Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2860

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
200.221.202/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands auto. Franse diefstalregistratie. Non-conformiteit, wederzijdse dwaling? Opheffing nadeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.221.202/01

Zaaknummer rechtbank : 5308612 CV EXPL 16-4013

arrest van 5 november 2019

inzake

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.T.C. Bikker te Utrecht,

tegen

Vaartland.NL B.V.,

gevestigd te Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Vaartland,

advocaat: mr. R.C.J. Jacobs te Schijndel.

1 Inleiding

[appellant] heeft bij Vaartland een tweedehands Audi gekocht met één sleutel. Bij het bestellen van een tweede sleutel blijkt op het chassisnummer een (Franse) diefstalregistratie te staan. Als gevolg hiervan volgt een strafvorderlijk beslag op de auto, dat ook weer wordt opgeheven, waarna [appellant] de auto heeft teruggekregen. De vraag is of [appellant] als gevolg hiervan een vordering heeft op Vaartland, gebaseerd op (wederzijdse) dwaling of non-conformiteit.

2 De feiten

In het vonnis van de kantonrechter, waartegen [appellant] beroep heeft ingesteld, is geen afzonderlijke feitenvaststelling opgenomen. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[appellant] heeft bij Vaartland op 29 november 2014 een gebruikte Audi A1 gekocht (hierna: de Audi). De Audi had op dat moment een kilometerstand van bijna 118.000. De koopprijs was € 14.450 nog vermeerderd met € 595 aan “kosten rijklaar maken”. Op deze koopprijs heeft [appellant] vervolgens een korting bedongen van € 2.041.

2.2

De Audi is op 4 december 2014 aan [appellant] geleverd met één sleutel.

2.3

[appellant] heeft op 27 januari 2015 een e-mail gestuurd aan Vaartland, waarin hij aan de orde stelt dat het hem niet is gelukt om een tweede sleutel bij te bestellen. Deze mail luidt voor zover van belang als volgt:

Een tijdje geleden heb ik bij jou een Audi A1 met kenteken [kenteken] gekocht. Deze aanschaf was met 1 sleutel. Zoals afgesproken. Het zou geen probleem moeten zijn om een 2de sleutel bij te laten maken, zo werd mij vertelt. Echter blijkt dit helaas lastiger te zijn dan verwacht. Ik ben bij een Audi dealer geweest om een sleutel bij te laten maken. (Audi centrum Utrecht) Na een bestelling te hebben gedaan duurde het een paar weken voordat de sleutel er was. Echter kreeg ik te horen dat er een gestolen registratie op het voertuig staat. En kan de sleutel dus niet worden ingelezen. Heb jij enig idee hoe dit kan en hoe dit opgelost kan worden? Bij de Audi dealer zijn ze erg vaag in hun uitleg en zeggen ze dat ik contact op moet nemen met de politie of met Interpol. Heb jij hier enige ervaring mee? Bij de politie hebben ze geen idee waar ik het over heb en kunnen ze niks vinden. Interpol kan ik niet bereiken. Ook zou de auto volledig zonder enige mankementen zijn. Echter de blower van de voorruit doet het al sinds de aankoop niet.

2.4

Op 23 juli 2015 heeft een medewerker van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (hierna: het LIV) een e-mail gestuurd over de Audi, waaruit volgt dat deze in Frankrijk als gestolen geregistreerd staat. Deze e-mail luidt voor zover van belang:

“De Audi staat geregistreerd als gestolen in Frankrijk. Voor mij is niet te achterhalen of het signaal nog actueel is. Als advies kan ik u geven om dhr [appellant] door te geven dat hij zich moet melden bij de politie.”

