Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3007

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
BK-18/01073
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aan zijn aangifteverplichting voldaan, zodat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Naar het oordeel van het Hof doorstaat de schatting van de Inspecteur de redelijkheidstoets. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat hij door persoonlijke omstandigheden geen werkzaamheden voor zijn (gelieerde) vennootschap(pen) heeft (kunnen) verricht(en), zodat terecht een gebruikelijk loon in aanmerking is genomen. Het op banktegoeden van belanghebbende gelegde conservatoire beslag vormt geen waardeverminderende factor voor het box 3-inkomen en evenmin een schuld. Ten aanzien van de stelling dat de in rechte toegewezen verbeurdverklaring van € 1.000.000 invloed heeft op de waarde van het box 3-inkomen heeft belanghebbende niet aan zijn stelplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-11-2019
V-N Vandaag 2019/2561
FutD 2019-2991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01073

Uitspraak van 5 november 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] , [D] en [E] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 september 2018, nummer SGR 18/1470.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.478 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 109 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 781 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete opgelegd van € 226 (de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling genomen. De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.002 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een bedrag van € 126 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een stuk aangeduid als ‘verweerschrift’ ingediend dat door het Hof is aangemerkt als nader stuk.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 september 2019. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [F] , nummer BK-18/01072. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken, voor zover van toepassing, geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak is aangevoerd, voor zover van toepassing, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. [Belanghebbende] is bestuurder en enig aandeelhouder van [G] B.V. (de houdstermaatschappij) en [H] B.V. De houdstermaatschappij is in het jaar 2013 houdster van alle aandelen in [I] B.V. en [J] B.V.

2. [I] B.V. en [J] B.V. hebben in het in geschil zijnde belastingjaar omzetten behaald van respectievelijk € 618.774 en €93.210.

3. Op 30 november 2011 is door het Openbaar Ministerie, tot verhaal van een nog aanhangig te maken ontnemingsvordering, conservatoir beslag gelegd onder [belanghebbende], onder [H] B.V. en onder de derde Coöperatieve [K] U.A.

4. Aangezien het Openbaar Ministerie heeft verzuimd om tijdig een ontnemingsvordering in te stellen, is verbeurdverklaring van het vermogen gevorderd. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 4 december 2017 deze vordering tot een bedrag van € 1.000.000 toegewezen.

5. [ Belanghebbende] is bij brief van 28 februari 2014 uitgenodigd tot het doen van aangifte, bij brief van 9 juni 2015 herinnerd en bij brief van 14 juli 2015 aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2013. [Belanghebbende] heeft de aangifte niet ingediend.“

2.2.

Het Hof neemt de feitenvaststelling van de Rechtbank over en vult deze als volgt aan:

2.3.

Belanghebbende heeft in 2011 enige maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht.

2.4.

Inzake de werkzaamheden van belanghebbende bij zijn (gelieerde) vennootschap(pen) na deze periode heeft zijn psycholoog [L] een verklaring opgesteld, gedateerd 22 april 2016, waarin voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“Ondanks de problemen probeert de heer [X] zijn zaak draaiende te houden. De zaak heeft ernstige imagoschade opgelopen. Zijn hele leven was zijn werk de inhoud van zijn bestaan. De heer [X] kan dus niet anders dan zich weer volledig inzetten voor zijn werk. Hij heeft nooit andere bezigheden ontwikkelt.”

2.5.

Op 4 september 2018 heeft belanghebbendes psycholoog [L] opnieuw een verklaring opgesteld. Deze houdt voor zover van belang het volgende in:

“Na de periode dat hij in hechtenis is geweest, is hij alleen op therapeutische basis aanwezig op zijn bedrijf. De heer [X] heeft zijn hele leven doorgebracht op de zaak. Hij ging nooit op vakantie en was al vroeg in de morgen aanwezig. Voor zijn stabiliteit is het belangrijk dat hij dit ritme enigszins probeert vast te houden. Er is echter geen sprake van een volledig dienstverband. Hij werkt op therapeutische basis, wat in de praktijk betekent dat de heer [X] op dit moment voor zijn eigen werk volledig arbeidsongeschikt is en alleen in staat is eenvoudige taken te verrichten.

