Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:304

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
200..248.638/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil over vereffening. Vereffenaar vordert verklaring voor recht. Incident tot voeging op de voet van art. 222 Rv en tot oproeping van derden op de voet van art. 118 Rv, dit laatste omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Beide incidenten toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.242.091/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/523862/HA ZA 16-1417

arrest in het incident d.d. 22 januari 2019

inzake

[Broer een] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in het incident,

hierna te noemen: [Broer een] ,

advocaat: mr. T.J. Fluitman te Naaldwijk,

in de zaak van

[de Zuster] ,

wonende te [woonplaats] ),

gedaagde in het incident, tevens appellante in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [de Zuster] ,

advocaat: mr. C.I. Zaad te Den Haag,

tegen

[naam vereffenaar] ,

in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,

gedaagde in het incident, tevens geïntimeerde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: de vereffenaar,

advocaat: mr. P.G. Knoppers te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 13 juli 2018 is [de Zuster] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2018, gewezen tussen de vereffenaar als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [de Zuster] , [Broer een] en [Broer twee] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Ter rolzitting van het hof van 30 oktober 2018 heeft [Broer een] bij incidentele memorie vorderingen tot tussenkomst ex artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tot oproeping ex artikel 118 Rv en tot voeging op de voet van 222 Rv ingesteld.

[de Zuster] heeft zich bij antwoordconclusie gerefereerd aan de beslissing van het hof ten aanzien van deze incidentele vorderingen.

Ook de vereffenaar heeft zich bij memorie van antwoord in het incident gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft gevorderd de uitspraak voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Partijen hebben hun procesdossier overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

In conventie:

- Voor recht verklaard dat [de Zuster] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard;

- Voor recht verklaard dat de vordering uit hoofde van het vaderlijk erfdeel per erfgenaam wordt vastgesteld op € 24.283,59, te vermeerderen met de samengestelde rente van 9% vanaf het moment van overlijden van erflater tot het moment van overlijden van erflaatster, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overlijden van erflaatster tot de dag der algehele voldoening;

- Voor recht verklaard dat de kosten van partijen, gemoeid met het ontslag van de executeur en de benoeming van de vereffenaar, niet zijn aan te merken als kosten van de nalatenschap;

- Het meer of anders gevorderde afgewezen.

In reconventie namens [de Zuster] :

- Voor recht verklaard dat [de Zuster] uit de nalatenschap in verband met door haar gemaakte kosten voor de uitvaart een bedrag van € 3.136,25 toekomt;

- Het meer of anders gevorderde afgewezen.

In reconventie namens [Broer een] :

- De vorderingen afgewezen.

In conventie en in reconventie:

- De proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Op 11 mei 2012 is de moeder van [de Zuster] , [Broer een] en [Broer twee] overleden. Hun vader is op 14 mei 1984 overleden. Het testament van de vader bevatte een ouderlijke boedelverdeling als gevolg waarvan de bezittingen van de vader na zijn overlijden volledig in eigendom zijn overgegaan op de moeder en de drie kinderen een niet-opeisbare vordering op de moeder hebben verkregen. Bij notariële akte van 2 juli 1984 is het vaderlijk erfdeel per kind vastgesteld op ƒ 53.514,53, derhalve € 24.283,59. De moeder heeft in haar laatste testament van 21 maart 2006 de drie kinderen als erfgenamen aangewezen, waarbij de erfdelen van [Broer een] en [Broer twee] zijn vastgesteld op hun legitieme portie en [de Zuster] als erfgenaam voor het overige gedeelte is aangewezen. [de Zuster] is tot executeur benoemd. Bij beschikking van 28 januari 2013 is [de Zuster] als executeur ontslagen en is notaris H. Matzinger benoemd tot executeur. Deze heeft geconcludeerd dat de nalatenschap negatief is, waarop de kantonrechter bij beschikking van 29 november 2013 de vereffenaar tot vereffenaar in de nalatenschap van de moeder heeft benoemd. Gebleken is dat de erfgenamen het niet eens konden worden over de verschillende concept boedelbeschrijvingen die de vereffenaar heeft opgesteld. Ten gevolge van deze geschillen tussen de erfgenamen is de vereffenaar er niet in geslaagd de vereffening tot stand te brengen, reden waarom de vereffenaar de erfgenamen heeft gedagvaard en zij verklaringen voor recht heeft gevorderd ten aanzien van de geschilpunten tussen partijen. Op deze geschilpunten is beslist in het bestreden vonnis.

