Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2919

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
22-002121-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling en poging zware mishandeling. Ontslag van alle rechtsvervolging en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van een jaar (art. 37 Sr). Aanhoudingsverzoek vanwege mogelijke overgangsrechtelijke perikelen afgewezen omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Het hof is van oordeel dat art. 15:1 aanhef en onder sub f van de – per 1 januari 2020 in werking tredende - Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) zo moet worden geïnterpreteerd dat in alle gevallen waarin vóór 1 januari 2020 door de rechter de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd en waarvan de termijn van een jaar op de genoemde datum nog niet is verstreken, artikel 37 Sr een rechtsgeldige titel voor de opname in de accommodatie blijft, dus ook in het geval dat de uitspraak waarbij de plaatsing is gelast op 1 januari 2020 nog niet onherroepelijk is geworden.

Voorts beslissing over beslag ex art. 36 d Sr en afwijzing van de vordering tot oplegging van maatregelen als bedoeld in art. 38v Sr omdat geen sprake is van een veroordeling in de zin van die bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002121-19

Parketnummer: 09-852150-18

Datum uitspraak: 4 november 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 mei 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

adres: [adres],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Den Haag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

21 oktober 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is door de rechtbank aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opgelegd. Verder is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en het beslag beslist zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] bij de keel heeft gepakt en/of in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of haar keel(enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar bij de keel heeft vast gepakt en/of haar keel heeft dichtgeknepen en/of haar keel (enige tijd) dicht geknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden [slachtoffer] heeft mishandeld door haar bij de keel te pakken en/of haar keel dicht te knijpen en/of haar keel (enige tijd) dichtgeknepen te houden.

2.


hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) aan de haren te trekken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, met plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Voorts heeft zij gevorderd dat aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zullen worden opgelegd, inhoudende – kort

gezegd – een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor het [postcodegebied], en dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

Overgangsrecht en een verzoek tot aanhouding in verband daarmee.

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal een verzoek gedaan tot aanhouding van de zaak in verband met de eventuele onmogelijkheid van de tenuitvoerlegging van deze maatregel gelet op de aanstaande in werking treding van de Wet forensische zorg. De advocaat-generaal wil daarom nadere rapportage laten plaatsvinden door de deskundigen over alternatieven, te weten de mogelijkheid van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de mogelijkheid van het alsnog verkrijgen van een rechtelijke machtiging als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ).

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Bij de wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg, hierna ook Wfz, Staatsblad 2018, 38, datum inwerkingtreding – voor zover hier van belang - 1 januari 2020) is onder meer bepaald dat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 Wetboek van Strafrecht komt te vervallen en dat in plaats daarvan de strafrechter een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijke gehandicapte cliënten (Wzd) af kan geven, als bedoeld in artikel 2.3 Wet forensische zorg.

In het kader van deze zaak kan de nieuwe regeling ten aanzien van de zorgmachtiging van belang zijn. Een op grond van de Wvggz door de rechter afgegeven zorgmachtiging strekt tot opname in een accommodatie.

Een zorgmachtiging is een civiele maatregel en – in tegenstelling tot de maatregel ex art. 37 Sr – dadelijk uitvoerbaar en kan voor de maximale duur van 6 maanden worden afgegeven.

Het overgangsrecht is – wederom voor zover hier van belang – bepaald in art. 15:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)1.

Artikel 15:1 aanhef en onder f van de Wvggz luidt:

“De wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen blijft van toepassing op de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter gelaste plaatsingen op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarvan de geldigheidsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken. Artikel 14:4, onderdeel E, onder a, van deze wet2 heeft geen gevolgen voor deze plaatsingen. Artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing.”

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat art. 37 Sr alleen een rechtsgeldige titel voor de opname in de accommodatie blijft indien de plaatsing vóór 1 januari 2020 is geëffectueerd. Het overgangsrecht voorziet wel in een regeling voor die gevallen waarin voor 1 januari 2020 de tenuitvoerlegging van de maatregel van artikel 37 Wetboek van Strafrecht is aangevangen, maar niet voor die gevallen waarin de tenuitvoerlegging op 1 januari 2020 nog geen aanvang heeft genomen, waaronder deze zaak in het geval de verdediging cassatie beroep zal instellen. In dat kader heeft zij ook om aanhouding van de zaak gevraagd.

Het hof stelt voorop dat bij het opleggen van een eventuele maatregel als bedoeld in artikel 37 Wetboek van Strafrecht niet mag worden vooruitgelopen op het eventueel instellen van cassatieberoep.

