Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3023

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
22-004241-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1403
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van drie jonge meisjes. De verdachte heeft, toen de meisjes zich in zijn woning bevonden om snoepjes te halen, die meisjes over hun vagina gewreven, twee van die meisjes aan hun borsten betast en ook heeft hij één van die meisjes zijn geslachtsdeel laten betasten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 333 voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004241-18

Parketnummers: 10-680207-17 en 10-681248-17

Datum uitspraak: 12 november 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1949,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 oktober 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding II (met parketnummer 10-681248-17) primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I (met parketnummer 10-680207-17) en dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 115 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 18 januari 2017 te Dordrecht meermalen, althans eenmaal (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [aangeefster 1] (geboren op [geboortejaar] 2006) en/of [aangeefster 2] (geboren op [geboortejaar] 2006), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het - betasten van en/of strelen over en/of knijpen in de borsten van die [aangeefster 1] en/of die [aangeefster 2] en/of - wrijven/strelen over de (ontblote) vagina van die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2];

Dagvaarding II:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 september 2015 tot en met 12 maart 2017 te Dordrecht (telkens) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [aangeefster 3] (geboren op [geboortejaar] 2007), meermalen, althans eenmaal, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hierin bestaande dat verdachte

- over de vagina van die [aangeefster 3] heeft gewreven, althans de vagina heeft betast en/of

- zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen heeft gebracht en/of

- zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten door die [aangeefster 3];

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 september 2015 tot en met 12 maart 2017 te Dordrecht (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [aangeefster 3] (geboren op [geboortejaar] 2007), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het meermalen, althans eenmaal;

- wrijven over, althans betasten van de vagina van die [aangeefster 3] en/of

- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [aangeefster 3].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en met aanvulling van de bewijsmiddelen. Te dien aanzien heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 335 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met daaraan verbonden de in het vonnis waarvan beroep opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden, met het bevel dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding II met parketnummer 10-681248-17 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Dagvaarding I:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 18 januari 2017 te Dordrecht meermalen, althans eenmaal (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [aangeefster 1] (geboren op [geboortejaar] 2006) en/of [aangeefster 2] (geboren op [geboortejaar] 2006), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het - betasten van en/of strelen over en/of knijpen in de borsten van die [aangeefster 1] en/of die [aangeefster 2] en/of - wrijven/strelen over de (ontblote) vagina van die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2];


Dagvaarding II:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 12 maart 2017 te Dordrecht (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [aangeefster 3] (geboren op [geboortejaar] 2007), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het meermalen, althans eenmaal;

- wrijven over, althans betasten van de vagina van die [aangeefster 3] en/of

- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [aangeefster 3];.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank heeft uitvoerige bewijsoverwegingen in het vonnis opgenomen. Het hof kan zich grotendeels met deze overwegingen verenigen. Ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest zal het hof deze overwegingen opnieuw opnemen, daar waar nodig aangepast en aangevuld.

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde, wegens het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de manier van totstandkoming van de – ten tijde van de studioverhoren afgelegde - verklaringen van zowel [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2]) als [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1]) maakt dat deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd. Niet alleen zijn tijdens het studioverhoor allerlei suggestieve vragen gesteld, ook zijn beide meisjes daaraan voorafgaand beïnvloed door de vier op school gevoerde voorgesprekken en het gesprek dat bij de politie heeft plaatsgevonden, bij welk gesprek zowel zij als hun moeders aanwezig waren. Dit laatste is bovendien ook in strijd met de Aanwijzing Opsporing en Vervolging inzake Seksueel Misbruik, aldus de raadsman.


