Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3176

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
200.253.056/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verjaring van loonaanspraken, geen stuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.253.056/01

Rolnummer rechtbank : 6557835/18-98

arrest van 10 december 2019

in de zaak van

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto te Wassenaar,

tegen

Hamifleurs B.V.,

gevestigd te Honselersdijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Hamifleurs,

advocaat: mr. F. Diepraam te Haarlem.

Het geding

1. Bij dagvaarding van 16 november 2018 is [appellant] in beroep gekomen van het door de kantonrechter te Den Haag tussen partijen op 22 augustus 2018 gewezen vonnis. Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen en daarbij twee grieven geformuleerd. Hamifleurs heeft die grieven bij memorie van antwoord gemotiveerd bestreden. [appellant] heeft daarop bij akte nog twee producties overgelegd op welke akte Hamifleurs bij antwoordakte gereageerd heeft. Hamifleurs heeft onder overlegging van de stukken, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

Hamifleurs is opgericht in 1984. Bestuurders van Hamifleurs zijn sinds

1 maart 2011 [naam 2] , [naam 3] en Dutch Flower Group B.V.

2.2

Op 8 december 2010 is opgericht [X B.V.] (tot 17 augustus

2010 genaamd Grower Retail Connection B.V.) met als bestuurder Dutch Flower

Group B.V. en (per 19 augustus 2011:) [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder]

).

2.3

De registratie van [X B.V.] in het handelsregister is op

18 juli 2013 beëindigd in verband met het verdwijnen van de rechtspersoon als gevolg

van fusie met Hamifleurs (de verkrijgende rechtspersoon). Sedertdien handelt

Hamifleurs ook onder de naam [de bestuurder] .

2.4

[de bestuurder] is vanaf (de fusie op) 18 juli 2013 tot 1 januari 2017 nog bij Hamifleurs in

loondienst geweest.

2.5

[X B.V.] (hierna: [de bestuurder] ) dient te worden

onderscheiden van [Y B.V.] en [Z Beheer B.V.]

2.6

[de bestuurder] is op 27 mei 2014 in verzekering gesteld op verdenking van (onder

meer en verkort weergegeven) het te Honselersdijk krachtens overeenkomst

tewerkstellen van [appellant] bij [Z Beheer B.V.] , dit terwijl hij, [de bestuurder] , wist

althans had moeten vermoeden dat die [appellant] wederrechtelijk in Nederland verbleef.

[de bestuurder] is voor dit feit bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2018

veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,--. De veroordeling betreft de periode van

1 januari 2006 tot en met 12 maart 2012.

3. Stellende dat hij gedurende de periode van 1 augustus 2008 t/m 12 maart 2012 op de bloemenveiling te Honselersdijk onafgebroken en voltijds werkzaamheden verricht heeft voor [de bestuurder] , vorderde [appellant] na eiswijziging verkort weergegeven:

a. a) Hamifleurs te veroordelen tot betaling van € 60.600,46 aan achterstallig loon,

vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en met de wettelijke rente;

b) Hamifleurs te veroordelen tot betaling van € 4.518,39 aan niet genoten

vakantiedagen en € 4.518,39 aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke

rente en de wettelijke verhoging;

c) te verklaren voor recht dat Hamifleurs en haar rechtsvoorgangster [appellant]

jarenlang tewerk hebben gesteld zonder hem voor zijn werkzaamheden te betalen

zoals de geldende CAO voorschrijft en [appellant] daarmee hebben uitgebuit in de zin

van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

4. Hamifleurs heeft gemotiveerd verweer gevoerd en met betrekking tot het gevorderde onder a) en b) betoogd dat die vorderingen, zo al bestaand, zijn verjaard.

5. De kantonrechter heeft bij haar vonnis van 22 augustus 2018 de vorderingen van [appellant] zoals hiervoor onder 3 weergegeven afgewezen - de onderdelen a) en b) omdat deze volgens de kantonrechter verjaard zijn - en [appellant] veroordeeld in de kosten.