Voorts is naar het oordeel van het hof de noodzaak voor het aanhouden van de zaak teneinde nadere rapportage laten plaatsvinden door de deskundigen over alternatieven, te weten de mogelijkheid van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de mogelijkheid van het alsnog verkrijgen van een rechtelijke machtiging als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ)dan wel een zorgmachtiging krachtens de aankomende Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), niet gebleken.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in haar standpunt ten aanzien van de interpretatie van het overgangsrecht. De relevante overgangsrechtelijke bepaling (art. 15:1 sub f van de Wvggz) ziet op de vóór 1 januari 2020 door de rechter gelaste plaatsingen op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarvan de geldigheidsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken. Het hof leest die bepaling zo dat daar zowel de onherroepelijke als de nog niet onherroepelijke uitspraken onder vallen waarin de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis is gelast ex artikel 37 Sr.

Ten aanzien van beide categorieën geldt dan dat het huidige regime van artikel 37 Sr van toepassing blijft.

Uit de wetgeschiedenis volgt ook dat de wetgever met de overgangsrechtelijke bepaling onder artikel 15:1 van de Wvggz er naar heeft gestreefd dat reeds aangevangen procedures kunnen worden afgehandeld onder eenzelfde wettelijke regime.3

Mede gezien tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat art. 15:1 sub f van de Wvggz zo dient te worden geïnterpreteerd dat zich niet de door de advocaat-generaal gevreesde situatie zal voordoen, te weten dat er een door de wetswijziging niet executeerbare beslissing van het hof voorligt.

Immers, ofwel de gelaste plaatsing ex artikel 37 Sr is in deze zaak vóór 1 januari 2020 ook daadwerkelijk gerealiseerd, ofwel de veroordeelde verblijft op die datum dan nog als passant tijdelijk in het PPC in afwachting van een daadwerkelijke plaatsing in een kliniek ex artikel 37 Sr, dan wel – voor zover op genoemde datum nog geen sprake is van een onherroepelijk arrest – verblijft de verdachte als voorlopig gehechte in het PPC.

In geen van de genoemde gevallen is bij inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2020 al de geldigheidsduur (te weten: 1 jaar) van de plaatsing ex artikel 37 Sr verstreken.

Naar het oordeel van het hof voorziet het overgangsrecht aldus in een regeling voor alle hierboven geschetste situaties.

Op grond van het voorgaande wijst het hof het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal dan ook af.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en verklaard dat zij op 9 september 2018 achter de bar aan het werk was in het café [café] te Leiden. Zij zag op een gegeven moment dat de verdachte het café binnen liep en dat hij rechtstreeks naar haar toe liep. Zij zag dat hij met zijn rechterhand haar keel beetpakte en voelde dat hij haar keel dichtkneep. Zij voelde dat de verdachte kracht zette met zijn hand. Zij snakte naar adem en voelde zich steeds lichter in haar hoofd worden. Aangeefster voelde een scherpe stekende pijn in haar keel. Klanten van de bar sprongen tussenbeide, waardoor de verdachte zijn grip op haar keel verloor. De verdachte liet haar keel los en pakte haar gelijk bij haar haren. Op een gegeven moment voelde zij dat de verdachte haar haren los liet en zag dat de verdachte door vijf mannen onder controle werd gehouden.

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring van de aangeefster ten aanzien van de geweldshandelingen voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt, nu deze in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte en de verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B].

De verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad op het moment van het ten laste gelegde achter de bar bij [slachtoffer] is geweest. [getuige A] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] bij de nek greep, haar vervolgens tegen de koelkast duwde en dat ze na ongeveer een minuut werd losgelaten. [getuige B] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] stevig vastpakte en dat hij haar haren ongeveer één tot twee minuten stevig vast had. Voorts heeft een kort na het gebeurde ter plaatse gekomen verbalisant gezien dat [slachtoffer] een rode verkleuring in haar nek had.

Het hof acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] bij haar keel heeft gepakt, haar keel heeft dichtgeknepen en haar keel enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden. Een andere oorzaak voor de rode verkleuring in de nek van aangeefster, bijvoorbeeld zenuwvlekken zoals geopperd door de verdediging, is niet aannemelijk geworden.

Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte bij zijn bewezen verklaarde handelen gericht is geweest op de dood van aangeefster dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet overtuigend naar voren gekomen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer]. Uit de door aangeefster beschreven gevolgen van het geweldsincident kan het hof niet afleiden dat er sprake is geweest van een zodanige kracht, duur en(/of) intensiteit van het dichtknijpen van de keel dat daaruit reeds kan worden afgeleid dat als de verdachte in de uitvoering niet was gestoord doordat door de klanten van de bar aangeefster te hulp waren geschoten, de aanmerkelijke kans zou hebben bestaan dat het slachtoffer als gevolg van de dan aanhoudende geweldsinwerking zou zijn overleden.

De verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Anders dan door de raadsvrouw bepleit, is het hof van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, gelet op het navolgende.

Uit het feit dat aangeefster als gevolg van het dichtknijpen van de keel snakte naar adem en een scherpe stekende pijn in haar keel voelde, kan worden afgeleid dat, als de verdachte in de uitvoering niet was gestoord door de klanten van de bar, de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat het slachtoffer als gevolg van de dan aanhoudende geweldsinwerking zwaar lichamelijk letsel (in de vorm van hersenletsel als gevolg van zuurstoftekort) zou hebben opgelopen. Verdachtes gedraging, het gedurende enige tijd dichtknijpen van de keel, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van de aangeefster ook heeft aanvaard. Daarbij heeft het hof ook meegewogen dat uit de verklaringen van aangeefster en omstanders blijkt dat het de nodige moeite heeft gekost om de verdachte bij aangeefster weg te halen. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het hof hier geen sprake.

Op grond van bovenstaande acht het hof het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair


hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar bij de keel heeft vast gepakt en/of haar keel heeft dichtgeknepen en/of haar keel (enige tijd) dicht geknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.


hij op of omstreeks 09 september 2018 te Leiden [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) aan de haren te trekken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte overweegt het hof, grotendeels overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank, het volgende.

Rapporten

Om te bepalen in welke mate het bewezen verklaarde aan de verdachte toe te rekenen is, slaat het acht op de Pro Justitia rapportage d.d. 23 oktober 2018 opgemaakt door GZ-psycholoog A. van Gasselt en de Pro Justitia rapportage d.d. 8 april 2019 opgemaakt door psychiaters A. Banaei Kashani en B.G. Brusse. De psycholoog heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake lijkt te zijn van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een “andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis”. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde lijkt sprake te zijn geweest van eenzelfde beeld. Aangezien de verdachte het ten laste gelegde ontkent, kan de psycholoog geen uitspraak doen over de vraag of de feiten aan de verdachte toegerekend kunnen worden en over de kans op recidive.

De psychiaters hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een geestesstoornis, meest waarschijnlijk een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een (lichte) verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van alcohol.

Het is aannemelijk dat de verdachte psychotisch is geweest ten tijde van het ten laste gelegde en dat hij daarbij de grip op de realiteit kwijt was. Tevens was hij op dat moment onder invloed van alcohol. Door de combinatie van de psychotische decompensatie en de invloed van alcohol had de verdachte geen controle over zijn gedachten en gedrag en heeft hij gehandeld vanuit zijn paranoïde waan. Gezien zijn verstandelijke beperking kon van de verdachte niet verwacht worden dat hij inzicht had in de gevolgen van zijn alcohol gebruik op zijn gedrag. Op het moment van de ten laste gelegde feiten kon de verdachte daarom geen vrije gedragskeuzes maken omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn waan. Deze rapporteurs adviseren daarom het ten laste gelegde niet aan de verdachte toe te rekenen.

Oordeel hof

Nu de conclusies van de psychiaters worden gedragen door hun bevindingen en worden gesteund door de bevindingen van de psycholoog en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Het hof is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend wegens de ten tijde van het plegen van de feiten aanwezige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De verdachte is daarom ter zake van het onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan mishandeling van [slachtoffer], zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. De verdachte heeft hierdoor stevig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke feiten nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden, hetgeen in dit geval ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van

[slachtoffer].

Nu het bewezen verklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het opleggen van een maatregel passend en geboden is. De hiervoor genoemde psychiaters en psycholoog concluderen en adviseren voor wat betreft het opleggen van een straf of maatregel als volgt.

De psycholoog heeft opgemerkt dat de verdachte vanuit zorgnoodzaak, hoewel hij geen enkel ziektebesef noch motivatie voor enige vorm van hulpverlening heeft, wel degelijk baat zou kunnen hebben bij gespecialiseerde psychiatrische hulpverlening.