(…)

Hij brengt tijd op de zaak door, die niet altijd productief is. Door zijn fysieke en psychische beperkingen, is de heer [X] gedeeltelijk arbeidsongeschikt omdat de WIA volledige arbeidsongeschiktheid voor het arbeidsproces niet erkent. Er is altijd nog een restcapaciteit aanwezig om ander werk te kunnen verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen.”

2.6.

Belanghebbende is gehuwd met [F] .

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“11. [De Inspecteur] heeft gesteld dat [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan zodat de bewijslast moet worden omgekeerd.

12. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaalt - voor zover van belang - dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).

13. Vaststaat dat [de Inspecteur] [belanghebbende] heeft uitgenodigd aangifte te doen, hem hieraan heeft herinnerd en nadien daartoe heeft aangemaand. Voorts staat vast dat [belanghebbende] geen aangifte heeft ingediend.

14. Nu [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan, moet de onderhavige aanslag op grond van artikel 27e van de AWR door de rechtbank voor juist worden gehouden, tenzij [belanghebbende] doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent dat op [belanghebbende] de bewijslast rust om overtuigend de onjuistheid van de aanslag aan te tonen.

15. [ Belanghebbende] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het jaar 2013 in het geheel niet voor de onder 1 genoemde vennootschappen werkzaam is geweest zodat ten onrechte een gebruikelijk loon in aanmerking is genomen. Als gevolg van psychische klachten was [belanghebbende] niet in staat om werkzaamheden te verrichten; [belanghebbende]s werkzaamheden zijn door zijn zoon overgenomen. [Belanghebbende] heeft ter onderbouwing van zijn stelling een verklaring van zijn behandelend psycholoog en een verklaring van zijn zoon overgelegd.

16. De rechtbank is echter van oordeel dat daarmee niet is komen vast te staan dat [belanghebbende] in het geheel geen werkzaamheden voor de vennootschappen heeft verricht. Daartoe overweegt de rechtbank dat [belanghebbende] desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij, nadat hij in voorlopige hechtenis had gezeten, wel weer naar zijn kantoor is gegaan en verschillende activiteiten heeft ondernomen om zo ‘te redden wat er nog te redden viel’. In dat kader heeft [belanghebbende] onder meer getracht de banden met de klanten van de vennootschappen weer aan te halen. Dat dit niet tot daadwerkelijke omzet heeft geleid laat onverlet dat [belanghebbende] wel werkzaamheden voor de vennootschappen heeft verricht. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat [belanghebbende] in 2013 wel werkzaamheden voor de vennootschappen heeft verricht zodat [de Inspecteur] terecht een gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dan ook niet doen blijken dat de aanslag onjuist is.

17. De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat [de Inspecteur] evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank berust de door [de Inspecteur] opgelegde aanslag echter op een redelijke schatting. [De Inspecteur] is bij de vaststelling van het gebruikelijk loon uitgegaan van het in artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (wettekst 2013) vermelde bedrag. Daarin wordt ten aanzien van een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft het van die vennootschap genoten loon gesteld op ten minste € 43.000. [De Inspecteur] heeft vervolgens de door [belanghebbende] ontvangen pensioenuitkeringen hierop in mindering gebracht en het gebruikelijk loon vastgesteld op € 31.978 (€ 43.000 -/- € 11.022 pensioeninkomsten). Daarmee heeft [de Inspecteur] de aanslag in zoverre gebaseerd op een redelijke schatting.