6. [appellant] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen. In hoger beroep vordert hij, in het kader van de twee grieven, vernietiging van genoemd vonnis onder toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van Hamifleurs in de kosten van beide instanties. Hamifleurs heeft de vordering van [appellant] ook in hoger beroep bestreden. Zij voert allereerst aan dat uit niets blijkt dat de werkzaamheden die [appellant] betaald wil zien, (steeds) zijn verricht voor [de bestuurder] . Zo valt , aldus Hamifleurs, in het veroordelende strafvonnis waar [appellant] ter onderbouwing van zijn stellingen naar verwijst, te lezen dat [de bestuurder] hem werkzaamheden heeft laten verrichten voor [Z Beheer B.V.] en dus niet voor [de bestuurder] (Hamifleurs).

Verder heeft Hamifleurs de twee door [appellant] opgeworpen grieven bestreden.

7. De twee grieven die [appellant] in het kader van het hoger beroep heeft geformuleerd, keren zich enkel tegen de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 van het bestreden vonnis, daar waar de kantonrechter overwogen heeft dat de door [appellant] ingestelde vorderingen tot betaling van achterstallig loon, niet genoten vakantiedagen en vakantietoeslag, zijn verjaard. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Tegen de afwijzing van de verklaring voor recht heeft [appellant] niet gegriefd, zodat dat onderdeel van de vordering van [appellant] niet ter beoordeling voorligt.

8. In het kader van zijn grieven heeft [appellant] aangevoerd dat [de bestuurder] gelieerd was aan [de bestuurder] en dat deze onderneming is gefuseerd met Hamifleurs. [de bestuurder] is als rechtspersoon verdwenen en Hamifleurs is de verkrijgende rechtspersoon. Een indertijd bestaande loonvordering op [de bestuurder] is derhalve, aldus [appellant] , overgegaan naar Hamifleurs en dientengevolge is Hamifleurs gehouden die loonvordering te voldoen. [appellant] is het, zo begrijpt het hof zijn stellingen, met Hamifleurs eens dat een tegen Hamifleurs gerichte loonvordering c.a. die betrekking heeft op de periode van 1 augustus 2008 t/m 12 maart 2012, zoals hier aan de orde, in beginsel verjaard is, maar volgens [appellant] is die verjaring gestuit door de aan [de bestuurder] gerichte brief van 14 augustus 2013 van zijn toenmalige gemachtigde mr. [de gemachtigde] .

Voor zover de brief van mr. [de gemachtigde] niet als een verklaring met stuitende werking zou kunnen worden beschouwd, is het, aldus [appellant] , een feit dat [de bestuurder] op 27 mei 2014 door de politie in verzekering is gesteld, is gehoord als verdachte en dat kort daarna de vervolging is gestart. Aldus wist [de bestuurder] op 27 mei 2014, volgens [appellant] , dat een strafzaak tegen hem zou worden gestart, onder meer wegens uitbuiting door het onderbetalen van [appellant] . Het starten van een dergelijke procedure is ook een omstandigheid die voor stuiting kan zorgen. Het maakt, zo betoogt [appellant] , voor stuiting niet uit of de rechtszaak van civielrechtelijke of strafrechtelijke aard is, als er maar een procedure is gestart. De inverzekeringstelling van [de bestuurder] op 27 mei 2014 dient volgens [appellant] ook als een stuitingshandeling te worden aangemerkt. Van verjaring van zijn loonvordering kan ook om die reden geen sprake zijn.

Overigens stelt [appellant] zich op het standpunt dat het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Hamifleurs zich met (succes) op verjaring zou kunnen beroepen. Met betrekking tot deze stellingen van [appellant] en er veronderstellenderwijs van uitgaande dat [appellant] werkzaamheden voor [de bestuurder] verricht heeft die onbetaald gebleven zijn, overweegt het hof het volgende.

9. In genoemde brief van 14 augustus 2013 voert mr. [de gemachtigde] onder meer aan dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht binnen het bedrijf van [de bestuurder] en dat niet duidelijk is om hoeveel uren het daarbij gaat en hoeveel loon daar tegenover stond. Mr. [de gemachtigde] vraagt om opheldering en sluit af met de volgende zinsnede: “Tot slot dient u deze brief aan te merken als een stuiting van eventuele verjaringen en behoudt cliënt zich ondubbelzinnig het recht voor op nakoming van uw verplichtingen (…). Deze mededeling richt zich tevens tot vennootschappen waarvan u middellijk of onmiddellijk directeur of eigenaar en/of aandeelhouder bent (..)”.