De psychiaters hebben geconcludeerd dat het noodzakelijk is dat de verdachte behandeld wordt voor zijn psychotische stoornis ter vermindering van het recidiverisico, te starten met een klinische opname, bij voorkeur binnen een instelling met kennis van behandeling en begeleiding van mensen met een (lichte) verstandelijke beperking. Gelet op het beloop en het gebrek aan ziektebesef en -inzicht bij de verdachte is een ambulante begeleiding niet afdoende. Voorts dient de intelligentie van de verdachte nader onderzocht te worden. Daarna kan, passend bij zijn niveau, psycho-educatie gegeven worden over de invloed van alcohol op het gedrag. Voor de verdachte is voor zijn functioneren en daarmee het

voorkomen van een nieuwe psychotische decompensatie voorts van belang dat hij een gestructureerd en voorspelbaar leven leidt. Hij dient in de toekomst geholpen te worden bij het terugkeren naar passend werk en het opbouwen van een steunend sociaal netwerk. Dit is

van belang om te voorkomen dat de verdachte door stressvolle levensomstandigheden, gegeven zijn psychische kwetsbaarheid en zijn waarschijnlijk geachte verstandelijke beperking opnieuw psychotisch decompenseert, hetgeen het recidiverisico opnieuw zou verhogen. De psychiaters adviseren plaatsing van de verdachte in een psychiatrische instelling in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van één jaar. De verwachting van de rapporteurs is dat het toestandsbeeld van de verdachte binnen een jaar zodanig kan stabiliseren dat zijn zorg kan worden

overgedragen aan de reguliere GGZ.

Gelet op het in voormelde rapportages vermelde ziektebeeld van de verdachte, in samenhang met de aard van de bewezen verklaarde feiten, het recidiverisico en het verhandelde ter terechtzitting en de omstandigheid dat de verdachte geen ziektebesef en —inzicht heeft, oordeelt het hof dat de verdachte een gevaar vormt voor anderen dan wel voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen.

De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstig en hangen sterk samen met zijn psychiatrische problematiek. Derhalve moet er rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf als het onderhavige zal begaan, indien voor deze problematiek geen afdoende oplossing wordt gevonden. Naar het oordeel van het hof is behandeling en begeleiding in een strikt kader noodzakelijk om herhaling te voorkomen. Dit dient de geschieden in een klinische setting voor langere tijd.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, te weten plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar, geboden is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat is voldaan aan de wettelijke eisen, te weten dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kunnen worden toegerekend en dat hij een gevaar is voor anderen. Bovendien zijn er actuele rapportages van gedragskundigen voorhanden.

Vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof geen vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v Sr opleggen, nu de wet die ruimte niet biedt. Artikel 38v Sr maakt oplegging van deze maatregel immers alleen mogelijk bij een veroordeling voor een strafbaar feit of waarbij met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel wordt opgelegd.4 Nu de verdachte door het hof ontoerekeningsvatbaar zal worden verklaard en dientengevolge zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging is van een veroordeling geen sprake en evenmin van toepassing van artikel 9a Sr (vgl. Hof Den Haag 29 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1600).

De door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland en Rotterdam (respectievelijk ECLI:NL:RBNHO:2019:985 en ECLI:NL:RBROT:2019:3176), waarin vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd terwijl de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd, brengen het hof niet tot een ander oordeel. In die uitspraken ontbreekt een specifieke motivering op dit punt maar is er klaarblijkelijk, doch ten onrechte, aangenomen dat in een geval als het onderhavige sprake is van een veroordeling als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht.

Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes, zoals dat is vermeld onder 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 subsidiair en 2 begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Het mes is door de politie bij de verdachte in zijn broekzak aangetroffen bij zijn aanhouding in het café.

Het gaat hier – gelet op het proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 9 september 2018 (PL1500-2018244456-8), p. 19 - om een blank wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie I onder 4 van de WWM.

Nu de verdachte wordt veroordeeld voor zowel een poging zware mishandeling als een mishandeling is het hof van oordeel dat het aan verdachte toebehorende mes voor (de voorbereiding van) soortgelijke gewelddadige feiten kan worden gebruikt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.955,48.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.955,48. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de op te leggen schadevergoedingsmaatregel met € 930,40 hoger te laten uitvallen dan het gevraagde bedrag van de vordering van de benadeelde partij.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de schadevergoedingsmaatregel met € 930,40 hoger dient uit te vallen dan het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte op onderdelen gemotiveerd betwist.

