Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2828

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
200.238.443/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Moeder vertegenwoordigde minderjarige dochter in het kader van de nalatenschap van haar vader, ook na haar meerderjarigheid. Moeder bij vonnis(sen) uit 2015 gelast tot het afleggen van rekening en verantwoording. Vraag in deze zaak is of moeder daaraan genoegzaam uitvoering heeft gegeven,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0266
JERF Actueel 2019/353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.238.443/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/524552/ HA ZA 17-346

Arrest van 16 juli 2019

Inzake

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat, mr. R.P. van der Vliet te Baarn,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat, mr. A.R. Bissesur te ’s-Gravenhage.

Het verloop van het geding

Appellante is op 19 maart 2018 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 20 december 2017 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft appellante 6 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven weersproken.

Appellante heeft op 20 november 2018 nog een akte uitlaten producties tevens houdende aanvullend bewijsaanbod genomen.

Op 21 juni 2019 is de zaak door de beide advocaten van partijen bepleit.

Voorafgaande aan het pleidooi is er door beide partijen nog een akte genomen tot het in geding brengen van stukken.

De beoordeling van het hoger beroep

Enige relevante feiten

1. Appellante is de dochter van geïntimeerde. De vader van appellante - en de voormalige echtgenoot van geïntimeerde - is op 8 maart 1990 overleden. Appellante en haar zusters zijn erfgenamen in de nalatenschap van hun vader. Gezien het feit dat appellante in 1990 minderjarig was, heeft geïntimeerde appellante in het kader van de nalatenschap van haar vader vertegenwoordigd. Na de meerderjarigheid van appellante heeft geïntimeerde het beheer van de nalatenschap voortgezet. De nalatenschap omvat onder andere een onroerende zaak in Suriname.

2. Het hof heeft uit de stukken begrepen dat erflater in Suriname zijn woon- en verblijfplaats had, het feit dat erflater in Nederland is overleden maakt dat niet anders. In het onderhavige geschil is niet aan de orde gesteld welk recht op de nalatenschap is toegepast en welk recht van toepassing is op een mogelijke rekening en verantwoording met betrekking tot het beheer van de nalatenschap die zich bevindt in Suriname.

3. In het onderhavige appel is aan de orde of geïntimeerde uitvoering heeft gegeven aan de vonnissen in kort geding van 28 april 2015 en 23 september 2015 van de rechtbank Rotterdam.

4. In het vonnis van 28 april 2015 van de rechtbank Rotterdam is onder meer beslist: “veroordeelt [de moeder] om uiterlijk 15 mei 2015 aan [de dochter] te verstrekken:

  • -

    een overzicht van de huurpenningen welke zijn ontvangen vanaf 2007 ter zake van het winkelpand en de kiosk op het perceel aan [adres] , Suriname, en de aanwending van die huurpenningen;

  • -

    een afschrift van de bankafschriften terzake van de bij de Surinaamse Postspaarbank aangehouden bankrekening ten name van de Stichting [volgt naam] vanaf de datum van het openen van deze rekening, voor zover deze bankafschriften nog in de administratie van [de moeder] aanwezig zijn;

  • -

    een afschrift van de meest recente huurovereenkomsten terzake van het winkelpand en de kiosk op het perceel aan de [adres] , Suriname;

  • -

    een afschrift van de bewijsstukken waaruit blijkt van het voldoen aan de belastingverplichtingen en van de betaling van de vaste lasten, alsook een afschrift van de verzekeringsbewijzen en de betalingsbewijzen daarvan, terzake het perceel en het daarop gebouwde pand aan de [adres] , Suriname;”

5. In het vonnis van 23 september 2015 van de rechtbank Rotterdam is onder meer beslist: “veroordeelt [de moeder] om na betekening van dit vonnis aan [de dochter] uiterlijk op 10 december 2015 af te geven:

  • -

    een overzicht, gestaafd met alle bewijsstukken waaruit blijkt hoe alle sinds 28 april 2015 tot heden ten processe bedoelde ontvangen huurpenningen zijn aangewend;

  • -

    een overzicht, gestaafd met alle bewijsstukken waaruit blijkt van het voldoen aan de belastingverplichtingen, de verzekeringsbewijzen en betalingsbewijzen daarvan alsmede de bewijsstukken waaruit blijkt van het voldoen aan de belastingverplichtingen van de vaste lasten ter zake van het winkelpand en erflater aan de [adres] , Suriname, sinds 28 april 2015 tot heden,”

6. Uit de dagvaarding in eerste aanleg volgt dat appellante vordert: ”(…) Te verklaren voor recht dat gedaagde niet volledig heeft voldaan aan de vonnissen van 28 april 2015 (C/10/716291/ KG ZA 15-254) en van 23 september 2015 (C/10/482766/ KG ZA 15-890) van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam;”

7. Uit de memorie van grieven - zie blz. 18 - volgt dat appellante haar vordering handhaaft zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding.

