Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3038

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
BK-18/01139
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13474, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navordering. Nieuw feit. Geen ambtelijk verzuim. Belanghebbende heeft afwaardering van de vordering op de BV als kosten ten laste van tbs resultaat gebracht in zijn aangifte IB/PVV 2011. De Inspecteur heeft de aangifte 2011 geregeld zonder onderzoek. Over 2013 heeft belanghebbende wederom een bedrag afgewaardeerd. De Inspecteur corrigeert de aangifte 2013 na bij belanghebbende informatie te hebben ingewonnen en legt over 2011 een navorderingsaanslag op. De lening bleek onder onzakelijke voorwaarden te zijn aangegaan. De Inspecteur heeft geen ambtelijk verzuim begaan. Het was niet onmogelijk dat de aangifte juist was (namelijk als sprake was geweest van een zakelijke lening). Tot het raadplegen van gegevens van de BV was de Inspecteur niet gehouden. De mededeling op het biljet van de voorlopige aanslag dat de Inspecteur de aangifte zal onderzoeken doet dit niet anders zijn. Het beroep op opgewekt vertrouwen naar aanleiding van een vooroverleg wordt verworpen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit overleg heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2019
V-N Vandaag 2019/2638
FutD 2019-3051
V-N 2020/11.24.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01139

Uitspraak van 12 november 2019

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: [A] en [B] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [C] en [D] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 november 2018, nummer SGR 18/3449.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende op 9 augustus 2013 voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.314 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.019.

1.2.

Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende op 12 november 2016 voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag (de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.950 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.019. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij € 6.564 heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de tegen de aanslag en de beschikking heffingsrente gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspaak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.492 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.019 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente, met vergoeding aan belanghebbende van € 1.500 proceskosten en € 46 griffierecht.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2019. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het hoger beroep is gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van mevrouw [Y] , nr. BK-18/01140, betreffende de aan haar opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 en de daarbij genomen beschikking heffingsrente.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was in 2011 in gemeenschap van goederen gehuwd met [Y] .

2.2.

Mevrouw [Y] is enig aandeelhouder en bestuurder van [E] BV, gevestigd te [Z] (de vennootschap; de BV). De vennootschap is op 22 september 2010 opgericht. Het aandelenkapitaal bedroeg € 18.000.

2.3.

Op 9 november 2010 heeft de vennootschap 40% van de aandelen in [F] BV ( [F] BV) verworven. [F] BV is een vennootschap die zich richt op de consumentenverkoop van schoenen via winkels en webshop. Het betreft een nieuwe onderneming met een uitgesproken eigen productstyling en marktbenadering. Op 21 augustus 2012 verwerft de vennootschap 25% van de aandelen in [G] BV.

2.4.

In de periode 2010 tot en met 2012 verstrekken belanghebbende en mevrouw [Y] de volgende leningen aan de vennootschap:

9 september 2010: € 18.000

18 september 2010: ten behoeve aankoop aandelen [F] € 7.400

12 oktober 2010: doorlening door vennootschap aan [F] BV € 40.000

Totaal 2010 € 65.400

27 januari 2011: aankoop auto € 25.000

20 maart 2011: doorlening door vennootschap aan [F] BV € 50.000

30 juni 2011: € 30.000

7 december 2011: € 4.000

Totaal 2011 €109.000

20 januari 2012: € 1.800

29 januari 2012: € 3.500

30 januari 2012: € 26.500

20 augustus 2012: € 10.000

14 september 2012: € 53.000

Totaal 2012 € 94.800

In 2012 is van het bedrag van € 94.800 een bedrag van € 63.000 afkomstig uit een extra hypotheeklening die in privé is verkregen.

2.5.

De vordering van belanghebbende op de BV bedroeg volgens de aangifte vennootschapsbelasting (VPB):

- 2011: € 189.570

- 2012: € 277.979

- 2013: € 262.738.

2.6.

De BV heeft de ontvangen gelden doorgeleend aan [F] BV en [G] BV. Uit de aangifte VPB over het jaar 2011 blijkt dat [F] BV als deelneming op de balans is opgenomen voor € 7.200. Volgens de winstbijlage is € 149.911 uitgeleend. In 2012 is [G] BV toegevoegd aan de deelneming. Tevens heeft de BV in 2012 de vorderingen op de deelnemingen kwijtgescholden. De kwijtgescholden bedragen zijn als opgeofferd bedrag in de aangifte VPB vermeld. Hierdoor is de waarde van de deelnemingen van € 7.200 gestegen naar € 252.640.