Anders dan betoogd door de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de opgevoerde ‘kosten behandeling psycholoog’ ad € 487,50 voldoende zijn onderbouwd en daarom dienen te worden toegewezen. Het hof merkt hierbij op dat de omstandigheid dat het slachtoffer niet op een wachtlijst heeft gestaan maar via een alternatieve route sneller hulp heeft gezocht eerder dient te worden beschouwd als schade beperkend nu van algemene bekendheid is dat het uitstel van behandeling voor psychische schade ertoe kan leiden dat die schade verergert en langduriger behandeling kan vergen.

Ten aanzien van de post ‘verlies van arbeidsvermogen’ is het hof – met de verdediging - van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gemiste werkuren op 10 september 2018 tot en met 14 september voldoende is onderbouwd en kan worden aangemerkt als schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde is toegebracht nu het incident kort voor sluitingstijd in de nacht van 8 op 9 september 2018 plaatsvond. Deze post zal daarom tot een bedrag van (33 uren x € 9,50) € 313,50 worden toegewezen.

Door de verdediging is betwist dat ten aanzien van de overige door de benadeelde partij opgevoerde gemiste werkuren sprake is van rechtstreekse schade. Naar het oordeel van het hof zou een nader onderzoek naar de causaliteit een aanhouding van de zaak betekenen hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overig gevorderde ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk is in de vordering. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor wat betreft de schadepost ‘gemiste fooien’ is het hof van oordeel dat, nu deze post wordt betwist en de hoogte van de schatting van 25% thans onvoldoende nader is onderbouwd, dit een aanhouding voor het doen van nader onderzoek naar de omvang van deze gestelde schade zou vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade en dat de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Ten aanzien van de post ‘reiskosten’ overweegt het hof dat deze kosten niet zijn aan te merken als materiële schade maar als proceskosten.

Concluderend heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof aangetoond dat tot een bedrag van € 801,-materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 1.750,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

In civiele procedures blijft in geval van een kostenveroordeling ten gunste van een met toevoeging procederende partij de toevoeging buiten beschouwing en plegen de kosten van rechtsbijstand te worden begroot aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. Het is vervolgens aan de advocaat van deze partij om deze proceskosten te innen (Kamerstukken II 2008/09, 31 758, nr. 6, p. 18-19). Op grond van art. 32, derde lid, Besluit vergoedingen rechtsbijstand brengt de Raad voor de Rechtsbijstand de proceskostenvergoeding in mindering op de aan de rechtsbijstandverlener toekomende toevoegingsvergoeding, behoudens het bepaalde in het vijfde lid (vgl. HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87).

Het hof zal de kosten voor rechtsbijstand ambtshalve vaststellen aan de hand van de Liquidatietarieven Kanton 2019 waaruit blijkt dat voor zaken met een geldswaarde tot en met € 3.750,- een vergoeding van € 210,- per punt geldt.

Het hof zal voor het opstellen en indienen van schriftelijke toelichting op de vordering 1 punt en voor het bijwonen van de zitting ook 1 punt rekenen. Voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep volgt derhalve een vergoeding van € 420,-.

In eerste aanleg is de benadeelde partij niet bijgestaan door een advocaat maar wel door Slachtofferhulp.

De reiskosten ad € 11,42 komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 431,42 en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 2.551,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat de verzochte verhoging van de schadevergoedingsmaatregel met een bedrag van € 930,40 onvoldoende is onderbouwd en wijst dat verzoek daarom af.

Het hof acht met de advocaat-generaal termen aanwezig om de vervangende hechtenis te beperken tot één dag.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Zakmes.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.551,- (tweeduizend vijfhonderdeenenvijftig euro) bestaande uit € 801,-(achthonderdeen euro) materiële schade en € 1.750,- (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 431,42 (vierhonderdeenendertig euro en tweeënveertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.551,- (tweeduizend vijfhonderdeenenvijftig euro) bestaande uit € 801,-(achthonderdeen euro) materiële schade en € 1.750,- (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 september 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. T.B. Trotman en mr. F.P. Geelhoed,

in bijzijn van de griffier mr. H. van den Hove.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 november 2019.

1 TK 2018-2019, 35 087, A: Wijziging van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de invoering van de Wzd-functionaris, p. 8. Zie ook de toelichting in de Nota van Wijziging, TK 2018-2019, 35 087, nr. 8, p. 9.

2 Artikel 14:4 Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet, houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg; Kamerstukken 32 398) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: E. Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd: a. Onderdeel E, komt te luiden: Artikel 37 vervalt.

3 TK 2016–2017, 32 399, nr. 39, p. 37/38.

4 Zie MvT, TK 2010-2011, 32 551, nr. 3, par. 5.1.3, p.11.