Voeging

3. [Broer een] legt aan zijn vordering tot voeging op de voet van artikel 222 Rv ten grondslag dat hij zelf ook hoger beroep heeft ingesteld tegen het bestreden vonnis (geregistreerd onder zaaknummer 200.248.638/01). Het betreft dusdanig samenhangende vorderingen c.q. feitelijke en/of juridische geschilpunten dat sprake is van verknochte zaken voor de zelfde rechter. [Broer een] vordert daarom voeging van de door hem aanhangig gemaakte procedure met deze procedure.

4. In artikel 222 Rv is bepaald dat in het geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over het zelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging kan worden gevorderd. Een zaaksvoeging op de voet van art. 222 Rv doet niet af aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Deze zelfstandigheid houdt onder meer in dat de voeging niet tot gevolg heeft dat een bij één van de gevoegde zaken betrokken partij nadien partij is in de andere zaak. Het gevolg van een voeging op de voet van art. 222 Rv is onder meer dat de procedures gelijktijdig worden behandeld en dat indien daartoe aanleiding bestaat volstaan kan worden met één processtuk, zoals één memorie van grieven. Daarnaast kan in alle zaken tegelijk uitspraak worden gedaan bij één vonnis, arrest of beschikking.

5. Het hof is van oordeel dat in deze, nu [de Zuster] en [Broer een] in eerste aanleg als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, optraden en beide hoger beroepen zich richten tegen het zelfde bestreden vonnis, sprake is van een zodanige band dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat beide zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door de zelfde rechter. Naar het oordeel van het hof is sprake van verknochte zaken eerder bedoelde zin. Het hof zal daarom ambtshalve de voeging van deze zaak met de zaak met zaaknummer 200.248.638/01 bevelen.

Vordering ex artikel 118 Rv

6. [Broer een] legt aan deze vordering ten grondslag dat in deze sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Evenals in eerste aanleg is noodzakelijk dat ook in hoger beroep alle deelgenoten daarbij in de procedure worden betrokken. Weliswaar is de verdeling zelf in deze procedure nog niet aan de orde, maar de verklaringen voor recht sorteren daarop voor. Een beslissing daarover luidt voor alle betrokkenen het zelfde en daarom moeten alle deelgenoten daarin worden betrokken.

7. Het hof is van oordeel dat het een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over de nalatenschap in de zelfde zin luidt ten aanzien van alle erfgenamen van de nalatenschap. Weliswaar gaat het in deze procedure nog niet om de verdeling van de nalatenschap, maar de vorderingen van de vereffenaar waarop in het bestreden vonnis is beslist, zijn vorderingen die gevolgen hebben voor de verdeling van de nalatenschap. Zoals hiervoor is overwogen doet een voeging niet af aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Het feit dat [Broer een] in de procedure met zaaknummer 200.248.638/01 alle erfgenamen en de vereffenaar heeft gedagvaard, betekent dan ook niet dat te nemen beslissingen in die zaak doorwerken in deze zaak. Het is daarom noodzakelijk dat de in deze zaak niet in hoger beroep gedagvaarde erfgenamen, [Broer een] en Reindert, alsnog worden opgeroepen. Het hof zal [de Zuster] daartoe in de gelegenheid stellen.

Vordering tot tussenkomst

8. Nu het hof [de Zuster] in de gelegenheid zal stellen om de niet in hoger beroep gedagvaarde personen op te roepen, heeft [Broer een] geen belang meer bij zijn vordering tot tussenkomst. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad?

9. De vereffenaar heeft gevorderd de beslissingen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ingevolge het bepaalde in artikel 118 Rv, dat verwijst naar artikel 128, tweede, zesde en zevende lid Rv, en waarvan het zevende lid vervolgens verwijst naar artikel 127a, vierde lid Rv, staat geen hogere voorziening open tegen een beslissing op de voet van artikel 118 Rv. Ook tegen een voeging staat ingevolge het bepaalde in artikel 219a juncto artikel 127a vierde lid Rv geen rechtsmiddel open. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad is dan ook niet nodig.

10. Het hof zal de proceskosten in het incident compenseren.

11. Dit leidt tot de volgende beslissingen.

Beslissing

Het hof:

beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de zaak met zaaknummer 200.248.638/01;

verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2019 zodat [de Zuster] tegen die dag [Broer een] en [Broer twee] overeenkomstig artikel 118 Rv kan oproepen;

compenseert de kosten in het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders in het incident gevorderde;

In de hoofdzaak:

verstaat dat de zaak wordt verwezen naar de rol van 26 februari 2019 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, P.B. Kamminga en S.H.M. van der Heiden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.