Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:306

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
200.235.654/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling verdeling. Pensioen in 1989 verdeeld conform Boon/Van Loonarrest (1981). Vrouw vordert nakoming van achterstallige betalingen. Uit de omstandigheid dat de man bij de kantonrechter uitstel voor het indienen van een verweerschrift heeft gevraagd kan geen erkenning worden afgeleid. Hof zet vervolgens wijze van berekening van de pensioenvordering conform genoemd arrest Boon/Van Loon uiteen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/32.15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.235.654/01

Rolnummer rechtbank : 6514564 RL EXPL 17-30052

arrest d.d. 22 januari 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen de man,

advocaat: voorheen mr. D.H.J. Krouwel te Den Haag, thans mr. R.W. van den Hoek te Leiden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

Het geding

Bij dagvaarding van 13 maart 2018 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 13 december 2017, tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen (hierna: het bestreden vonnis).

De man heeft in de dagvaarding in hoger beroep vier grieven geformuleerd.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De man heeft zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis:

- de man veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de helft van de Ouderdomspensioenen bij Rabobank Pensioenfonds (hierna: het Pensioenfonds) opgebouwd ten tijde van het huwelijk, vrijvallend vanaf 1 juni 2013, en inmiddels tot 1 januari 2018 opgelopen tot € 3.386,14 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

- de man veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente ad € 138,82 te berekenen vanaf de dag dat de eerste termijn vrijviel tot 1 januari 2018.

De man is voorts in de kosten van het geding veroordeeld en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. De man heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt, en opnieuw rechtdoende, de vrouw niet- ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, dan wel de vorderingen van de vrouw afwijst en de vrouw veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.

De feiten

3. Het hof gaat uit van de volgende feiten:

- partijen zijn gehuwd geweest tot [datum] 1988;

- blijkens de notariële akte van scheiding en deling van [datum] 1989 behoorden tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap de door de man tot de ontbinding van het huwelijk opgebouwde aanspraken ouderdomspensioen. In de akte is met betrekking tot de verdeling van deze aanspraken opgenomen dat deze aanspraken aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting voor hem om, zodra deze pensioenaanspraken opeisbaar worden, de helft van de pensioenbedragen uit te keren aan de vrouw. Aan de vrouw is voorts een vordering op de man toegescheiden, inzake te zijner tijd tot uitkering komende pensioenbedragen, voor zover gebaseerd op de voor en tijdens huwelijk met de vrouw opgebouwde pensioenaanspraken;

- bij brief van 15 november 2013 van het Pensioenfonds is aan de vrouw een indicatieve opgave gedaan van de tot 14 maart 1988 door de man opgebouwde pensioenaanspraken, conform het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981. In deze brief is verder onder meer het volgende opgenomen:

“Indien bij de verdeling van de vermogensgemeenschap niet is gekozen voor een eenmalige verrekening bedraagt het vanaf pensioendatum te verrekenen bedrag € 63,31 bruto per jaar.

(…)

Indien deze indexatie ook op het te verrekenen bedrag toegepast moet worden betekent dit dat het te verrekenen bedrag per 1 april 1997 is toegenomen tot € 75,78 bruto per jaar. De heer [volgt naam man] heeft per 1 april 1997 een waardeoverdracht laten plaatsvinden. Daarom stopt onze indexatieberekening op 1 april 1997.”

- het (aanvankelijk) bij het Pensioenfonds opgebouwde pensioen is met ingang van 1 juni 2013 aan de man tot uitkering gekomen.

Ontvankelijkheid

4. De man stelt dat de kantonrechter niet bevoegd was van de vordering van de vrouw kennis te nemen. De vordering van de vrouw strekt tot nakoming van de akte van scheiding en deling. Dit betreft een familierechtelijke kwestie; de man stelt dat slechts de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

5. Voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat het geschil de vaststelling van (de wijze van) verdeling van een gemeenschap betreft en als zodanig tot de (absolute) competentie van de rechtbank behoort, volgt het hof de man hierin niet: de vordering van de vrouw betreft – zoals de man ook stelt – de nakoming van een tussen partijen overeengekomen wijze van verdeling van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken, en dus niet de vaststelling van de verdeling zelf. Het hof begrijpt uit de vordering van de vrouw dat deze beperkt is tot de achterstand in de betaling, door de vrouw berekend op een bedrag van € 3.386,14, te vermeerderen met rente. Op grond van artikel 93 Rv. wordt een vordering met dit beloop behandeld en beslist door de kantonrechter. Deze grief faalt.

Vordering niet erkend

6. De man stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat de man in het geding verschenen is en de vordering van de vrouw heeft erkend. Namens de man is juist door de Stichting Steun en Toeverlaat (hierna: STVT) bij brief van 7 december 2017 aan de kantonrechter uitstel gevraagd voor het indienen van een conclusie van antwoord door een te raadplegen advocaat.