Met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [aangeefster 3] (hierna: [aangeefster 3]) pas tot stand zijn gekomen nadat het slachtoffer met haar ouders heeft gesproken, dat er in de verhoren gesloten vragen zijn gesteld en dat door het slachtoffer geen “kind-eigen” bewoordingen zijn gebruikt en dat het bovendien onwaarschijnlijk is dat [aangeefster 3] de andere twee slachtoffers niet kent.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Ondanks dat de door de verdediging aangehaalde Aanwijzing per 1 januari 2015 is komen te vervallen, dient het hof te beoordelen of de wijze waarop de verklaringen van [aangeefster 2], [aangeefster 1] en [aangeefster 3] tot stand zijn gekomen voldoende zorgvuldig is geweest.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat de omstandigheid dat [aangeefster 2] en [aangeefster 1], voorafgaand aan de bij hen afgenomen studioverhoren, hebben deelgenomen aan een gezamenlijk gesprek op het politiebureau, waarbij zowel hun moeders als [moeder] en haar moeder aanwezig waren, zeer ongelukkig is geweest. Ook is voorafgaande beïnvloeding door de op school gevoerde gesprekken niet uit te sluiten, maar een en ander brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich dat de waarheidsvinding en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen onherstelbaar is aangetast. Het hof neemt daarbij niet alleen het voortraject in aanmerking, maar de gehele gang van zaken.

[aangeefster 2] en [aangeefster 1] zijn, na het eerste gezamenlijke gesprek op het politiebureau, afzonderlijk verhoord in een studio door daarvoor speciaal opgeleide opsporingsambtenaren. Zij hebben tijdens dit verhoor verklaard over ontuchtige handelingen door verdachte. Het hof is van oordeel dat de beide verklaringen niet alleen authentiek en uitvoerig, maar ook zeer gedetailleerd en consistent zijn. Zij hebben beide, ieder in hun eigen bewoordingen, verklaard en die verklaringen komen niet (exact) overeen qua inhoud. Verder is van belang dat zij kennelijk schroom voelden om de gebeurtenissen te benoemen.

[aangeefster 2] heeft verklaard dat de verdachte met zijn vinger aan haar “plasmuis” zat en dat hij in haar “tieten” kneep in de gang bij de “snoepkast”. Dit was bij de trap naar beneden, toen zij snoep uitkoos en toen zij haar armen omhoog hield. De verdachte ging achter haar staan, deed zijn handen in haar zij en ging vervolgens met zijn hand onder haar shirt en in haar broek.

[aangeefster 1] heeft verklaard dat de verdachte aan haar “spleetje” en “tieten” zat in de kelder. De verdachte stond achter haar, ging met zijn handen over haar schouder, deed zijn hand in haar broek, ging onder haar shirt en wreef meermalen over haar spleetje.

Daarnaast hebben [aangeefster 2] en [aangeefster 1], ieder afzonderlijk, verklaard dat zij, toen zij samen in de woning van de verdachte waren, hebben gezien dat de verdachte ontuchtige handelingen bij de ander heeft gepleegd. [aangeefster 2] heeft verklaard dat de verdachte de tieten van [aangeefster 1] aanraakte en [aangeefster 1] heeft verklaard dat de verdachte zijn hand in de broek van [aangeefster 2] had en aan haar tieten zat.

Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat de tijdens de studioverhoren afgelegde verklaringen van zowel [aangeefster 2] als [aangeefster 1] het resultaat zijn van open gestelde vragen, waarna herhaaldelijk is doorgevraagd naar aanleiding van de gegeven antwoorden. [aangeefster 2] heeft desgevraagd meermalen verklaard dat de verdachte aan haar tieten en aan haar plasmuis zat. Dat [aangeefster 2] in het studioverhoor een enkele keer het woord “proberen” heeft gebruikt doet daar niet aan af. [aangeefster 1] heeft als eerste tegen de verbalisant gezegd dat de verdachte aan haar ging zitten op rare plekken. De verbalisant heeft [aangeefster 1] vervolgens gevraagd om hierover meer te vertellen en heeft gevraagd naar de frequentie.

Het hof heeft – gelet op het bovenstaande – geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de door [aangeefster 2] en [aangeefster 1] afgelegde verklaringen. Het hof acht de beide verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar, zodat deze tot het bewijs zullen worden gebezigd.

