Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:298

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
22-001789-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan een tweetal mishandelingen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001789-18

Parketnummer: 10-027764-18

Datum uitspraak: 8 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 april 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1985,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 25 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Dordrecht zijn levensgezel en/of ex-partner, [aangeefster], heeft mishandeld door:

- meermalen, althans éénmaal op/tegen het hoofd te slaan en/of

- bij de haren vast te pakken en/of aan de haren te trekken en/of

- het hoofd naar voren te trekken en/of (vervolgens) (met de knie) tegen het oog, althans het gezicht te schoppen/trappen;

2:

hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Dordrecht [aangever] heeft mishandeld door bij de keel vast te pakken en/of (vervolgens) de keel dicht te knijpen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Dordrecht zijn levensgezel en/of ex-partner, [aangeefster], heeft mishandeld door:

- haar meermalen, althans éénmaal op/tegen het hoofd te slaan en/of

- haar bij de haren vast te pakken en/of aan de haar haren te trekken en/of

- het haar hoofd naar voren te trekken en/of (vervolgens) (met de knie) tegen het haar oog, althans het gezicht te stoten schoppen/trappen;

2:

hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Dordrecht [aangever] heeft mishandeld door hem bij de keel vast te pakken en/of (vervolgens) de keel dicht te knijpen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de door hem overgelegde pleitnota- op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft in dat verband meer in het bijzonder aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de aangeefster [aangeefster] het letsel zelf heeft veroorzaakt, gelet op haar verleden met automutilatie.

Het hof is op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat de door de verdachte gegeven alternatieve verklaring voor het letsel van aangeefster, namelijk dat zij zichzelf heeft verwond, volstrekt onaannemelijk is.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de avond van het voorval een stevige ruzie met de aangeefster heeft gehad, waarbij beiden over en weer naar elkaar hebben gespuugd. Vrijwel direct daarna, namelijk omstreeks 19.54 uur, heeft de aangeefster haar moeder via WhatsApp een bericht gestuurd waarin zij aangaf dat zij was mishandeld (p. 32). Voorts heeft de vader van de aangeefster te kennen gegeven dat zijn dochter zich nooit op deze wijze heeft geautomutileerd –zij verwondde zich aan haar handen-, alsmede dat zij voorafgaande en na afloop van een automutilatie totaal ander –en telkens identiek- gedrag vertoonde dan thans het geval is geweest (p. 26). Het letsel dat bij de aangeefster is geconstateerd, past derhalve niet in het patroon van eerdere automutilatie. Het letsel past wel bij de door de aangeefster omschreven geweldshandelingen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de door hem overgelegde pleitnota- voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde eveneens dient te worden vrijgesproken omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Ter onderbouwing van dit verweer is door de raadsman aangevoerd dat de aangever [aangever] de woning van de verdachte had betreden. De verdachte voelde zich daardoor bedreigd en heeft de aangever bij diens keel vastgepakt en weggeduwd omdat hij de woning niet wilde verlaten.

Het hof overweegt dienaangaande dat de stelling, inhoudende dat de aangever de woning van de verdachte had betreden, geen steun in de processtukken vindt. Uit de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige] blijkt dat de verdachte door de vriendin van de aangever werd aangesproken op de door hem veroorzaakte geluidsoverlast. De verdachte reageerde, aldus de getuige [getuige], “als door een wesp gestoken”, waarop de aangever tussen diens vriendin -staande bij de deur aan de tuinkant van de woning van de verdachte- en de verdachte -staande in de deuropening van zijn woning- ging staan. De aangever heeft verklaard dat hij hoorde dat de verdachte een agressieve houding naar zijn vriendin aannam nadat zij hem had gevraagd of de muziek wat zachter kon. Hij is toen naar zijn vriendin gelopen -naar de achterdeur van de woning van de verdachte-, is bij de deuropening gaan staan en heeft tegen de verdachte gezegd dat zij niet kwamen om problemen te maken, maar alleen om te vragen of de muziek zachter kon. Noch uit de

verklaring van de aangever, noch uit de verklaring van genoemde getuige blijkt dat de aangever de woning van de verdachte op enig moment heeft betreden, terwijl dit ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Aangezien ook overigens niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, van de zijde van de aangever jegens de verdachte, heeft de verdachte wederrechtelijk gehandeld door de aangever bij diens keel vast te pakken en treft het verweer mitsdien geen doel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan een tweetal mishandelingen. Door aldus te handelen, heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het relatief lang geleden, onder meer voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 2.617,22, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 523,41, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft, zoals overwogen, gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en daarmede geconcludeerd tot toewijzing van de –thans voorliggende- vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 23,41 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat ook deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich -naar maatstaven van billijkheid- voor toewijzing tot het bedrag van € 500,-.

De vordering zal derhalve tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van in totaal € 523,41 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 523,41, vermeerderd met de wettelijke rente als voormeld, aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 523,41 (vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag met rente tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 523,41 (vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenveertig cent),

vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere betalingsverplichting vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2019.