2.7.

Op 28 december 2012 zijn alle leningen, die voor deze datum verstrekt waren, samengebundeld tot een nieuwe lening en vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van geldlening. Ter zake van de geldleningen zijn geen zekerheden verstrekt.

2.8.

De resultaten van de vennootschap en van [F] BV in de jaren 2010 tot en met 2012 zijn:

Jaar de vennootschap [F] BV

Vermogen resultaat Vermogen resultaat

31.12.2010 € 23.618 € 7.113 € 24.019 -/- € 42.019 -/-

31.12.2011 € 20.389 -/- € 45.544 -/- € 175.146 -/- € 151.127 -/-

31.12.2012 € 13.422 -/- € 7.024 € 1 € 46.551 -/-

2.9.

In 2012 is de lening aan [F] BV tot een bedrag van € 221.698 omgezet in agio.

2.10.

Belanghebbende en mevrouw [Y] hebben in hun aangiften IB/PVV 2011 ieder voor de helft de vorderingen op de vennootschap nagenoeg geheel afgewaardeerd. Voor belanghebbende was dat € 85.430. In de aangifte is als “toelichting kosten bij resultaat ter beschikking gesteld vermogen” vermeld: “Afwaardering vordering op Alice”.

2.11.

De Inspecteur heeft op 14 juni 2013 een voorlopige aanslag opgelegd en vervolgens op 9 augustus 2013 de primitieve aanslag waarbij hij de aangifte heeft gevolgd. In de toelichting bij de voorlopige aanslag is onder meer het volgende vermeld:

“Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte 2011. De Belastingdienst gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige aanslag …”.

2.12.

In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 hebben belanghebbende en mevrouw [Y] wederom afgewaardeerd. De Inspecteur heeft na bij belanghebbende informatie te hebben opgevraagd bij brief van 15 december 2015, in zijn brief van 28 juni 2016 meegedeeld van de aangifte af te wijken:

“(…) Uit de door u toegezonden cijfers en uit de aangifte vennootschapsbelasting 2011, 2012 en 2013 maak ik op dat de BV onvoldoende liquide middelen (resp.

€ 2.062, € 1.774 en € 4.140) en andere activa had. Bovendien waren de resultaten van de BV ontoereikend.

Ondanks dit gegeven hebben uw cliënt en zijn partner een lening van € 269.200 verstrekt aan de BV. Gezien de bovenstaande constateringen kom ik tot de conclusie dat verstrekte leningen geen zakelijke grondslag hebben.”

Vervolgens vermeldt de Inspecteur nog dat partijen bij de leningsovereenkomst geen reëel aflossingsschema zijn overeengekomen, dat de overeengekomen rente onzakelijk is waardoor een debiteurenrisico is aanvaard dat derden niet zouden willen lopen en dat hij daarom bij het vaststellen van de aanslag de afwaardering van de lening in box 1 in het jaar 2013 niet zal accepteren. Verder kondigt hij aan dat hij voor het jaar 2011 de afwaardering zal terugnemen door middel van een nog op te leggen navorderingsaanslag.

2.13.

Vervolgens heeft de Inspecteur op 30 juni 2016 aangekondigd de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 als volgt op te leggen:

Inkomen uit werk en woning € 72.314

Correctie tbs kosten € 85.430

Vrijstelling tbs € 10.252

Belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen € 147.492.

De navorderingsaanslag is op 12 november 2016 per abuis opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.950. De Rechtbank heeft vervolgens de navorderingsaanslag verminderd naar het in de aankondiging vermelde belastbaar inkomen uit werk en woning.

2.14.

Tegen de correctie voor het jaar 2013 heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het volgende overwogen:

“12. In het verweerschrift heeft [de Inspecteur] gesteld dat de correctie tot een onjuist bedrag is berekend. Het nader vast te stellen belastbaar inkomen moet worden verlaagd naar een bedrag van € 147.492.

13. Het beroep is derhalve gegrond. De beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd en de navorderingsaanslag dient reeds daarom te worden verminderd.