18. Ook met betrekking tot de vastgestelde pensioeninkomsten, de inkomsten uit eigen woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke schatting nu [de Inspecteur] bij de vaststelling daarvan is uitgegaan van informatie afkomstig uit hem ter beschikking staande renseignementen alsmede van door [belanghebbende] zelf verstrekte informatie. [Belanghebbende] voert aan dat bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen rekening moet worden gehouden met het conservatoir beslag dat het Openbaar Ministerie op (een deel van) het vermogen heeft gelegd. Voor zover het vermogen onder beslag ligt, behoort dit niet tot het vermogen dan wel is sprake is van een schuld zodat het belastbaar inkomen op nihil dient te worden gesteld, aldus [belanghebbende]. Dit standpunt vindt echter geen steun in het recht. Indien op een zaak conservatoir beslag is gelegd ter verzekering van de rechten uit een schuldvordering, beïnvloedt dit de waarde in het economisch verkeer van die zaak immers niet. Evenmin kan het beslag in aanmerking worden genomen als een schuld (zie Hoge Raad 14 november ECLI:NL:HR:2008:BG4235). Dat [belanghebbende], zoals zij heeft gesteld, de beëindiging van het beslag niet in eigen hand had, maakt niet dat dit arrest in het onderhavige geval toepassing mist. [Belanghebbende] heeft voorts aangevoerd dat bij de vaststelling van het inkomen rekening moet worden gehouden met het feit dat het vermogen tot een bedrag van € 1.000.000 verbeurdverklaard is. Dit bedrag dient als schuld in box 3 in aanmerking te worden genomen, aldus [belanghebbende]. De rechtbank overweegt echter dat deze verbeurdverklaring heeft eerst op 4 december 2017 heeft plaatsgevonden terwijl voor de vaststelling van de aanslag over het onderhavige jaar de waarde van het vermogen op 1 januari 2013 bepalend is. Op die datum was echter nog geen sprake van een verplichting die als een schuld in box 3 in aanmerking kan worden genomen. Dat, zoals [belanghebbende] stelt, deze schuld is ontstaan doordat in het jaar 2013 criminele winsten zijn gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit heeft immers niet tot gevolg dat ook reeds op 1 januari 2013 een schuld bestond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de aanslag terecht en, zo ja, naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of:

1. de aanslag moet worden vernietigd wegens een onjuiste tenaamstelling;

2. een gebruikelijk loon van € 31.978 in aanmerking moet worden genomen; en of

3. bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen rekening moet worden gehouden met het feit dat a) op (een deel van) het vermogen van belanghebbende conservatoir beslag is gelegd en dat b) de daaruit voortvloeiende vordering verbeurdverklaring voor een bedrag van € 1.000.000 is toegewezen.

De boetebeschikking is niet langer in geschil.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.500 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

5.1.1.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat de tenaamstelling van de aanslag onjuist is nu de meisjesnaam van de echtgenote van belanghebbende ( [M] ) aan de achternaam van belanghebbende is toegevoegd. Op grond hiervan is naar de mening van belanghebbende niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dient de aanslag te worden vernietigd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stelling van belanghebbende een nieuw standpunt bevat waarop hij onvoldoende kan reageren omdat daarvoor nader feitelijk onderzoek nodig is, zodat die stelling als zijnde tardief buiten beschouwing moet blijven.

5.1.2.

Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting adequaat op die stelling gereageerd. Dit brengt mee dat de Inspecteur geenszins in zijn procespositie is geschaad, zodat er geen reden is om die stelling buiten beschouwing te laten.

