Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:301

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
22-003512-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft gedurende meerdere maanden samen met zijn mededader een gewoonte gemaakt van het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Hij heeft dat gedaan door deze geldbedragen, waarvan hij wist dat deze afkomstig waren uit misdrijf, in ontvangst te nemen, over te dragen en voorhanden te hebben.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003512-14

Parketnummer: 10-960059-11

Datum uitspraak: 29 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortejaar] 1954,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 december 2018 en 15 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de dagvaarding deels nietig verklaard en zijn er beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep. Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Amsterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen (een) (grote) geldbedrag(en), ingebracht en/of omgezet en/of opdracht gegeven tot uitbetaling en/of uitbetaald

- ( door) geldbedragen in verschillende landen betaalbaar te stellen en/of te ontvangen en/of betaalbaar te stellen en/of te wisselen naar grote(re) coupures en/of in contanten over te dragen en/of overgedragen en/of ontvangen

- ( door) in een loods in het World Fashion Center te Amsterdam, op of omstreeks 9 april 2011 een geldbedrag van (in totaal ongeveer) EUR 1.534.720,--, althans een groot geldbedrag, voorhanden te hebben en/of

- ( door) aan en/of van een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) over te dragen en/of te ontvangen althans heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn (mede)dader(s), voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

althans heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn (mede)daders (telkens) van voornoemd(e) geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij, verdachte en/of haar mededader(s), verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens de opgelegde straf. Zij heeft voorts gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof - ook met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van:

- hetgeen is overwogen onder het kopje “bewijsoverweging” op de bladzijden 3 tot en met 8 van het vonnis, met uitzondering van de overwegingen ten aanzien van de samenwerking en de rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachte en ten aanzien van de periode van witwassen en de gewoonte;

- het door de rechtbank op pagina 32 van het vonnis gebruikte bewijsmiddel (het proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2011) voor zover dit inhoudt: “[verdachte] gaf aan dat hij gebeld was in verband met het alarm. Dat de ruimte van een vriend van hem was, [verdachte] genaamd en dat hij geen sleutels had van de kluizen. (…)”;

- de door de rechtbank op pagina 33, laatste bulletpoint, en op de pagina’s 34 en 35 van het vonnis weergegeven bewijsmiddelen;

- een overig in het vonnis waarvan beroep aangehaald wettelijk voorschrift;

- de oplegging van de straf en de motivering daarvan.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen en verbetering aanbrengt.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd. Dat betekent dat ook de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding en ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen in stand worden gelaten.

Nadere bewijsoverwegingen

Algemeen

In het dossier bevinden zich veel afgeluisterde telefoongesprekken, waaronder gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte. Met de rechtbank constateert het hof dat deze gesprekken een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter hebben, waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van ‘samaan’, over getallen, over het hebben van kaarten, dozen of boxen en over wisselkoersen in relatie tot ‘samaan’. Ook wordt gebruik gemaakt van het woord ‘token’, een vooraf afgesproken code op basis waarvan op de ene plaats een geldbedrag wordt afgegeven, waarna op een andere plaats geld wordt uitbetaald.

Dat het in deze telefoongesprekken over kleding gaat, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven, acht het hof met de rechtbank ongeloofwaardig.

Daar komt bij dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken volgt, dat de verdachte en zijn medeverdachte meermalen met personen afspreken om bijvoorbeeld ‘grote maten’ op te komen halen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn in dat verband op 17 en 19 januari 2011 geobserveerd. Uit de telefoongesprekken die rondom en op die specifieke data hebben plaatsgevonden, waarin onder andere de woorden ‘samaan’ en ‘kaarten’ vallen en getallen worden genoemd, en de observaties op die data kan worden afgeleid dat toen geen kleding, maar geldbedragen zijn overgedragen en/of zijn gewisseld. Het hof wijst in dat verband op het bedrag van € 1.534.720,- dat in contanten – voornamelijk in grote coupures - in loods 10 van het World Fashion Center (WFC) is aangetroffen. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en de observaties is het hof gebleken, dat de verdachte en zijn medeverdachte zich regelmatig in de omgeving en in het WFC ophielden. De verdachte huurde de loods alwaar het bedrag is aangetroffen en hij had als enige een sleutel van deze loods.

Aldus bezien kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het aangetroffen geldbedrag het werkkapitaal voor de geldoverdrachts- en geldwisselpraktijken van de verdachte en zijn medeverdachte vormde.