2.5

[appellant] heeft op 28 september 2015 een e-mail gestuurd aan Vaartland waarin hij aan de orde stelt dat het nog steeds niet lukt om een tweede sleutel te bestellen omdat er een blokkade op het chassisnummer zit. Verder vraagt hij om een oplossing. Deze mail heeft, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“(…)

Zoals afgesproken hieronder de samenvatting van het complete verhaal rondom de aankoop van de Audi A1 DI ( [kenteken] ).(…)

Voor de betaling en overschrijving tijdens het inspectierondje om de auto gaf [naam 2] aan dat de Audi slechts met 1 sleutel geleverd zou worden. Volgens [naam 2] zou het geen enkel probleem zijn om een extra sleutel aan te vragen bij een officiële Audi dealer.(…)

Echter, ter plaatste bij Muntstad werd mij verteld dat het niet mogelijk was de sleutel in te lezen. Het computersysteem van Audi Nederland gaf aan dat er een blokkade op het chassisnummer zat.(…)

Aangezien ik erg tevreden ben over de auto heb ik nogmaals geprobeerd te achterhalen wat er aan de hand is met de blokkade. (…) Omdat de politie mij niet verder kon helpen, heb ik zelf het LIV gebeld voor uitleg. Tijdens dit gesprek gaven ze aan dat het voertuig vermoedelijk is gekloond maar konden niks met zekerheid zeggen. (…)

Om een lang verhaal kort te maken wil ik van jullie weten hoe we dit op gaan lossen. Mijn voorstel is dat ik aanstaande maandag 28-9-2015 rond half 5 langs rij met de Audi en dat vervolgens € 13.300,- teruggestort wordt op mijn rekening en de Audi overgeschreven wordt op naam van Autovaartland. Ik zal de Audi weer in dezelfde staat afleveren als waarin ik hem heb ontvangen. Mochten jullie hiermee niet akkoord gaan, dan zal ik mijn rechtsbijstand inschakelen om dit geschil op te lossen. (…)

2.6

Op 29 september 2015 is de Audi door de politie onder [appellant] strafrechtelijk in beslag genomen, waarbij [appellant] als bewaarder is aangemerkt.

2.7

In januari 2016 zijn diverse e-mails gewisseld tussen [appellant] en Vaartland. Bij e‑mail van 26 januari 2016 heeft Vaartland voor zover van belang het volgende aan [appellant] laten weten.

(…)

De Audi A1 heeft u bij Vaartland.nl aangekocht zonder enige vorm van garantie en zonder enige afspraak over levering van een 2e sleutel. Vaartland.nl was uitdrukkelijk niet bekend met de geregistreerde diefstalmelding in Frankrijk op de auto, waardoor bij de Audi-organisatie een blokkade op de auto zit voor het bestellen van nieuwe sleutels. Voor de goede orde: in Nederland is de auto nog immer niet geregistreerd met een diefstalmelding. Wel staat er een melding op het chassisnummer vanuit Frankrijk naar na levering aan u is gebleken.

Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 28 september 2015 heeft ondertekende voor het eerst vernomen van de situatie en heeft ondertekende het e.e.a. uitgezocht (…) Dit totdat onze werkplaats werd gebeld door de recherche en het e.e.a. ineens wel duidelijk was. Er stond een diefstalregistratie op het chassisnummer vanuit Frankrijk.

(…)

Mocht het Openbaar Ministerie goedkeuring c.a. toestemming geven om de auto over te schrijven is Vaartland.nl bereid de auto terug te kopen en/of in te ruilen op een andere auto. Echter, dient dan wel rekening gehouden te worden met de gebruikelijk afschrijving en gebruikersvergoeding. U gebruikt de auto immers uitvoering en heeft inmiddels de nodige kilometer gemaakt.

(…)

2.8

Op 29 februari 2016 is de Audi in het kader van het strafvorderlijk beslag alsnog door de politie meegenomen. Vaartland heeft [appellant] een plaatsvervangend vervoermiddel aangeboden. [appellant] heeft van dit aanbod gebruik gemaakt. Bij e-mail van 2 maart 2016 heeft Vaartland aan [appellant] laten weten dat Vaartland hem behulpzaam wil zijn bij het indien van een klaagschrift om het beslag opgeheven te krijgen. Vaartland heeft ook daadwerkelijk – mede ter veiligstelling van haar eigen belangen – een bezwaarschrift ingediend. [appellant] heeft op 22 maart 2016 de auto weer opgehaald bij de politie.

