feiten, aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn weersproken. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1.

VGI is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een glashandel exploiteert.

2.2.

In de jaren 2010 en 2011 heeft VGI materialen geleverd aan [de eenmanszaak] , een eenmanszaak van [geïntimeerde] .

2.3.

Op 28 februari 2012 heeft [geïntimeerde] de bedrijfsactiviteiten van [de eenmanszaak] beëindigd. [geïntimeerde] had op dat moment financieel niet de mogelijkheid om de openstaande facturen die hij bij VGI had, te voldoen. Partijen zijn daarom in overleg getreden.

2.4.

Op 26 augustus 2014 heeft [geïntimeerde] met betrekking tot die openstaande facturen een betalingsvoorstel naar VGI verzonden. Op 29 december 2014 heeft [directeur van VGI] , directeur van VGI, dit voorstel – aangevuld met een door VGI verlangde extra voorwaarde – namens VGI voor akkoord getekend (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“(…)

Gezien de slechte financiële situatie stellen wij U het volgende voor,

Een eenmalig betaling van € 5.000,00 door mij, eenmalig, te kunnen lenen van mijn echtgenote.

Een voorzetting van de eerder gemaakte afspraak, voor een periode van 3 jaar, vanaf 1 februari 2014, €200,00 per maand en eindigend op 28 februari 2017.

Een en ander tegen finale kwijting. Het restant door de Venlose glasindustrie na acceptatie weg te boeken.

Als besproken op 20 december 2014, zal er wanneer er toekomstig, ook na 28 februari 2017, financiële ruimte bij mij mocht ontstaan door mij alsnog tot betalen zal worden overgegaan teneinde mijn schuld aan de Venlose Glasindustrie b.v. te verminderen of geheel in te lossen.

(..)”

2.5.

[geïntimeerde] heeft in de periode tussen eind december 2014 en februari 2017 een totaalbedrag van € 11.200,00 aan VGI voldaan. Nadien heeft [geïntimeerde] geen betalingen meer gedaan aan VGI, zodat thans een bedrag van € 45.965,55 onbetaald is gebleven.

3. In eerste aanleg heeft VGI gevorderd, kort en zakelijk weergegeven, om [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 45.965,55 met wettelijke rente en proceskosten.

4. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en VGI veroordeeld in de kosten. Daartoe overwoog de rechtbank, kort gezegd, dat uit de tekst van het in 2.4 weergegeven beding met betrekking tot de betalingsverplichting van [geïntimeerde] en uit de daarover door partijen ter zitting afgelegde verklaringen af te leiden valt dat partijen hebben beoogd dit beding het karakter van een ‘herenakkoord’ te geven waarvan naleving juridisch niet afdwingbaar is.

5. In hoger beroep concludeert VGI in de hoofdzaak tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. In het incident vordert VGI dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat weergegeven:

[geïntimeerde] veroordeelt om op straffe van een dwangsom binnen 14 dagen na het te wijzen arrest aan VGI een afschrift te verstrekken van, althans inzage te verlenen in:

a. de loonstroken en jaaropgaven van [geïntimeerde] vanaf maart 2017 tot en met de datum van het in dezen te wijzen arrest; en

b. de uitkeringsspecificaties en jaaropgaven vanaf september 2015 tot en met de datum van het te wijzen arrest, van de pensioenfondsen waarvan [geïntimeerde] als gevolg van het overlijden van zijn echtgenote een nabestaandenpensioen ontvangt; en

c. de belastingaangiftes en belastingaanslagen van [geïntimeerde] vanaf 2015 tot en met 2019, inclusief de aanvraag en beschikking voorlopige teruggave.

Tenslotte vordert VGI in de hoofdzaak en in het incident vergoeding van proceskosten.

6. Ter onderbouwing voert VGI het volgende aan. [geïntimeerde] heeft een schuld aan VGI. In dat kader is tussen partijen onder meer overeengekomen dat tussen hen tot en met 28 februari 2017 een betalingsregeling zou gelden, en dat [geïntimeerde] nadien die schuld aan VGI verder zou aflossen indien er aan zijn kant financiële ruimte mocht bestaan, althans zou ontstaan. Volgens VGI is er aan de zijde van [geïntimeerde] na 28 februari 2017 financiële ruimte ontstaan. [geïntimeerde] is zodoende gehouden om tot het verrichten van aanvullende aflossingen aan VGI over te gaan. VGI beschikt evenwel niet over bescheiden waaruit die financiële ruimte blijkt. VGI heeft er dan ook recht op en belang bij dat [geïntimeerde] aan VGI een afschrift verstrekt van, althans inzage verstrekt in, de gevraagde bescheiden. VGI heeft geen andere mogelijkheid om die informatie te verkrijgen dan via de incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

7. [geïntimeerde] voert als volgt verweer tegen de incidentele vordering. VGI heeft bij haar incidentele vordering geen rechtmatig belang, in elk geval niet zolang er nog geen uitspraak is gedaan over de kernvraag tussen partijen, namelijk in hoeverre er tussen partijen afspraken zijn gemaakt als door VGI gesteld. Verder zijn de gevraagde bescheiden geen bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin VGI of haar rechtsvoorgangers partij zijn, en kan ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens redelijkerwijze worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd. Ten slotte is het gevorderde in strijd met zijn recht op privacy (art. 10 Grondwet).

8. Het hof oordeelt als volgt. In de hoofdzaak vordert VGI dat [geïntimeerde] uitvoering geeft aan een verplichting tot het doen van betalingen, omschreven in het in 2.4 aangehaalde beding. De rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van het oordeel dat het beding voor [geïntimeerde] geen door VGI afdwingbare verplichtingen in het leven riep. In hoger beroep staat in de hoofdzaak de vraag centraal of dit oordeel van de rechtbank juist is. Indien het hof met de rechtbank van oordeel zou zijn dat VGI geen afdwingbare rechten aan het beding kan ontlenen, zal dat leiden tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Het is duidelijk dat VGI in dat geval geen aanspraak kan maken op overlegging van dan wel inzage in de door haar in het incident genoemde bescheiden. Eerst indien het hof in de hoofdzaak tot een andere conclusie komt dan de rechtbank met betrekking tot het beding, bestaat mogelijk belang bij het alsnog verschaffen van de relevante financiële gegevens.

9. In dit incident bestaat geen aanleiding om thans vooruit te lopen op de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank juist is. Dat staat thans aan toewijzing van de incidentele vordering in de weg. Het hof zal de beslissing in het incident daarom aanhouden.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 11 februari 2019 voor de memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, P.M. Verbeek en R.J.F. Thiessen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.