Van misdrijf afkomstig

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

De hierboven genoemde versluierde telefoongesprekken in samenhang met de observaties, de omstandigheid dat het aangetroffen geld voor het overgrote deel bestond uit grote coupures en dat het geld in een kluis in een loods werd bewaard alsmede het ongebruikelijke vervoer van grote geldbedragen en de daaraan verbonden aanzienlijke risico’s rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat de gewisselde en vervoerde geldbedragen alsmede het in loods 10 aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig zijn. Een belangrijk verschil met ‘traditioneel’ hawala-bankieren, waarbij het niet hoeft te gaan om geld dat van misdrijf afkomstig is, vormt de omstandigheid dat het in dit geval handelt om grote bedragen in grote coupures. Dat kan duiden op geld dat verdiend is met de handel in verdovende middelen en wijst in elk geval in de richting van crimineel verdiende inkomsten. Daar komt bij dat de medeverdachte ontvoerd is geweest en dat dit niet bij de politie is gemeld. Ook dat wijst erop dat de activiteiten die de verdachte en zijn medeverdachte ontplooiden een criminele achtergrond hadden.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het aangetroffen geld aan hem toebehoort en dat het geld de opbrengst vormt van de verkoop van een stuk grond in India, dat de verdachte van zijn vader had gekregen. Ter onderbouwing van die stelling heeft de verdachte stukken overgelegd. Met dat geld wilde hij een hotel in Nederland kopen, aldus de verdachte. Ten aanzien van de gewisselde en vervoerde geldbedragen heeft de verdachte elke betrokkenheid ontkend.

Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte omtrent het in de loods aangetroffen geld, die niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt, heeft de politie getuigen gehoord en zijn er rechtshulpverzoeken gedaan aan India en aan de Verenigde Staten. In India hebben getuigen een schriftelijke verklaring opgesteld die door de Indiase autoriteiten in het Engels zijn vertaald. Ook zijn er getuigen bij de raadsheer-commissaris gehoord.

De vraag doet zich thans voor, of het nadere onderzoek naar de stellingen van de verdachte het vermoeden dat het in de loods aangetroffen geld uit misdrijf afkomstig is, heeft ontzenuwd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit niet het geval is. Het hof acht daartoe het volgende van belang.

Tijdens de doorzoeking van de loods op 9 april 2011 is de verdachte verschenen. Uit een telefoongesprek dat de verdachte op die zelfde datum met een onbekend gebleven persoon heeft gevoerd (zaaksdossier witwassen geld, ZD-01, p. 90) volgt dat hij toen tegen de politie heeft gezegd dat het alarm is afgegaan en dat hij geen sleutel had. Pas ruim zes maanden later heeft de verdachte tijdens een verhoor verklaard over de herkomst van het geld, in die zin dat hij het land van zijn vader had geërfd en heeft verkocht en heeft hij een agreement to sell overgelegd. Tijdens zijn tweede verhoor, op 18 januari 2012, heeft de verdachte een taxatierapport, een death transcript van zijn vader en een testament van zijn vader overhandigd. Het hof acht het niet goed verklaarbaar dat de verdachte, als het geld inderdaad de opbrengst van dat land is geweest, zo lang heeft gewacht met het op de hoogte stellen van de politie en het overleggen van de bedoelde documenten. Daar komt bij dat de verdachte bij gelegenheid van de behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat hij het land van zijn vader heeft verworven vóórdat zijn vader was overleden, terwijl hij bij de politie heeft aangegeven dat hij dat land van zijn vader heeft geërfd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte zich in de periode voorafgaand aan de doorzoeking bezig hielden met het wisselen van geld en het verkrijgen van grote coupures. Het in de loods aangetroffen bedrag bestond voor het overgrote deel uit coupures van € 200,- en € 500,-. Het geld in de kluis was bovendien opgedeeld in verschillende bundels en bij twee van die bundels zat een briefje met een numerieke aanduiding. Ook zijn nog twee losse briefjes met numerieke aanduidingen aangetroffen. Dit wijst erop dat het aangetroffen geldbedrag in kleinere porties opgedeeld moest worden, hetgeen moeilijk te rijmen valt met de stelling van de verdachte dat het geld afkomstig is uit één transactie, te weten de verkoop van een stuk grond in India.

De stelling van de verdachte dat hij met het geld een hotel in Nederland wilde kopen is onderbouwd met getuigenverklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie en de raadsheer-commissaris hebben afgelegd. [getuige 1] heeft verklaard ten behoeve van de verdachte drie hotels in Amsterdam te hebben bezocht en afspraken te hebben gemaakt. Welke afspraken deze zijn geweest en met wie hij deze heeft gemaakt blijft onduidelijk, terwijl evenmin duidelijk wordt hoe en door wie de koopprijs van het aan te kopen hotel (volgens de getuige vier tot zes miljoen euro) zou worden gefinancierd. Ook wordt niet duidelijk waarom het geld niet op een bankrekening is gezet. [getuige 2] verklaart op dit punt slechts dat de verdachte met geld dat hij uit India zou krijgen een hotel zou gaan kopen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep evenmin duidelijkheid verschaft en enkel verwezen naar [getuige 1] die dat allemaal zou regelen.