10. Anders dan Hamifleurs betoogt, voldoet bedoelde brief naar de inhoud aan de vereisten die art. 3:317 BW aan stuitingshandelingen stelt. Het moet op grond van de inhoud van die brief duidelijk geweest zijn dat [appellant] ondubbelzinnig aanspraak maakte op betaling van achterstallig loon. Dat de omvang van dat loon niet vaststond, is daarbij niet relevant.

11. Wel deelt het hof het standpunt van Hamifleurs dat door de brief van mr. [de gemachtigde] de verjaring op grond van het volgende toch niet is gestuit. Ten tijde van de verzending en ontvangst van de brief was [de bestuurder] uitsluitend werknemer van Hamifleurs. Om stuitende werking te hebben, had de brief het bestuur van Hamifleurs moeten bereiken. Daartoe was een brief aan [de bestuurder] (en zijn vennootschappen) niet toereikend. [de bestuurder] was bij het bestuur van Hamifleurs niet betrokken en verder blijkt uit niets dat [de bestuurder] bevoegd was om Hamifleurs bij het in ontvangst nemen van de brief van mr. [de gemachtigde] te vertegenwoordigen. Van door Hamifleurs gewekte schijn daartoe blijkt ook niet. Niet uitgesloten is dat [de bestuurder] destijds op enigerlei wijze betrokken was bij (het bestuur van) Dutch Flower Group B.V., een van de bestuurders van Hamifleurs, maar daaromtrent wordt niets gesteld zodat het hof dat punt verder laat rusten.

12. De stelling van [appellant] , kort gezegd, dat het starten van een strafrechtelijke procedure ook een daad van rechtsvervolging is als bedoeld in art. 3:316 BW, verwerpt het hof. De in art. 3:316 BW bedoelde daad van rechtsvervolging dient door de crediteur zelf, of door iemand die bevoegd is hem/haar te vertegenwoordigen, te worden ingesteld tegen de debiteur, zodat de debiteur weet wat van hem/haar verwacht wordt. Daarvan is bij een strafrechtelijke (daad van) vervolging geen sprake. Uit een strafrechtelijke daad van vervolging blijkt ook niet dat de crediteur zich ten opzichte van de debiteur het recht op voldoening van een verbintenis ondubbelzinnig voorbehoudt. Dat een strafrechtelijke veroordeling voor de veroordeelde (mogelijk) ook civielrechtelijke consequenties kan hebben waarop hij bedacht moet zijn, heeft voor het leerstuk van de stuiting geen relevantie.

13. Het hof verwerpt ook het beroep van [appellant] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Uit niets volgt dat een beroep op stuiting in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De enkele door [appellant] daartoe gestelde omstandigheid dat hij zich als illegale vreemdeling in een afhankelijke en kwetsbare positie bevond, rechtvaardigt die conclusie niet.

14. Onder grief II beroept [appellant] zich ter staving van zijn vordering ook nog op het rechtsvermoeden van art. 23 lid 2 Wav (Wet arbeid vreemdelingen). Dat beroep gaat echter niet op omdat ook in het geval dat ervan uitgegaan zou moeten worden dat op de relatie van [appellant] en Hamifleurs art. 23 Wav van toepassing zou zijn en aangenomen zou moeten worden dat [appellant] ten minste zes maanden voor Hamifleurs werkzaam geweest zou zijn, de daaruit voortvloeiende loonaanspraken zijn verjaard.

15. Waar de grieven niet tot vernietiging kunnen leiden, is de slotsom dat het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd dient te worden. [appellant] wordt als de in het ongelijk te stellen partij ook veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

16. Het hof passeert het bewijsaanbod dat [appellant] gedaan heeft als onvoldoende concreet.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Den Haag van

22 augustus 2018;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Hamifleurs tot op heden begroot op € 1.978,-- aan verschotten (griffierecht) en € 1.959,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, R.J.F. Thiessen en H.J. van Kooten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.