3 De procedure bij de kantonrechter

3.1

[appellant] vorderde bij de kantonrechter, na eiswijziging:

- een verklaring voor recht dat [appellant] de koopovereenkomst met Vaarland met betrekking tot de Audi A1 met recht buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans ontbonden,

- althans dat de kantonrechter deze koopovereenkomst alsnog vernietigt, althans ontbindt,

- veroordeling van Vaartland. tot betaling aan [appellant] van primair een bedrag van € 17.059,67 en subsidiair van € 13.215,67, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2014;

- veroordeling van Vaartland om mee te werken aan de ongedaanmaking van de levering van de Audi, inclusief overschrijving van het kenteken op Vaartland, op straffe van een dwangsom;

- veroordeling van Vaartland in de kosten van het geding, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2

[appellant] heeft aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag gelegd:

- er is sprake van misleiding bij het tot stand komen van de koopovereenkomst als bedoeld in artikel 6:193c lid 1 in verbinding met 6:193 j lid 3 BW (“oneerlijke handelspraktijk”), doordat Vaartland hem heeft medegedeeld dat hij gemakkelijk een tweede autosleutel kon bestellen;

- daarnaast is sprake van technische ondeugdelijkheid: er is een stuk multiriem tussen de distributieriem gekomen waardoor de auto op 13 juni 2016, anderhalf jaar na de aankoop, defect is uitgevallen;

- subsidiair: er is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming doordat een auto is geleverd die gestolen is geweest en bovendien technische gebreken heeft;

- meer subsidiair: de overeenkomst is vernietigbaar wegens dwaling, omdat [appellant] heeft gedwaald omtrent de herkomst van de auto ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst.

3.3

De kantonrechter oordeelde dat niet onaannemelijk is dat de auto ten tijde van de koop wegens diefstal was geregistreerd in Frankrijk. [appellant] heeft echter niet toegelicht dat Vaartland hiervan op de hoogte was of had kunnen zijn. Daarom heeft de kantonrechter de stelling verworpen dat sprake is van een “oneerlijke handelspraktijk”.

Verder heeft de kantonrechter overwogen dat dat Vaartland aan [appellant] de eigendom van de auto moest leveren, hetgeen ook is geschied. Een eventuele revindicatievordering van een Fransman zou immers afstuiten op het feit dat [appellant] tijdens de koop te goeder trouw was. Verder staat de (volgende de kantonrechter: inmiddels vervallen) registratie niet in de weg aan het normaal gebruik van de auto. Het feit dat op de auto in strafvorderlijk beslag is gelegd, zodat [appellant] de auto enige tijd niet heeft kunnen gebruiken, komt in de verhouding tussen partijen voor risico van [appellant] . Vaartland heeft bovendien gedurende die periode een vervangende auto ter beschikking gesteld. Voor zover sprake is van wederzijdse dwaling, komt deze in de gegeven omstandigheden voor rekening van [appellant] . Ten aanzien van het door [appellant] gestelde gebrek aan de motor oordeelde de kantonrechter dat sprake is van een herstelbaar gebrek, maar niet gebleken is dat Vaartland door [appellant] in de gelegenheid is gesteld om het gebrek – binnen een redelijke termijn – te herstellen. Vaartland is dus niet in verzuim gekomen, zodat geen grond is voor een op een tekortkoming gebaseerde vordering.

4 De procedure in hoger beroep

4.1

Bij exploot van 5 juli 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag team kanton (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis van 6 april 2017.

4.2

Bij arrest van 19 september 2017 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft plaatsgevonden op 17 november 2017.

4.3

Bij memorie van grieven met een productie heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft Vaartland de grieven bestreden. Vervolgens heeft [appellant] een akte na antwoord ingediend en Vaartland een antwoordakte. Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.

5 De beoordeling in hoger beroep

Slaagt het beroep op wederzijdse dwaling in verband met de diefstalregistratie?