8. In randnummer 88 stelt appellante dat het wel haar bedoeling is dat geïntimeerde rekening en verantwoording moet afleggen en dat dit in de vonnissen van 28 april 2015 en 23 september 2015 ook is overwogen. Appellante is van mening dat het dictum moet worden gelezen tegen de achtergrond dat de aan te leveren stukken voldoende grondslag opleveren voor de door geïntimeerde af te leggen rekening en verantwoording met betrekking tot de nalatenschap van erflater.

9. Uit de memorie van antwoord - randnummer 88 - volgt dat geïntimeerde van mening is dat zij aan de vonnissen heeft voldaan en dat zij niet op basis van voormelde vonnissen verplicht was tot het afleggen van rekening en verantwoording.

10. Uit het bestreden vonnis van 20 december 2017 volgt dat de rechtbank de vordering van appellante heeft afgewezen.

Grieven

11. Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gemeenschappelijk bespreken. De strekking van de grieven komen erop neer dat geïntimeerde niet, dan wel onvolledig dan wel niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de vonnissen van 28 april 2015 en 23 september 2015.

12. Door appellante is onder meer aangevoerd:

  1. appellante heeft vanaf het moment van de herbouw van het onroerend goed in Suriname aan geïntimeerde gevraagd om rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschap, onder andere wat betreft haar aandeel in de huuropbrengsten;

  2. geïntimeerde is de enige die kan verklaren wat zij met de nalatenschap en met de opbrengsten heeft gedaan;

  3. op vragen naar de volledigheid van de door haar overgelegde stukken waarop ze een inhoudelijke reactie kan geven, gaat geïntimeerde niet in;

  4. geïntimeerde heeft in Suriname op 7 april 2015 een scheidings- en delingsprocedure aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft geïntimeerde in eerste instantie gevorderd dat appellante aan haar betaalt 1/3 deel van de beweerdelijk door geïntimeerde gedane investeringen in de nalatenschap van erflater. De in Suriname door geïntimeerde gevorderde bedragen komen niet overeen met de in Nederland door haar genoemde bedragen (zie randnummer 15);

  5. de rechtbank is eraan voorbijgegaan dat geïntimeerde heeft erkend dat zij stukken heeft aangeleverd eerst na het verstrijken van de termijn;

  6. tussen partijen staat niet ter discussie dat geïntimeerde niet de bankafschriften heeft aangeleverd;

  7. geïntimeerde heeft geen overzicht aangeleverd met betrekking tot de huurinkomsten over de periode van 2007 tot en met 23 september 2015;

  8. geïntimeerde heeft niet voldaan aan de veroordeling tot het overleggen van de meest recente huurovereenkomsten;

  9. geïntimeerde heeft niet voldaan aan het verstrekken van bewijsstukken waaruit blijkt van het voldoen van de belastingverplichtingen en de verzekeringsbewijzen;

  10. gezien het feit dat de kortgedingvonnissen in kracht van gewijsde zijn gegaan, behoeft appellante niet zelf bij de verschillende instanties gegevens op te vragen (zie randnummer 67). Op basis van de kortgedingvonnissen moet geïntimeerde de gegevens aanleveren;

  11. geïntimeerde is gehouden om een overzicht te verschaffen van de aanwending van de huurinkomsten. De door geïntimeerde overgelegde kwitanties kunnen door iedereen zijn gemaakt. De door geïntimeerde overgelegde stukken bieden geen enkel overzicht van de aanwending van de huurinkomsten.

13. Door geïntimeerde is gemotiveerd verweer gevoerd. Door haar is onder meer aangevoerd:

  1. de bodemprocedures zijn door de rechtbank Rotterdam naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de uitkomst van de procedure in Suriname over de scheiding en deling van de nalatenschap van erflater;

  2. geïntimeerde heeft op 7 december 2015 (dus voor 10 december 2015) samen met de [volgt naam] Accountants en Belastingadviseurs conform de vonnissen van 28 april 2015 en 23 september 2015 alle documenten met kwitanties en bonnen aan mr. W.J.H. Dingemans, de vorige advocaat van appellante, verstrekt;

  3. geïntimeerde had niet alle documenten in Nederland, hiervoor moest zij naar Suriname. Dat de Surinaamse maatschappij anders is ingericht en de mensen anders werken is algemeen bekend;

  4. op 20 januari 2016 heeft appellante ruim 98 vragen gesteld met betrekking tot de documenten die op 7 december 2015 zijn aangeleverd;