Voorts is moeilijk voorstelbaar dat de vader van de verdachte kort voor zijn dood een stuk grond met een waarde van in ieder geval ongeveer 1,5 miljoen euro alleen aan de verdachte schonk, en dat de twee broers en de zus van de verdachte hier allen geen bezwaar tegen hadden zonder dat zij op enige wijze al dan niet gedeeltelijk werden gecompenseerd.

Het hof hecht in dat verband aan de uit India afkomstige schriftelijke verklaringen – voor zover deze al de stelling van de verdachte ondersteunen – geen geloof.

De door de verdachte overgelegde documenten lijken zijn stelling dat hij een stuk grond in India heeft verkocht te ondersteunen, maar uit deze documenten kan niet worden afgeleid dat het in de loods van het WFC aangetroffen geldbedrag de opbrengst van die verkoop vormde.

Nu bovengenoemd vermoeden niet is ontzenuwd, komt het hof tot de conclusie dat het (gewoonte) witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat de gewisselde en vervoerde geldbedragen alsmede het in loods 10 aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de zaak aan te houden en de reeds in India gehoorde getuigen door een raadsheer-commissaris te doen horen in aanwezigheid van de verdediging indien en voor zover het hof zou menen dat op basis van het door het Openbaar Ministerie opgestelde rechtshulpverzoek onvoldoende zou zijn doorgevraagd, althans vragen overblijven.

Nu het hof die mening niet is toegedaan, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet ingetreden en gaat het hof aan het verzoek voorbij.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Het hof neemt de in het bestreden vonnis in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen grotendeels, met enkele aanvullingen, over. De aanvullingen zijn de volgende:

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 april 2011, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] (map 3, persoonsdossier, p. 27):

Ik ben in Rotterdam door drie mensen vastgehouden. Ik was daar op 4 april 2011. Deze mensen zeiden mij dat ik geld moest betalen in India. Zij hebben mij vastgebonden en geslagen met een ijzeren voorwerp. Zij hadden tegen mij gezegd dat ik niet naar de politie mocht gaan.

Ik voelde mij bedreigd toen zij vuurwapens op mij richtten. Mijn mond is met tape afgeplakt.

De eigen waarneming van de rechter van de foto’s op p. 72 en 73 van het op 15 maart 2012 opgemaakte proces-verbaal Zaaksdossier ZD-01 (map 4) waarop twee geldbundels die op 9 april 2011 in de loods in het WFC in de kluis zijn aangetroffen met elk een briefje met cijfers te zien zijn. Ook valt op een foto op p. 73 twee losse briefjes met cijfers te zien.

Wettelijke voorschriften

Ten aanzien van de door de rechtbank aangehaalde wettelijke voorschriften constateert het hof dat de rechtbank kennelijk abusievelijk artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht heeft opgenomen.

Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De aangehaalde wetsartikelen worden toegepast zoals zij gelden dan wel golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende meerdere maanden samen met zijn mededader een gewoonte gemaakt van het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Hij heeft dat gedaan door deze

geldbedragen, waarvan hij wist dat deze afkomstig waren uit misdrijf, in ontvangst te nemen, over te dragen en voorhanden te hebben. Dit is een ernstig strafbaar feit.

Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van dergelijke grote witgewassen geldbedragen heeft een sterke corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2018 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortelijke feiten.

Het hof is – alles overwegende – en mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ter zake van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, van oordeel dat, in plaats van een op zichzelf passende deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk een passende en geboden reactie vormt. De door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden komt het hof – mede gelet op hetgeen in soortgelijke zaken pleegt te worden opgelegd – te hoog voor.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerpen is het hof met de rechtbank van oordeel dat de voorwerpen onder 1, 2, 3 en 4 van de aangehechte beslaglijst aan de verdachte kunnen worden teruggegeven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover hierboven weergegeven en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

7 (zeven) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de aangehechte beslaglijst genummerde voorwerpen 1, 2, 3 en 4.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,

mr. W.J. van Boven en mr. E. van Die,

in bijzijn van de griffier mr. F. van Vliet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2019.

Mr. E. van Die is buiten staat dit arrest mede te

ondertekenen.