5.1

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu primair dat Vaartland wordt veroordeeld om aan [appellant] een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag te vergoeden, maar ten minste € 5.000, te vermeerderen rente, één en ander bij wijze van nadeelsopheffing als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW. Subsidiair vordert [appellant] hetgeen hij in eerste aanleg reeds vorderde zoals samengevat onder punt 3.1 hierboven, met dien verstande dat hij thans betaling van € 17.059,67, althans € 10.115,67 vordert. De grieven hebben de strekking de gehele zaak ter behandeling aan het hof voor te leggen.

5.2

[appellant] voert aan dat reeds de enkele omstandigheid dat aan hem een auto is geleverd die belast bleek met een (internationale) diefstalregistratie, hem bevoegd maakt tot vernietiging van de overeenkomst tussen partijen wegens (wederzijdse) dwaling.

5.3

Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat de Audi ten tijde van de aankoop met een vorm van diefstalregistratie was belast. Het hof verwijst naar de hierboven in punt 2.4 geciteerde email van het LIV. Ook Vaartland zelf heeft dit in haar e-mail van 26 januari 2016 aan [appellant] bevestigd: “Wel staat er een melding op het chassisnummer vanuit Frankrijk naar na levering aan u is gebleken” (zie nummer 2.7 hierboven). Verder geldt dat de auto strafvorderlijk is beslag genomen en ook dat duidt er op dat minst genomen sprake was van een verdenking dat de auto van diefstal afkomstig was. Dat [appellant] , als verkrijger te goeder trouw, de auto van een bestolen rechthebbende had kunnen terugvorderen doet aan het bestaan van de registratie niet af. Ook het feit dat de diefstalregistratie mogelijk niet terecht was, in die zin dat deze op een in Frankrijk gemaakte administratieve vergissing zou kunnen berusten, maakt het voorgaande niet anders.

5.4

[appellant] betoogt niet dat Vaartland ten tijde van de aankoop wist van deze diefstalregistratie. Hij doet een beroep op wederzijdse dwaling zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder c BW: zowel hij als Vaartland zijn bij het sluiten van de koopovereenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling uitgegaan, namelijk de veronderstelling dat er géén diefstalregistratie aan het voertuig kleefde.

5.5

Dit beroep op wederzijdse dwaling slaagt. [appellant] heeft voldoende onderbouwd dat hij de Audi niet gekocht zou hebben als hij van de diefstalregistratie op de hoogte was geweest. Niet alleen belemmerde deze registratie hem bij het bestellen van een tweede sleutel, ook vormt een diefstalregistratie een risico op problemen, die zich gedeeltelijk ook hebben verwezenlijkt in de vorm van een strafvorderlijk beslag. Het bestaan van een Franse diefstalregistratie maakt bovendien, zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd, dat de Audi, zo lang deze registratie bestond, niet zonder risico op inbeslagname in Frankrijk gebruikt kon worden. [appellant] behoefde zich redelijkerwijs niet bloot te stellen aan het risico op juridische problemen of een inbeslagname van zijn auto in het buitenland.

5.6

Naar het oordeel van het hof zijn er, bij een consumentenkoop als de onderhavige, geen omstandigheden die meebrengen dat de dwaling in dit geval geheel voor rekening van [appellant] moet blijven. Vaartland heeft ook geen omstandigheden gesteld die dit oordeel rechtvaardigen. Het hof laat hierbij nog meewegen dat tussen partijen geen geschilpunt is dat de registratie aan het licht kwam toen [appellant] kort na de levering een tweede sleutel wilde bestellen bij een officiële Audi-dealer. Kennelijk was die registratie voor de Audi-dealer dus gewoon te zien. Vaartland heeft niet (voldoende) uitgelegd dat het voor haar ondoenlijk is om zelf (al dan niet in het kader van het bestellen van een tweede sleutel) achter deze informatie te komen. Het gaat dus niet om een gebrek dat voor Vaartland op geen enkele wijze kenbaar was. Het voorgaande betekent dat grief III gedeeltelijk slaagt.

Kan het beroep op (wederzijdse) dwaling mede op technische gebreken gebaseerd worden?