  5. het is juist dat door geïntimeerde in Suriname een procedure wordt gevoerd van scheiding en deling;

  6. in het accountantsrapport van [volgt naam] Accountants en Belastingadviseurs zijn bij de overzichten balansen en winst en verliesrekening de bouw- en huuroverzichten 2012 verwerkt;

  7. de inhoud van de uitdraai komt overeen met de inhoud van de bankafschriften. Geïntimeerde heeft voldaan aan haar verplichting. De bank heeft geweigerd om bankafschriften te verstrekken;

  8. geïntimeerde heeft de meest recente huurovereenkomsten verstrekt;

  9. geïntimeerde heeft op 7 december 2015 een uitdraai van de Surinaamse belastingdienst overgelegd. De uitdraai is afkomstig van de Surinaamse belastingdienst;

  10. geïntimeerde heeft op 7 december 2015 alle documenten, inclusief de aanwending van de huurpenningen, aan appellante gezonden;

  11. op de procedure met betrekking tot de nalatenschap en de verdeling daarvan is Surinaams recht van toepassing. Het pand waarover het gaat ligt in Suriname (randnummer 89 van de memorie van antwoord).

Inleiding op de beslissing.

14. Het hof overweegt als volgt. Appellante dient zich te realiseren dat mede bezien de aard van de rechtsverhouding tussen partijen - moeder dochter - aan het gevoerde beheer andere eisen kunnen worden gesteld dan wanneer het beheer zou zijn gevoerd door een professionele bewindvoerder. Bovendien was de omvang van de nalatenschap van erflater beperkt en ook deze beperkte omvang rechtvaardigt in het algemeen dat er minder zware eisen kunnen worden gesteld aan de administratie. Voorts had appellante ook na haar meerderjarigheid zelf het beheer kunnen voeren over haar aandeel in de ontbonden gemeenschap. Met betrekking tot het beheer van het vermogen van de stichting dient een mogelijke rekening en verantwoording te worden afgelegd ten overstaan van het bestuur van de stichting en niet aan appellante in privé.

15. Uit de gewisselde processtukken volgt dat er tussen partijen in Suriname een procedure wordt gevoerd met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap van erflater, die in 1990 is overleden. Het betreft de afwikkeling van een nalatenschap die zich in Suriname bevindt en die door Surinaams erfrecht wordt beheerst, gelet op de laatste gewone verblijfplaats van de erflater (artikel 3 Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging, 's-Gravenhage, 01-08-1989). Gezien de connexiteit tussen de procedure met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap en de rekening en verantwoording inzake het beheer van de nalatenschap had het in de rede gelegen in Suriname de procedure te voeren met betrekking tot de afgifte van de stukken. Gelet op het vorenstaande had de voorzieningenrechter zich in beginsel onbevoegd moeten verklaren.

16. Gezien het feit dat de voorzieningenrechter wel een beslissing heeft gegeven, welke in kracht van gewijsde is gegaan, en appellante aan de bodemrechter heeft verzocht om een verklaring voor recht af te geven of geïntimeerde uitvoering heeft gegeven aan de kortgedingvonnissen, is de bodemrechter bevoegd om daarvan kennis te nemen gelet op de woonplaats van geïntimeerde in Nederland (artikel 4 lid 1 EEX-verordening II).

Omvang vordering

17. De vonnissen in kort geding hadden alleen betrekking op afgifte van stukken. Gezien de aard van een kortgedingprocedure is deze procedure niet geschikt om aan de voorzieningenrechter te vragen of de bewindvoerder/zaakwaarnemer op een correcte wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd. In het onderhavige geschil ligt voor, of geïntimeerde al dan niet op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de kortgedingvonnissen van 2015. Niet ligt voor of geïntimeerde al dan niet dwangsommen heeft verbeurd.

18. Uit het pleidooi aan de zijde van appellante volgt dat zij geïntimeerde verwijt van de administratie een puinhoop te hebben gemaakt. In randnummer 6 van haar pleidooi stelt zij letterlijk: ” [de moeder] gaat vér, heel ver in het toedekken van het vrijwel onbetwistbare gegeven dat zij - méér dan een vermoedelijk tot haar voordeel - op zijn minst een schier onoverzichtelijke puinhoop van de administratie heeft gemaakt (….).” In randnummer 7 stelt appellante: ”Dat dit in den beginne op het goed vertrouwen van [de dochter] wellicht niet direct nodig zou zijn geweest, wil uiteraard niet zeggen dat [de moeder] niet de deugdelijke administratie zou hoeven te voeren waar [de dochter] altijd om heeft gevraagd.” Haar stellingen hangen nauw samen met de rekening en verantwoording die appellante van geïntimeerde wenst te krijgen. Deze rekening en verantwoording heeft betrekking op een opengevallen nalatenschap die zich in Suriname bevindt. Voor de bevoegde rechter verwijst het hof naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

