Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:300

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
22-005015-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft het slachtoffer op zeer agressieve wijze mishandeld met forse zwelling van de ogen en kneuzingen aan het gezicht en een gebroken neus van aangever als gevolg.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005015-17

Parketnummer: 09-819437-16

Datum uitspraak: 23 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 november 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 9 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tevens is opheffing bevolen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus/ heeft toegebracht door

- die [aangever] op de grond te duwen en/of op die [aangever] te gaan zitten en/of die [aangever] meermalen met kracht in het gezicht te stompen en/of te slaan en/of

- die [aangever] met kracht in het gezicht en/of het bovenlichaam te schoppen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] op de grond heeft geduwd en/of op die [aangever] is gaan zitten en/of die [aangever] meermalen met kracht in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of die [aangever] in het gezicht en/of tegen het bovenlichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever]) tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen en/of tegen het hoofd en/of het bovenlichaam heeft geschopt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof – met de advocaat-generaal en de raadsman – is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd.

Het door de aangever opgelopen letsel kan naar het oordeel van het hof niet als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd worden, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] op de grond heeft geduwd en/of op die [aangever] is gaan zitten en/of die [aangever] meermalen met kracht in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of die [aangever] in het gezicht en/of tegen het bovenlichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Beroep op noodweer(exces)

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer en noodweerexces toekomt. Volgens de verdediging zou niet de verdachte de agressor zijn geweest, maar juist de aangever. Het schoppen door de verdachte is het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding door de aangever, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen gaat het hof bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende gang van zaken.

Op 30 oktober 2016 liep verdachte met zijn hond op een voetpad bij de Erasmusweg in Den Haag. Op enig moment naderde hij een bankje waarop een vrouw zat met een kinderwagen. Tegenover haar bevond zich een man, waarvan later is gebleken dat dit aangever [aangever] was. Het pad was smal. Bij het passeren raakten aangever en verdachte elkaar bij de schouder. Verdachte liep enkele stappen door, maar is toen naar aangever teruggegaan en heeft aangevers petje van diens hoofd afgetrokken en in het water gegooid. De aangever begon daarop te schelden.

De verdachte heeft de aangever beetgepakt en er is een worsteling tussen beiden ontstaan, waarbij de vinger van verdachte in de mond van aangever terechtkwam.

De aangever heeft op de vinger van de verdachte gebeten, ook nadat zij op de grond waren terechtgekomen en de verdachte op de aangever was gaan zitten. De verdachte heeft aangever vervolgens een aantal vuistslagen in het gezicht gegeven totdat de aangever zijn vinger losliet. De aangever kroop daarna weg. De verdachte is opgestaan en heeft de aangever toen een trap tegen zijn schouder gegeven, waardoor de aangever in het water terecht is gekomen.

Met de rechtbank is het hof op grond van genoemde gang van zaken van oordeel dat het de verdachte was die, toen hij het slachtoffer reeds was gepasseerd, als eerste de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Door het petje van de aangever af te pakken en in het water te gooien, en door de aangever vervolgens (nadat deze was begonnen met schelden) vast te pakken, heeft de verdachte de aangever geprovoceerd en heeft hij daarmee de reactie van de aangever – het bijten op de vinger van de verdachte – uitgelokt. Gelet op deze bijzondere omstandigheden komt aan de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toe.

Het hof gaat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder de door de getuige [getuige] op 2 november 2016 bij de politie afgelegde verklaring - voorbij aan de stelling van de verdediging dat van meet af aan de aangever (en niet de verdachte) de agressor is geweest.

Nu naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces evenmin.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Het bewezen verklaarde is strafbaar en de verdachte is strafbaar ter zake daarvan.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft het slachtoffer op zeer agressieve wijze mishandeld met forse zwelling van de ogen en kneuzingen aan het gezicht en een gebroken neus van aangever als gevolg. De in het dossier aanwezige foto’s laten zien hoezeer het slachtoffer was toegetakeld. De aanleiding voor de verdachte tot het plegen van dit feit was gelegen in het feit dat naar zijn overtuiging het slachtoffer onvoldoende opzij was gegaan om hem tijdens zijn wandeling te laten passeren, waardoor zij elkaar hadden geraakt en waarop de aangever in zijn richting was gaan schelden. Wat hier ook van zij, verdachte heeft vervolgens op een afkeuringswaardige manier gereageerd en heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook voor omstanders was dit een angstige ervaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf komt qua duur overeen met de reeds door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.741,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 828,- (waarvan € 578,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 278,- materiële schade is geleden. Dan gaat het om de gevorderde schadevergoeding ter zake van de spijkerbroek (€ 170,-) en de misgelopen inkomsten (€ 108,-). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De overige gevorderde materiële schade – voor zover in hoger beroep aan de orde – is onvoldoende onderbouwd, zodat deze zal worden afgewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

In totaal zal dus een bedrag van € 528,- worden toegewezen, te vermeerderen met genoemde wettelijke rente.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 528,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 528,00 (vijfhonderdachtentwintig euro) bestaande uit € 278,00 (tweehonderdachtenzeventig euro) materiële schade en

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2016 tot aan de dag der voldoening.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 528,00 (vijfhonderdachtentwintig euro) bestaande uit

€ 278,00 (tweehonderdachtenzeventig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. T.E. van der Spoel,

mr. T.B. Trotman en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2019.