14. De rechtbank overweegt voorts het volgende.

15. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit, dient beoordeeld te worden of sprake is van feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslag reeds bij de Inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat [de Inspecteur] er in het algemeen op mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, [de Inspecteur] een nader onderzoek dient in te stellen (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

16. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [belanghebbende] over het jaar 2011 voor [de Inspecteur] geen aanleiding hoefde te geven om een nader onderzoek in te stellen. Hierbij speelt mede een rol dat de aangifte een verzorgde indruk maakte en door een gemachtigde was ingediend. [Belanghebbende] heeft geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan [de Inspecteur], na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte van [belanghebbende], aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1005). De enkele omstandigheid dat een bedrag van ruim € 85.000 in de aangifte als kosten bij “resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen” was opgenomen, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, aangezien hieruit nog niet kan worden afgeleid dat deze kosten een afwaardering van een mogelijk onzakelijke lening betreffen. Daarbij komt dat er een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte op dit punt juist was. Het nalaten van een nader onderzoek naar deze kosten, kan onder die omstandigheden niet als ambtelijk verzuim worden aangemerkt. Overige omstandigheden die voor [de Inspecteur] aanleiding hadden moeten zijn om voor het onderhavige jaar nader onderzoek te doen, zijn in het onderhavige geval niet gesteld of gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank dan ook aannemelijk dat [de Inspecteur] eerst naar aanleiding van de ter zake van de aangifte over het jaar 2013 verkregen informatie bekend is geworden met het feit dat (mogelijkerwijs) sprake was van een afwaardering van een onzakelijke lening. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voor het jaar 2011 sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

17. [ Belanghebbende] heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrente geen gronden ingebracht. Nu de navorderingsaanslag wordt verminderd, dient de in rekening gebrachte heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag te worden verminderd.

Proceskosten

18. In de omstandigheid dat het beroep, zoals hiervoor in overweging 15 is overwogen, gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat [de Inspecteur] het door [belanghebbende] betaalde griffierecht moet vergoeden.”

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur voor het jaar 2011 beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend.

4.2.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag voor het jaar 2011 van belanghebbende een ambtelijk verzuim heeft begaan dan wel een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten heeft gehad toen hij de aanslag conform de aangifte vaststelde en de afwaardering op de vordering op de vennootschap (die belanghebbende als kosten ten laste van het tbs resultaat had gebracht) niet corrigeerde.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en mevrouw [Y] in de jaren 2011, 2012 en 2013 tegen onzakelijke voorwaarden leningen hebben verstrekt aan de vennootschap die de vennootschap op haar beurt heeft doorgeleend aan [F] BV en [G] BV.

5.3.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur op de hoogte had kunnen zijn van de onzakelijkheid van de lening en de doorlening omdat de definitieve aanslag VPB 2011 van [F] BV en [G] BV eerder was vastgesteld dan de aanslag IB/PVV 2011 en de Inspecteur ook op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de BV per balansdatum 31 december 2011 over onvoldoende liquide middelen beschikte. Dit had een aanwijzing kunnen zijn voor onzakelijkheid van de leningen, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft verder gewezen op het feit dat het belastbaar inkomen uit werk en woning ten opzichte van eerdere jaren substantieel lager uitviel en dat dit voor de Inspecteur aanleiding had moeten zijn om de aangifte aan een uitgebreid onderzoek te onderwerpen.

5.4.

Bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of die inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 22 maart 2010, nr. 08/04868, LJN BL7165, BNB 2010/155, en

HR 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227).

5.5.

Omtrent de bij de aangifte te raadplegen gegevens heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017: 249, BNB 2017/81 het volgende geoordeeld:

“2.3. Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van de IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het eerstbedoelde (digitale) dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 6 juni 2001, nr. 36306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397, en HR 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166).”

5.6.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangifte behoefde te twijfelen, omdat niet onwaarschijnlijk was dat de aangifte op het punt van het ten laste brengen van de afwaardering op het resultaat van de ter beschikking stelling (tbs) juist was, namelijk in het geval sprake zou zijn geweest van een zakelijke lening. Daarover overweegt het Hof het volgende.

5.7.