Voorts is het hof van oordeel dat ook [aangeefster 3] concreet en in haar eigen (kinder)bewoordingen heeft verklaard over de ontuchtige handelingen. [aangeefster 3] heeft in het eerste verhoor verklaard dat de verdachte, toen zij snoep “bij de snoepkast” uitkoos, achter haar ging staan, dat hij zijn hand in haar broek deed en dat hij aan haar “plasser” zat. Verder heeft zij in het tweede studioverhoor verklaard dat zij tijdens het uitkiezen van snoep bij de “snoepkast” de “pielewiep” van de verdachte moest betasten. De verdachte stond achter haar, pakte haar hand vast, trok die naar achteren en bracht die door de open gulp in zijn broek. [aangeefster 3] voelde behaarde en gladde delen. Zij kon zich goed herinneren dat de verdachte haar arm naar achteren trok omdat de verdachte dit zo hard deed dat zij enkele dagen last had van haar rechterarm. Het hof acht deze gegeven omschrijving, en de daarbij gebruikte bewoordingen, authentiek en heeft geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die verklaringen. Het hof bezigt de beide verklaringen dan ook tot het bewijs.

Uit het dossier zijn overigens geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die wijzen op voorafgaande afstemming en beïnvloeding tussen [aangeefster 2] en [aangeefster 1] enerzijds en [aangeefster 3] anderzijds. De enkele stelling van de verdachte dat [aangeefster 1] en [aangeefster 3] een keer samen met anderen bij hem aan de deur zijn geweest om snoep te halen, is - als dit al zou zijn gebeurd – onvoldoende om aan te nemen dat [aangeefster 2] en [aangeefster 1] enerzijds en [aangeefster 3] anderzijds, met elkaar hebben gesproken over het gebeurde en elkaar op die wijze zouden hebben beïnvloed.

Steunbewijs

Zoals hiervoor al overwogen, acht het hof de verklaringen van de slachtoffers [aangeefster 2], [aangeefster 1] en [aangeefster 3] betrouwbaar. Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de betrouwbaar geachte verklaringen van [aangeefster 2], [aangeefster 1] en [aangeefster 3] – welke verklaringen lijnrecht tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte staan – voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal en of aldus is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Het hof overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het toegelaten om aan andere soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van schakelbewijs) te gebruiken. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.

In het onderhavig geval gaat het om de tenlastelegging van twee zedendelicten, waarbij drie slachtoffers betrokken zijn. Naar het oordeel van het hof vertonen de verklaringen van [aangeefster 2] en [aangeefster 1], zijnde het bewijsmateriaal van het bij dagvaarding I ten laste gelegde zedendelict, op essentiële onderdelen belangrijke overeenkomsten met de verklaringen van [aangeefster 3], zijnde het bewijsmateriaal van het bij dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde zedendelict. Uit die verklaringen is naar het oordeel van het hof een herkenbaar en gelijksoortig patroon, oftewel een modus operandi, in het handelen van de verdachte af te leiden. Die modus operandi van de verdachte kenmerkt zich hierin dat hij de kinderen in zijn woning tijdens het uitkiezen van snoep bij de “snoepkast” (het hof begrijpt: het trapgat naar de kelder/het souterrain) van achteren benaderde, zijn armen om hen heen sloeg, met zijn hand onder hun shirt ging, zijn hand in hun broek deed en vervolgens hun borsten respectievelijk vagina betastte. Het hof is – gelet op deze belangrijke overeenkomsten in de verklaringen – van oordeel dat de verklaringen van de meisjes over en weer – middels een schakelbewijsconstructie – als steunbewijs kunnen worden gebruikt voor de feiten zoals onder dagvaarding I en II bewezenverklaard.