7. Het hof leest in de door de man aangehaalde brief van STVT – evenals de man – een verzoek tot uitstel voor het indienen van een “verweerschrift”. Hieruit valt niet zonder meer een erkenning van de vordering uit af te leiden. In de procedure in hoger beroep is de man echter alsnog in de gelegenheid verweer te voeren tegen de vordering van de vrouw, in die zin dat hij grieven heeft aangevoerd tegen het bestreden vonnis, zodat het verzuim uit de eerste aanleg is hersteld.

Hoogte pensioenvordering

8, De man betwist de hoogte van het door de vrouw gevorderde bedrag terzake de pensioenaanspraken. Hij verwijst naar de hiervoor genoemde brief van het Pensioenfonds, waaruit blijkt dat de vordering van de vrouw op de man op 1 april 1997 € 75,78 per jaar, dus € 6,32 per maand bedraagt. De man stelt dat de vordering vermeerderd met de indexering per 1 juni 2013 € 8,77 per maand bedraagt. Hij berekent de totale achterstand over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 december 2017 op € 493,87. Hij erkent dat hij per 1 januari 2018 een geïndexeerd bedrag van € 9,37 aan de vrouw verschuldigd is. Het toegewezen bedrag aan wettelijke rente is daarmee ook gebaseerd op een onjuiste hoofdsom. De man stelt tot slot dat hij gezien zijn financiële situatie niet in staat is de pensioenvordering aan de vrouw te voldoen.

9. Het hof stelt voorop dat ten tijde van de echtscheiding voor de verdeling van pensioenaanspraken van partijen die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd de uitgangspunten golden, zoals die waren opgenomen in het Boon/Van Loon arrest (Hoge Raad 27 november 1981, NJ 1982, 503), tenzij partijen anders waren overeengekomen. Uit de akte van scheiding en deling blijkt niet dat partijen bij de verdeling van de pensioenaanspraken van deze uitgangspunten hebben willen afwijken. De opgave van het Pensioenfonds van het te verrekenen bedrag is met inachtneming van deze uitgangspunten opgemaakt. De vordering van de vrouw strookt echter niet met de inhoud van de brief van het Pensioenfonds, terwijl de vrouw zelf in de procedure in eerste aanleg naar deze brief heeft verwezen ter onderbouwing van haar vordering. In de brief is in duidelijke bewoordingen vermeld wat de hoogte van de aanspraak van de vrouw op de man is vanaf pensioendatum (€ 63,31) en, met toepassing van de indexering, per 1 april 1997 (€ 75,78). De vrouw heeft aan haar vordering een onjuist uitgangspunt ten grondslag gelegd: zij gaat ervan uit dat zij een vordering heeft tot de helft van de gehele aan de man uit te keren pensioentermijnen. Zij ziet echter over het hoofd dat de verrekening overeenkomstig het Boon/Van Loon arrest inhoudt dat de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen wordt toegekend aan de man en de waarde van het bijzonder nabestaandenpensioen aan de vrouw; dit resulteert in een vordering van de vrouw op de man tot het in de brief van het Pensioenfonds vermelde bedrag. Gesteld noch gebleken is dat partijen in de akte van scheiding en deling een andere wijze van verrekening – in het bijzonder door het buiten beschouwing laten van de verrekening met het bijzonder partnerpensioen – hebben beoogd. Deze grief van de man slaagt. Tegen de door de man opgestelde berekening van de achterstand in betaling is geen verweer gevoerd, zodat het hof van deze berekening uitgaat. De man heeft de vordering van de vrouw tot dit bedrag erkend, zodat de man tot betaling van dit bedrag moet worden veroordeeld. Dat de man niet in staat is dit bedrag te betalen doet daar niet aan af.

Proceskosten

10. De man maakt bezwaar tegen de veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg, omdat hij tijdig uitstel heeft gevraagd en in de gelegenheid had moeten worden gesteld verweer te voeren. Bovendien heeft de vrouw de vorderingen verkeerd berekend en heeft de man deze terecht niet voldaan. Hij vordert de vrouw ook in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.

11. Het hof overweegt als volgt. Het geschil vloeit voort uit de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen partijen heeft bestaan. Het hof acht het redelijk de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren, in die zien dat elke partij de eigen kosten draagt. Het is niet aan de vrouw te wijten dat de man in eerste aanleg geen verweer heeft kunnen voeren.

12. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en dat het hof beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende,

veroordeelt de man om tegen bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen terzake de aan hem uitgekeerde pensioenbedragen door Rabobank Pensioenfonds over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 december 2017 een bedrag van € 493,87, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de dag dat de eerste termijn vrijviel tot 1 januari 2018;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en E.A. Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.