5.7

[appellant] grondt het beroep op dwaling in hoger beroep ook op technische problemen van de auto. Hij voert daarover aan dat de auto op 13 juni 2016, anderhalf jaar na de aankoop, defect is uitgevallen omdat een deel van de multiriem in de distributieriem was terechtgekomen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] echter onvoldoende toegelicht dat sprake is van een gebrek dat al bestond bij het aangaan van de overeenkomst, terwijl dat voor een geslaagd beroep op (wederzijdse) dwaling wel noodzakelijk is. De stelling van [appellant] dat in het verleden sprake is geweest van een gebrekkige reparatie, die na achttien maanden intensief gebruik plotseling tot problemen heeft geleid is niet voldoende onderbouwd en ook niet aannemelijk.

Kan een beroep op non-conformiteit op technische gebreken gebaseerd worden?

5.8

De gestelde technische problemen kunnen evenmin de grondslag vormen voor een vordering op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming. Het anderhalf jaar na de aankoop ontstaan van een gebrek aan de motor van een intensief gebruikte tweedehands auto rechtvaardigt niet het oordeel dat deze niet aan de overeenkomst voldoet. Daarbij komt nog dat [appellant] een korting van € 2.041 heeft bedongen op de aankoopprijs van € 14.450 omdat hij vanwege zijn eigen deskundigheid als automonteur wenste af te zien van een garantie op het voertuig.

5.9

Gezien het voorgaande kan in het midden blijven of de uitlatingen van [appellant] tijdens de comparitie bij het hof (“wat mij betreft hoeft het in hoger beroep niet meer te gaan over mijn klachten over de technische staat van de auto”) als het prijsgeven van een recht moeten worden opgevat.

Gevolgen wederzijdse dwaling; opheffing nadeel

5.10

Het hof zal, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen. Niet alleen is de primaire vordering van [appellant] gebaseerd op opheffing van het nadeel, ook Vaartland heeft (in de eerste aanleg) verzocht om, voor zover sprake is van wederzijdse dwaling, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel te wijzigen. Het hof meent dat in het onderhavige geval niet aangewezen is om de overeenkomst te vernietigen. De redenen daarvoor zijn het tijdsverloop sinds de koop, het intensieve gebruik van de Audi en de reeds door Vaartland gedane aanbiedingen ter onderbouwing van het nadeel, waarover hierna meer. [appellant] heeft onder punt 11 van de memorie van grieven een aantal schadeposten opgesomd die volgens hem het gevolg zijn van de dwaling. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de Audi als gevolg van de registratie minder waard is; als hij de auto wil verkopen is hij verplicht om van de problemen met de diefstalregistratie melding te maken en dat drukt de waarde aanzienlijk, zo stelt hij.

5.11

Vaartland betwist dat (nog) aanleiding is tot het toekennen van een vergoeding ter opheffing van het nadeel. Zij stelt dat zij al voorstellen heeft gedaan die het nadeel van [appellant] op afdoende wijze opheffen (als bedoeld in artikel 6:230 lid 1 BW): zij heeft [appellant] in de periode dat de Audi strafvorderlijk in beslag was genomen (althans, de periode dat de Audi daadwerkelijk door de politie was opgevorderd) vervangend vervoer aan [appellant] aangeboden, waarvan hij ook gebruik heeft gemaakt. Daarnaast heeft Vaartland aan [appellant] aangeboden om hem te helpen door een klaagschrift in te dienen om het strafvorderlijk beslag van de Audi af te krijgen. Bovendien staat volgens Vaartland inmiddels vast dat er geen sprake meer is van enige vorm van diefstalregistratie ten aanzien van deze Audi, zodat er geen sprake (meer) is van waardevermindering van de Audi.

5.12

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat de rechter een ruime beoordelingsspeelruimte heeft bij de vraag op welke wijze en in welke mate het nadeel wordt opgeheven. Het hof zal een bedrag van € 2.997 toewijzen. Daarbij heeft het hof de volgende overwegingen betrokken.

5.12.1

De in de schade-opstelling van [appellant] voorkomende posten die betrekking hebben op herstel van de problemen met de motor hebben niet te maken met het door de registratie geleden nadeel en komen dus niet op die grond voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt dus ook voor de sleepkosten die zijn gemaakt als gevolg van de motorproblemen en voor de kosten van onderhoud van de Audi: deze kosten had [appellant] ook moeten maken als de registratie er niet was geweest.