Ten aanzien van het geschil

Tenaamstelling aanslag

5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voldoet een aanslagbiljet niet aan de vereisten voor het ontstaan van een betalingsverplichting indien de op het biljet vermelde gegevens redelijkerwijs twijfel kunnen oproepen of het aanslagbiljet is bestemd voor degene ten name van wie de aanslag is gesteld (zie o.m. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975, BNB 2011/28). Tussen partijen is niet in geschil dat de op het aanslagbiljet vermelde voorletters, het burgerservicenummer en de elementen van de aanslag betrekking hebben op belanghebbende. Verder heeft belanghebbende desgevraagd ter zitting verklaard dat het feit dat de meisjesnaam van zijn echtgenote is toegevoegd aan zijn naam bij hem geen twijfel heeft doen ontstaan dat de aanslag voor hem was bestemd. Gelet op dit een en ander kan niet worden geoordeeld dat het aanslagbiljet niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Omkering en verzwaring bewijslast

5.3.

Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen binnen een door de inspecteur gestelde termijn (artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 9, eerste lid, AWR).

5.4.

Vast staat dat de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2013, daartoe heeft herinnerd en aangemaand. Nu ook vaststaat dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat het niet doen van aangifte hem niet kan worden aangerekend, moet worden geoordeeld dat niet de vereiste aangifte is gedaan. Deze omstandigheid leidt op grond van artikel 27e, eerste lid, en artikel 27h, tweede lid, van de AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast (HR 9 oktober 2015, nr. 14/03968, ECLI:NL:HR:2015:2988, BNB 2016/5 en HR 2 maart 2007, nr. 42311, ECLI:NL:HR:2007:AZ9676, BNB 2007/191). Dit betekent dat op belanghebbende de last rust om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de opgelegde aanslag onjuist is.

Redelijkheid schatting

5.5.

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laten onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, BNB 2006/134). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181).

5.6.

De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende als (middellijk) aanmerkelijk belanghouder van de onder 2.1 sub 1 vermelde vennootschappen in het onderhavige jaar werkzaamheden voor die vennootschappen heeft verricht, zodat ingevolge artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen. De Inspecteur heeft deze stelling met de volgende feiten onderbouwd: (1) belanghebbende is 100% aandeelhouder en directeur van [G] B.V., (2) belanghebbende is middellijk 100% aandeelhouder van [I] B.V. en [J] B.V., (3) uit de jaarrekening 2013 van [I] B.V. blijkt dat een omzet is behaald van € 618.774, en (4) uit de jaarrekening 2013 van [J] B.V. blijkt dat een omzet is behaald van € 93.210. Hij heeft de hoogte van het gebruikelijk loon gesteld op € 31.978, zijnde het in artikel 12a Wet LB (tekst 2013) bepaalde bedrag van € 43.000 minus € 11.022 pensioen. De overige elementen van de aanslag voor zover in geschil (het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) heeft de Inspecteur gebaseerd op hem ter beschikking staande renseignementen en hem door belanghebbende verschafte informatie. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat de aanslag berust op een redelijke schatting.

Tegenbewijs

Belastbaar inkomen uit werk en woning, gebruikelijk loon

5.7.1.

Belanghebbende stelt dat de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt nu hij in het onderhavige jaar in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht voor de vennootschappen. Belanghebbende wijst er daarbij op dat hij wegens persoonlijke omstandigheden, die een uitvloeisel zijn van zijn voorlopige hechtenis gedurende zes maanden in 2011, in het onderhavige jaar slechts op therapeutische basis op kantoor aanwezig is geweest. Van het verrichten van arbeid in de zin van artikel 12a van de Wet LB is naar zijn mening dan ook geen sprake geweest. Belanghebbende wijst daartoe op de verklaringen van zijn psycholoog waaruit, naar hij stelt, blijkt dat belanghebbende weliswaar na zijn detentie nog op kantoor kwam, maar dat zijn aanwezigheid enkel op therapeutische basis plaats vond. De verklaringen van belanghebbende over zijn aanwezigheid bij klantgesprekken doen hier volgens belanghebbende niet aan af, nu deze aanwezigheid een therapeutische insteek had. De daadwerkelijke werkzaamheden zijn volgens belanghebbende sinds zijn detentie door zijn zoon overgenomen nu belanghebbende niet meer in staat was werkzaamheden te verrichten. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling een verklaring van zijn zoon ingebracht. Ter zitting heeft de zoon van belanghebbende verklaard dat belanghebbende na zijn detentie niet meer de oude was.

