Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:286

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.239.703/01 en 200.239.704/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Ambtshalve voorvraag: rechtsgeldig in huwelijk getreden n Zambia? En zo ja, in Nederland vatbaar voor erkenning? Vragen IJI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 januari 2019

Zaaknummer : 200.239.703/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-2389

Zaaknummer rechtbank : C/10/5223288

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,

tegen

[geïntimeerde] ,

woonplaats kiezende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 25 mei 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 februari 2018 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 25 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 12 juni 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 24 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 1 november 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 2 november 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Alvorens verder te beslissen en voor zover in hoger beroep van belang, is bepaald dat de behandeling ten aanzien van de zaak ten aanzien van de onderhoudsbijdrage en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen wordt aangehouden zoals weergegeven in die beschikking onder rechtsoverweging 2.7.12 tot 1 april 2018.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  1. het verzoek van de vrouw tot nietigverklaring van het huwelijk tussen haar en de man, tot stand gekomen in Zambia;

  2. het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime;

  3. de proceskosten.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- primair het huwelijk nietig te verklaren;

- subsidiair: voor recht te verklaren dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het interne recht van Zambia.

Verder verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

Voorvraag

4. Het hof zal eerst ambtshalve als voorvraag aan de orde stellen of partijen in Zambia rechtsgeldig in het huwelijk zijn getreden en, zo ja, of dat huwelijk in Nederland vatbaar is voor erkenning.

Nietigverklaring huwelijk

Bevoegdheid

5. Ingevolge artikel 3 Brussel II-bis zijn ter zake van de nietigverklaring van het huwelijk bevoegd, onder meer, de gerechten van de EU-lidstaat waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben. De Nederlandse rechter heeft derhalve rechtsmacht, nu partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Toepasselijk recht

5. De vraag of een huwelijk kan worden vernietigd en wie de nietigheid op welke gronden met welke gevolgen kan inroepen, is naar algemene opvatting onderworpen aan het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen. Dit betekent dat het rechtsstelsel dat de formele en materiële huwelijksvereisten stelt, ook de sanctie bepaalt op overtreding daarvan. Naar Nederlands internationaal privaatrecht, wordt de vraag of een huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen in beginsel beheerst door het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken. Zie o.m. de conclusie van de A-G Strikwerda tot Hoge Raad 16 oktober 1998, NJ 1999/6. Het recht van Zambia is derhalve van toepassing.

6. De vrouw betoogt in hoger beroep dat het huwelijk van partijen nietig is. Zij voert daartoe aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk, want:

a. de man leefde in [plaats] . Niet is voldaan aan de voorwaarde om minimaal vijftien dagen voor het huwelijk inwoner te zijn geweest van het district waar de huwelijksceremonie zich heeft voltrokken;

b. door het ontbreken van de juiste identiteitsgegevens tast de vrouw in het duister of de man was gehuwd, voor de wet of onder African Customary Law;

c. het huwelijk is niet voltrokken in het bijzijn van twee getuigen;

d. het Marriage certificate is niet door twee getuigen ondertekend;

e. het Marriage certificate is niet ingeschreven in de Marriage Register Book.

7. De man bestrijdt het standpunt van de vrouw. Het huwelijk is volgens hem rechtsgeldig tot stand gekomen. De man is geboren [in] 1979. De vader en de zuster van de man waren getuigen bij het huwelijk. De vader van de man heeft de huwelijksakte ondertekend. Abusievelijk staan op de huwelijksakte de namen van de zus van de man vermeld. De vrouw was hiervan op de hoogte. De IND heeft de identiteit van de man vastgesteld. De certificaten zijn gelegaliseerd in Zambia en Nederland.

8. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een goede beoordeling te maken - in het bijzonder om op de voorvraag te beslissen - en zal daarom nader advies in winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN Den Haag, telefoonnummer 070-346 09 74, verder te noemen: het IJI), om schriftelijk rapport uit te brengen en daarin de volgende vragen te beantwoorden.

9. Het hof zal de volgende vragen aan het IJI voorleggen:

  1. heeft er op [datum] te [plaats] , Zambia, een naar het recht van Zambia rechtsgeldig huwelijk plaatsgevonden?

  2. zo nee, wat zijn naar het recht van Zambia de gevolgen daarvan?

- Is het huwelijk dan absoluut nietig, in die zin dat nimmer een huwelijk heeft bestaan? Of is het huwelijk dan geldig totdat het vernietigd wordt?

- Kan naar het recht van Zambia nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht? Zo ja, op welke gronden?

10. Mocht het IJI tot de conclusie komen dat tussen partijen naar het recht van Zambia een rechtsgeldig huwelijk bestaat, dan wenst het hof ook nog de volgende vragen voor te leggen aan het IJI:

i. welke gevolgen heeft de vernietiging van een huwelijk naar het recht van Zambia? Heeft het huwelijk nimmer bestaan?

ii. heeft een huwelijk dat is vernietigd huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen naar het recht van Zambia, en zo ja, welke zijn dat?

iii. op welke wijze kan naar het recht van Zambia een rechtskeuze worden uitgebracht met betrekking tot het huwelijksvermogensregime?

11. Het onderzoek van het IJI zal onder leiding staan van een bij deze beschikking te benoemen raadsheer-commissaris. Het IJI kan zich, indien daartoe aanleiding is, door tussenkomst van de griffie met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.

12. Het hof zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen.

12. Zodra de resultaten van het deskundigenonderzoek bij het hof binnen zijn, zal het hof deze aan partijen doen toekomen en hen in de gelegenheid stellen zich hier schriftelijk over uit te laten.

14. Na ontvangst van het deskundigenrapport zal de zaak, tenzij het hof – al of niet op verzoek van een partij of beide partijen - alsnog anders beslist, schriftelijk worden afgedaan.

15. Het hof houdt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de proceskosten, aan.

BESLISSING

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

benoemt tot deskundige het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverwegingen 10 en 11 geformuleerde vragen;

bepaalt dat partijen bezwaren tegen of aanvullingen op de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd aan het hof kenbaar dienen te maken;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. A.H.N. Stollenwerck, en bij diens afwezigheid: mr. A.N. Labohm;

bepaalt dat de deskundige bij het verrichten van zijn werkzaamheden naast de normen van zijn beroepsgroep tevens de leidraad deskundigen in civiele zaken in acht dient te nemen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen;

bepaalt dat de deskundige schriftelijk zijn bericht ter griffie van het hof, afdeling civiel recht, team familie (postbus 20302, 2500 EH Den Haag) zal deponeren. Uit dat bericht moet blijken:

a. dat de deskundige partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen waarvan de inhoud in het bericht vermeld dient te worden;

b. dat de deskundige, alvorens een definitief rapport op te maken, partijen een conceptrapport heeft doen toekomen en partijen daarbij in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, waarvan de inhoud in het definitieve bericht vermeld dient te worden;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht een declaratie van loon en kosten ter griffie zal indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;

wijst partijen erop dat, indien zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan terstond tevens een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw binnen twee weken na datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

bepaalt dat de partijen na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek;

houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot zaterdag 25 mei 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2019.