In de aangifte is weliswaar een beperkt resultaat uit tbs van de BV te zien ten opzichte van de afwaardering, maar dat betekent niet dat het onwaarschijnlijk is dat de lening op zich zakelijk geweest kan zijn. Onwaarschijnlijk betekent dat de kans erg klein moet zijn dat de lening zakelijk is. Op basis van de informatie in de aangifte IB/PVV is er geen aanleiding geweest om dat te veronderstellen. De onderneming van de BV was bovendien pas in 2010 gestart. Gelet op die omstandigheden hoefde de Inspecteur volgens de hiervoor vermelde jurisprudentie niet de aangiften en aanslagen Vpb van de vennootschap en de andere B.V.’s te raadplegen. Die behoren ook niet tot het digitale dossier van belanghebbende. Het feit dat in absolute zin sprake was van een hoog bedrag aan kosten (de afwaardering) hoeft op zich ook geen aanleiding tot twijfel te geven op grond waarvan de Inspecteur de dossiers van de BV had moeten raadplegen. Als het bedrag van de afwaardering wordt afgezet tegen het belastbaar inkomen uit dienstbetrekking is dit bedrag ook niet (relatief) hoog.

5.8.

Pas wanneer de Inspecteur bij beoordeling van de aangifte IB/PVV 2013 wederom met een afwaardering wordt geconfronteerd, bestond voor hem, nadat hij bij vergelijking met de gegevens in het dossier van belanghebbende gezien had dat in de aangifte IB/PVV 2011 ook was afgewaardeerd – en van hem toen een zorgvuldiger toetsing werd verwacht – aanleiding om bij belanghebbende inlichtingen over de leningen in te winnen en de leningsovereenkomst op te vragen. Slechts aan de hand van de inhoud van de leningsovereenkomst en de verder gegeven informatie over de BV’s ,kon de Inspecteur tot de conclusie komen dat de leningen gelet op het aflossingsschema, het niet stellen van zekerheden en het beperkte rentepercentage, zijn verstrekt tegen onzakelijke voorwaarden en kon de Inspecteur op die gronden tot de conclusie komen dat sprake was van onzakelijke leningen. Daarvoor, bij de aanslagregeling voor het jaar 2011, was op basis van het IB/PVV dossier van belanghebbende de mogelijkheid van een zakelijke lening niet onwaarschijnlijk.

5.9.

Voor zover belanghebbende stelt dat hij aan de mededeling op de voorlopige aanslag dat de Inspecteur de gegevens in de aangifte nog zal controleren het vertrouwen mag ontlenen dat dit bij de aanslagregeling ook is gebeurd, dat de Inspecteur door de gegevens van de BV niet te raadplegen dat niet heeft gedaan en daarom een ambtelijk verzuim heeft begaan, verwerpt het Hof die stelling met inachtneming van het hiervoor overwogene.

De genoemde mededeling op het biljet verschaft bovendien slechts informatie over de te volgen werkwijze van de Belastingdienst en is daarmee aan te merken als een inlichting. Hieraan is geen vertrouwen te ontlenen dat geen navordering meer zal kunnen volgen.

5.10.

Aan de voorlopige aanslag zelf is evenmin vertrouwen te ontlenen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden om een uitzondering hierop aan te nemen (Vgl. HR 17 januari 2003, nr. 37 463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, BNB 2003/188).

5.11.

Evenals de Rechtbank komt het Hof niet tot de conclusie dat sprake is van ambtelijk verzuim of een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten.

5.12.

Voor zover belanghebbende stelt dat de afwaardering van de leningen hem door een vorige adviseur zou zijn geadviseerd en aan de orde zou zijn gekomen tijdens vooroverleg met de Inspecteur of zijn collega en dat namens de Belastingdienst een akkoord zou zijn gegeven, verwerpt het Hof die stelling bij gebrek aan bewijs. Belanghebbende heeft tegenover de weerspreking door de Inspecteur geen enkel bewijs geleverd waaruit blijkt wat dat advies dan inhield en wat daarin is vermeld over de daaraan verbonden fiscale (on)zekerheden. Verder heeft hij geen gegevens overgelegd op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gestelde overleg heeft plaatsgevonden en wat de uitkomst daarvan is geweest.

5.13.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking heffingsrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Evenmin is gebleken dat het bedrag niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen is berekend.

5.14.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, E.M. Vrouwenvelder en H. van den

Heuvel, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 12 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.