Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:297

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
22-001966-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een groot aantal valse rijbewijzen voorhanden gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001966-18

Parketnummer: 09-807983-15

Datum uitspraak: 23 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1977,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 9 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis. Voorts is opheffing bevolen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 april 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [x] heeft weggenomen

- een laptop (merk Asus) en/of

- een tablet (merk Samsung) en/of

- een ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van de huissleutel(s) van [aangever] zonder dat die [aangever] hiervoor toestemming had gegeven;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 april 2015 tot en met 22 september 2015 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een laptop/tablet (asus) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop/tablet wist althans, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 22 september 2015 te Rotterdam en/of te 's-Gravenhage een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een grote hoeveelheid (circa 1000 stuks) rijbewijzen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, althans voornoemde rijbewijzen voorhanden heeft gehad terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze vals of vervalst zijn.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof is, overeenkomstig het standpunt van de verdediging en van de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is het hof van oordeel, overeenkomstig hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, dat er te veel twijfel is blijven bestaan omtrent de betrouwbaarheid van de aangifte, zodat deze niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Daarnaast kan de door de verdachte op 19 mei 2016 bij de politie afgelegde verklaring naar het oordeel van het hof niet als bekennende verklaring worden gezien. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 22 september 2015 te Rotterdam en/of te 's-Gravenhage een reisdocument en/of identiteitsbewijzen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een grote hoeveelheid (circa 1000 stuks) rijbewijzen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, althans voornoemde rijbewijzen voorhanden heeft gehad terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze vals of vervalst zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een groot aantal valse rijbewijzen voorhanden gehad. De verdachte heeft door het begaan van dit feit het vertrouwen geschaad dat in deze maatschappij in dergelijke identiteitsbewijzen gesteld moet kunnen worden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten.

Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het aanvangen van de te beoordelen termijn en het eindvonnis. Er is immers op 3 mei 2018 eindvonnis gewezen terwijl de verdachte op 22 september 2015 in verzekering was gesteld. De redelijke termijn is daarmee overschreden, gelet echter op de aard en modaliteit van de op te leggen straffen enerzijds en de voortvarendheid van de behandeling van de zaak in hoger beroep anderzijds, wordt volstaan met deze constatering.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. T.E. van der Spoel,

mr. T.B. Trotman en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2019.