5.12.2

Naar het oordeel van het hof heeft Vaartland het door [appellant] als gevolg van de dwaling ondervonden nadeel niettemin niet volledig opgeheven. Zo is voldoende aannemelijk dat de advocaat van [appellant] aan hem kosten in rekening heeft gebracht in verband met contacten met het OM over het beslag en de registratie. Het daarvoor opgenomen bedrag van rond de € 847,= komt het hof niet onredelijk voor. Ook is voldoende aannemelijk dat [appellant] tot een bedrag van € 150,= aan reiskosten heeft moeten maken omdat hij meer dan eens bij Vaartland langs is geweest om de problematiek te bespreken. Dat daarnaast sprake is van gederfde inkomsten acht het hof onvoldoende toegelicht.

5.12.3

Voor de vraag of de Audi als gevolg van de (voormalige) registratie minder waard is, is – naar analogie van een fysieke beschadiging – niet van belang of [appellant] daadwerkelijk wil overgaan tot de verkoop. Verder geldt dat zover [appellant] bij verkoop al niet verplicht is aan de potentiële koper van de problemen melding te maken, in ieder geval niet ter discussie staat het [appellant] vrijstaat (ter voorkoming van problemen met een koper) om dit te melden. Het is voldoende aannemelijk dat een dergelijke mededeling de verkoopwaarde zal drukken. Daarbij speelt een rol dat uit de stukken waarnaar Vaartland in de memorie van antwoord onder 25 verwijst, niet onomstotelijk blijkt dat de registratie in Frankrijk is opgeheven. Dat de waarde van de Audi daarmee € 5.000,= lager ligt dan zonder de desbetreffende mededeling, vindt het hof, mede gezien de leeftijd van de Audi, onvoldoende vaststaan. Het hof verbindt aan de waardevermindering – gebruikmakend van de hierboven genoemde beoordelingsspeelruimte – naar redelijkheid een bedrag van € 2.000,=.

Overige stellingen en bewijsaanbiedingen

5.13

Nu het gevorderde zal worden toegewezen zoals hierboven omschreven, behoeven de stellingen die [appellant] heeft ingenomen in het kader van zijn subsidiaire vorderingen verder geen behandeling. Hetzelfde geldt voor het door Vaartland op die stellingen gevoerde verweer.

5.14

De bewijsaanbiedingen die [appellant] en Vaartland hebben gedaan worden gepasseerd. Er zijn geen stellingen te bewijzen aangeboden die tot een ander oordeel zullen leiden.

Wettelijke rente, proceskosten en op grond van het eerste vonnis betaalde bedragen

5.15

De door [appellant] gevorderde terugbetaling van de door hem krachtens het vonnis van de kantonrechter aan Vaartland betaalde bedragen, is door Vaartland inhoudelijk niet bestreden en zal worden toegewezen.

5.16

De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over de vergoeding ter opheffing van het nadeel, ingaande veertien dagen na de datum van dit arrest is niet (gemotiveerd) bestreden en zal worden toegewezen.

5.17

Bij de uitkomst van het hoger beroep past dat Vaartland alsnog wordt veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg. Deze worden aan de zijde van [appellant] begroot op € 471 aan griffierecht, € 94,08 aan explootkosten en € 900 aan kosten gemachtigde. Ook zal Vaartland worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 103,10 aan explootkosten, € 716 aan griffierecht en € 1.897,50 aan kosten advocaat.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 6 april 2017,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt Vaartland tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 2.997, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt Vaartland tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter voldoening aan het vonnis van de kantonrechter van 6 april 2017 heeft voldaan;

  • -

    veroordeelt Vaartland in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 6 april 2017 begroot op € 565,08 aan verschotten en € 900 aan salaris gemachtigde en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt Vaartland in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 819,10 aan verschotten en € 1.897,50 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, M. Flipse en B.J. Lenselink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.