5.7.2.

Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld, verklaard en als bewijs heeft overgelegd heeft hij naar het oordeel van het Hof niet overtuigend aangetoond dat hij geen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de vennootschappen. Zo is zijn stelling dat hij alleen op therapeutische basis op de zaak aanwezig was niet te rijmen met zijn (in zijn hogerberoepschrift bevestigde) verklaring ter zitting van de Rechtbank, inhoudende dat hij naar kantoor ging om te redden wat er nog te redden viel. Deze laatste verklaring duidt er immers op dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht voor de vennootschappen. Dat hiervan ook daadwerkelijk sprake is geweest wordt ondersteund door belanghebbendes (in zijn hogerberoepschrift bevestigde) verklaring ter zitting van de Rechtbank dat hij ook klanten heeft gesproken, de verklaring van de psycholoog van 15 april 2016 inhoudende dat belanghebbende ondanks de problemen probeert zijn zaak draaiende te houden en dat belanghebbende niet anders kan dan zich weer volledig in te zetten voor zijn werk en de verklaring van zijn psycholoog van 4 september 2018 inhoudende dat belanghebbende tijd doorbrengt op de zaak die niet altijd productief is. De enkele - blote - verklaring van de zoon van belanghebbende dat sinds de voorlopige hechtenis van belanghebbende alle werkzaamheden door hem zijn uitgevoerd, maakt dit oordeel niet anders.

5.7.3.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat het in aanmerking genomen gebruikelijk loon te hoog is omdat hij slechts geringe werkzaamheden voor de vennootschappen heeft verricht, is die stelling onvoldoende onderbouwd en voldoet hij niet aan zijn stelplicht.

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Conservatoir beslag

5.8.1.

Bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is de Inspecteur uitgegaan van een saldo aan bank- en spaartegoeden van € 23.881. Niet in geschil is de hoogte van deze tegoeden, alsmede de omstandigheid dat deze saldi een gezamenlijk box 3-vermogensbestanddeel vormen. Belanghebbende stelt dat het op zijn naam staande banktegoed gelegde conservatoire beslag tot gevolg heeft dat de waarde van de gemeenschappelijke rendementsgrondslag op de peildatum 1 januari 2013 dient te worden verminderd met een dienovereenkomstig bedrag omdat vermogen dat onder beslag ligt niet tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen behoort, dan wel dat een dienovereenkomstig bedrag in de gemeenschappelijke rendementsgrondslag als schuld in aanmerking dient te worden genomen. De Inspecteur weerspreekt dit.

5.8.2.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt nu de omstandigheid dat op een banktegoed conservatoir beslag is gelegd geen waardeverminderende factor vormt en evenmin in aanmerking kan worden genomen als een schuld (HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4235, BNB 2009/5). De omstandigheid dat belanghebbende, anders dan in het voornoemde geval, het niet in zijn macht had het beslag te laten opheffen doet daar, gelet op het als rechtsoordeel gegeven oordeel van de Hoge Raad, niet aan af.

Verbeurdverklaring

5.9.

Belanghebbende stelt dat de verbeurdverklaring in december 2017 invloed heeft op de waarde in het economische verkeer van de in de gemeenschappelijke rendementsgrondslag begrepen (op naam van belanghebbende staande) banktegoeden op de peildatum. De klacht faalt aangezien belanghebbende heeft nagelaten te stellen, en bij betwisting overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre op de peildatum (1 januari 2013) de kans bestond dat de beslagen tegoeden verbeurd verklaard zouden worden en welke invloed dat heeft op de waarde in het economische verkeer van de tegoeden op de peildatum.

Slotsom

5.10.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding de Inspecteur te gelasten belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, E.M. Vrouwenvelder en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 5 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.