Nu middels een schakelbewijsconstructie is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het hof ook de overtuiging heeft bekomen dat hetgeen bij dagvaarding I en dagvaarding II subsidiair is ten laste gelegd zich heeft voortgedaan komt het hof, met verwerping van het gevoerde verweer, tot een bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in dagvaarding I en bij dagvaarding II subsidiair bewezen verklaarde levert telkens op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van drie jonge meisjes. De verdachte heeft, toen de meisjes zich in zijn woning bevonden om snoepjes te halen, die meisjes over hun vagina gewreven, twee van die meisjes aan hun borsten betast en ook heeft hij één van die meisjes zijn geslachtsdeel laten betasten. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen de grenzen van het toelaatbare ernstig heeft overschreden. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige en onaanvaardbare inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de psychische integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat jonge slachtoffers van delicten als de onderhavige in de regel te kampen hebben met verregaande (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarop is de onderhavige zaak geen uitzondering, zo blijkt onder meer uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen van de ouders van [aangeefster 1] en [aangeefster 3]. Het is schrijnend om te horen welke impact het gedrag van de verdachte heeft gehad op hun leven.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 oktober 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof heeft verder acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van drs. G.J.W. Pol, GZ-psycholoog, van 25 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Verder heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 21 februari 2018. Uit de voormelde rapportage blijkt dat er – gelet op de leefomstandigheden van de verdachte – instabiele factoren aanwezig zijn. De verdachte woont nabij een plein waar kinderen zich ophouden en ook woont één van de slachtoffers bij hem in de straat. De reclassering adviseert aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van – kort gezegd – een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contact- en locatieverbod en de plicht tot het verlenen van toestemming tot het raadplegen van referenten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de brief van reclasseringswerker M. van Andel d.d. 22 oktober 2019. Uit de voormelde brief blijkt dat de reclassering het - gelet op de leeftijd van de verdachte als ook de daarmee gepaard gaande beperkingen in zijn lichamelijke welbevinden - niet wenselijk acht dat aan de verdachte een werkstraf en/of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt het hof tot slot ook rekening met de omstandigheid dat de verdachte – zoals ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren is gebracht en ook met stukken is onderbouwd – te kampen heeft met forse gezondheidsproblemen. Hij is gediagnosticeerd met prostaatkanker en hij heeft op zeer korte termijn verschillende afspraken in het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam.

Het hof is - alles afwegende en in het bijzonder gelet op de voormelde persoonlijke omstandigheden van de verdachte - van oordeel dat een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel de door reclassering geadviseerde en door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden verbinden, nu het hof continuering van die voorwaarden – gelet op de omstandigheid dat de verdachte woonachtig is in de nabijheid van de drie slachtoffers – nog geboden acht. Het hof zal voorts – mede gelet op de voormelde woonsituatie – de proeftijd op een periode van 5 jaren bepalen.
Het hof is, gelet op de voormelde woonsituatie als ook op de aard van het bewezen verklaarde en de duur van de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal derhalve bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering tot schadevergoeding van [aangeefster 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het bij dagvaarding I aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17,60 aan materiële geleden schade en € 1.500,- aan immateriële schade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over dit totale bedrag van € 1.517,60.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft – zoals reeds vermeld – gedeeltelijke bevestiging van het vonnis gevorderd en geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist, nu raadsman van de verdachte enkel heeft gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.517,60, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1].

Vordering tot schadevergoeding van [aangeefster 3]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft – zoals reeds vermeld – gedeeltelijke bevestiging van het vonnis gevorderd en geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist, nu raadsman van de verdachte enkel heeft gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding II subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,00, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 3].

Kostenveroordeling

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bij dagvaarding I en dagvaarding II subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 333 (driehonderddrieëndertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

  • -

    gedurende de volledige proeftijd op geen enkele wijze contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 2] (geboren op [geboortejaar] 2006), [aangeefster 1] (geboren [geboortejaar] 2006) en Z. [aangeefster 3] (geboren op [geboortejaar] 2007);

  • -

    zich gedurende de volledige proeftijd niet zal ophouden met en geen bezoek zal ontvangen van (een) minderjarige(n) zonder aanwezigheid van een andere(n) volwassene(n);

  • -

    zich gedurende de volledige proeftijd niet zal bevinden op het speelplein, zijnde het middendeel van het Emmaplein te Dordrecht;

  • -

    toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen;

  • -

    zich zal melden bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    zal meewerken aan een behandelverplichting, ook indien dit inhoudt doorverwijzing naar een forensisch (psychiatrische) polikliniek voor een intake/onderzoek en, indien dit noodzakelijk wordt geacht, het volgen van een ambulante behandeling voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar verantwoord vindt.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] ter zake van bij dagvaarding I bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.517,60 (duizend vijfhonderdzeventien euro en zestig cent) bestaande uit € 17,60 (zeventien euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 1], ter zake van het bij dagvaarding I bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.517,60 (duizend vijfhonderdzeventien euro en zestig cent) bestaande uit € 17,60 (zeventien euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 januari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 3] ter zake van het bij dagvaarding II subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 3], ter zake van het bij dagvaarding II subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 maart 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. L.A. Pit en mr. T.J. Sleeswijk Visser, in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 november 2019.