Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3146

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
200.254.697/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Het is aan de ondernemer voorbehouden om te beslissen om zijn onderneming te staken of voort te zetten. De schuldenlast van de man is dermate hoog dat hij geen draagkracht heeft tot het betalen van kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.254.697/01

zaaknummer rechtbank : C/10/544343 FA RK 18-1002

beschikking van de meervoudige kamer van 9 oktober 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 14 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 18 april 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de navolgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 27 juni 2019 een V-formulier van 22 juni 2019 met bijlagen;

- op 15 juli 2019 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 juli 2019 plaatsgevonden.

De advocaten van partijen zijn verschenen. De man en de vrouw zijn niet in persoon verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , geboren [in] 2005 (hierna: de minderjarige).

3.3

Bij beschikking van dit hof van 12 april 2017 is de beschikking van de rechtbank van 19 mei 2016 vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie) met ingang van 20 november 2015 bepaald op € 313,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man strekkende tot verlaging van de kinderalimentatie, afgewezen.

4.2

De man is het met deze beslissing niet eens. Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de initiële verzoeken van de man toe te wijzen;

II. de kinderalimentatie te wijzigen en op nihil te stellen, althans een bijdrage vast te stellen als het hof juist acht, primair met ingang van 21 mei 2018, zijnde de ingangsdatum van zijn nieuwe arbeidsovereenkomst, subsidiair met ingang van de datum van ondertekening van de schuldhulpverleningsovereenkomst op 15 november 2018.

4.3

De vrouw verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

Wijziging van omstandigheden

5.1

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zich na de beschikking van dit hof van 12 april 2017 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan aan de zijde van de man. De man heeft zijn onderneming (een eigen uitzendbureau in de vorm van een eenmanszaak) per 21 mei 2018 gestaakt en is vervolgens via een uitzendbureau in loondienst gaan werken. Aan het hof ligt ter beoordeling voor of dit meebrengt dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

5.2

De vrouw voert aan dat de man verwijtbaar inkomensverlies heeft geleden door de activiteiten in zijn eenmanszaak te staken. De vrouw acht het inkomensverlies van de man bovendien voor herstel vatbaar.

5.3

Het hof is van oordeel dat, ander dan de vrouw stelt, geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Het hof overweegt daartoe dat de man voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij genoodzaakt was zijn bedrijfsactiviteiten te staken. Het hof betrekt daarbij de door de man overgelegde jaarrapporten 2016-2017 en 2017-2018 betreffende zijn eenmanszaak als grondwerker. Daaruit blijkt dat de winst in 2017 € 48.677,- bedroeg en in 2018 € 1.730,-, derhalve een forse daling van de winst. Ter zitting in hoger beroep heeft de man nader verklaard dat zijn grote opdrachtgever niet met hem verder is gegaan en dat hij mede daarom genoodzaakt was om zijn onderneming te staken. Om met zijn onderneming te staken heeft ook een rol gespeelt zijn gezondheidstoestand. Het hof is van oordeel dat het in beginsel aan de ondernemer is voorbehouden om te oordelen of het bedrijfseconomisch verantwoord is om de onderneming voort te zetten. De argumenten die de man in het kader van de staking van zijn onderneming naar voren heeft gebracht - verlies van een grote opdrachtgever en zijn gezondheidstoestand - acht het hof een redelijk argument om de onderneming te staken. De keuze van de man om thans in loondienst te gaan werken acht het hof redelijk en verantwoord. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat er niet sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Het hof zal gelet op het voorgaande voor de vaststelling van de draagkracht van de man uitgaan van zijn werkelijke inkomen.

5.4

Het hof zal voor wat betreft de draagkracht een tweetal perioden onderscheiden, te weten:

- de periode van 21 mei 2018 tot 17 december 2018;

- de periode met ingang van 17 december 2018.

Periode van 21 mei 2018 tot 17 december 2018

5.5

Ter zitting heeft de man, desgevraagd, verklaard dat zijn inkomen uit loondienst in de periode van 21 mei 2018 tot 1 januari 2019 € 1.500,- bruto per vier weken bedroeg, exclusief vakantiegeld. De man heeft dit inkomen gestaafd door middel van het overleggen van zijn uitzendovereenkomst, alsmede de salarisspecificaties over de periode juni 2018 tot en met november 2018. Het hof volgt de man in zijn opgave.

Periode met ingang van 17 december 2018

5.6

De man heeft naar het oordeel van het hof genoegzaam aangetoond dat hij met ingang van 17 december 2018 in de Ziektewet zit en een uitkering ontvangt van € 255,60 per week. Het hof neemt daartoe in aanmerking de door de man overgelegde toekenningsbeslissing van het UWV (productie 10 bij zijn appelschrift) alsmede de betalingsspecificaties van het UWV over de periode januari 2019 tot en met juni 2019 (overgelegd bij V-formulier van 22 juni 2019). Het hof volgt de man in zijn opgave.

Schulden

5.7

Het hof is van oordeel dat de man voorts heeft aangetoond dat hij kampt met een aanzienlijke schuldenlast van ruim € 220.000,-. Het hof neemt daartoe in aanmerking het door de man overgelegde schuldenoverzicht (producties 14 tot en met 22 bij zijn appelschrift). De man stelt dat hij onder begeleiding van schuldhulpverlening doende is zijn schulden te saneren. Zulks blijkt ook uit de door de man overgelegde brief van [de gemeente] van 15 november 2018 in samenhang bezien met de overeenkomst schuldhulpverlening van 8 januari 2019 (producties 11 en 12 bij zijn appelschrift). De vrouw heeft haar stelling dat het hier om vermijdbare dan wel verwijtbare schulden gaat die buiten beschouwing moeten blijven tegen de achtergrond van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria onvoldoende onderbouwd. De schuldenlast van de man is dermate hoog en zijn inkomen is dermate laag dat het niet te verwachten is dat hij in de komende 10 jaar de schulden kan aflossen tenzij de man een beroep kan doen op de wet schuldsanering natuurlijke personen. Op dit moment is daar nog onzekerheid over derhalve houdt het hof volledig rekening met de schuldenlast. Als er een oplossing is gevonden voor de schulden kan er altijd weer een herbeoordeling van de draagkracht van de man plaats vinden.

Conclusie

5.8

Het hof is van oordeel dat de substantiële schuldenlast van de man en de aflossingen die hij daarop dient te plegen zodanig drukken op het hiervoor vermelde beperkte inkomen van de man dat de man voorlopig (zolang hij bezig is met het saneren van zijn schulden) niet in staat moet worden geacht tot het betalen van kinderalimentatie. Het hof constateert een verschil tussen hetgeen de man in zijn draagkracht berekening stelt en hetgeen hij in zijn appelschrift stelt. Gezien het onderzoek van het hof, zal het hof het in het appelschrift verzochte volgen.

5.9

Indien en voor zover de man op grond van de bestreden beschikking enig ander bedrag ter zake kinderalimentatie aan de vrouw zou hebben betaald, kan van de vrouw, gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden gebruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij deze bedragen aan de man terugbetaalt.

5.10

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 12 april 2017 - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 21 mei 2018 op nihil;

bepaalt dat de vrouw de door haar eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man behoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en W. Burgerhart, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en is op uitgesproken op 9 oktober 2019 in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.