19. In randnummer 11 van de pleitnota stelt appellante: ”Zonder hier nu volledigheid te pretenderen wijst [de dochter] slechts op de kennelijk door [de moeder] “voorgeschoten” bedragen die volgens het rapport op de balans (van de Stichting) zouden staan.” Het betreft hier de stichting [volgt naam] . Appellante en haar zusters zijn bestuurders van die stichting. Uit randnummer 4 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg van appellante volgt dat geïntimeerde bankrekeningen voor de stichting heeft geopend, op welke bankrekening huuropbrengsten van het winkelpand en de kiosk zijn gestort. Uit randnummer 5 van de inleidende dagvaarding volgt dat appellante bewijsstukken wenst te verkrijgen met betrekking tot de financiën van de hiervoor vermelde stichting. Het hof heeft tijdens het pleidooi aan appellante voorgehouden dat de stichting geen procespartij is in de onderhavige procedure. Bovendien heeft appellante als bestuurder van de stichting een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de administratie van de stichting.

20. Door de wijze van procederen van appellante worden verschillende rechtsvragen gemengd behandeld terwijl de kortgedingvonnissen uitsluitend betrekking hadden op de afgifte van stukken.

21. Het hof leest het onderhavige appel in de sleutel van de kortgedingvonnissen waarbij aan geïntimeerde opdracht is gegeven om schriftelijke bescheiden af te geven.

Heeft geïntimeerde op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de kortgedingvonnissen?

22. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat geïntimeerde op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de kortgedingvonnissen van 28 april 2015 en 23 september 2015. Het hof neemt daartoe over de gronden van de rechtbank.

23. Vaststaat dat geïntimeerde op 7 december 2015 een groot aantal documenten - samen met een overzicht van [volgt naam] Accountants en Belastingadviseurs - aan appellante heeft verstrekt. Gezien het tijdsverloop kan van geïntimeerde alleen nog worden verlangd dat zij die stukken verstrekt die nog daadwerkelijk in haar bezit zijn en betrekking hebben op de nalatenschap van erflater. Als er door de bank geen bankafschriften meer worden verstrekt, kan geïntimeerde volstaan met een uitdraai.

24. Uit de brief van de raadsman van geïntimeerde van 7 december 2015 aan de voormalige raadsman van appellante volgt welke stukken aangeleverd zijn. De raadsman van geïntimeerde geeft tevens aan dat in zijn visie uitvoering is gegeven aan het vonnis van de kortgedingrechter.

25. Bij brief van 15 februari 2016 heeft appellante aan geïntimeerde aangegeven dat zij niet op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de kortgedingvonnissen.

26. Bij vonnis van 9 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat in kort geding - gezien de aard van de procedure - niet kan worden vastgesteld of geïntimeerde op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de kortgedingvonnissen.

27. De inleidende dagvaarding van appellante waarin om een verklaring voor recht wordt gevraagd dat geïntimeerde niet op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven met betrekking tot de kortgedingvonnissen dateert van 27 februari 2017.

28. Uit het proces-verbaal van 13 oktober 2017 volgt dat de rechtbank op een zeer zorgvuldige wijze de vordering van appellante heeft behandeld.

29. Naar het oordeel van het hof heeft appellante geen nieuwe feiten naar voren gebracht die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Dat geïntimeerde in de visie van appellante van de administratie een puinhoop heeft gemaakt, is een rechtsvraag die in een andere procedure dient te worden beantwoord. Geïntimeerde heeft gedurende een zeer lange periode voor appellante en haar zusters de nalatenschap van erflater beheerd. Geïntimeerde is geen professionele boekhouder en aan haar kunnen andere eisen worden gesteld met betrekking tot haar zorgplicht mede bezien de rechtsverhouding tussen geïntimeerde en appellante. Appellante had ook na haar meerderjarigheid zelf het beheer van de nalatenschap kunnen overnemen. Gezien de zeer lange periode van beheer is het niet ondenkbaar dat bepaalde bewijsstukken niet meer aanwezig zijn. De nalatenschap is in 1990 opengevallen en tot 2015 betreft het dus een periode van 25 jaar.

Bewijsaanbod

30. In eerste aanleg is door appellante een verklaring onder ede in het geding gebracht van mevrouw [volgt naam] . De verklaring is afgelegd op 18 augustus 2015 ten overstaan van notaris [volgt naam] te Alphen aan den Rijn. Uit deze verklaring kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid of geïntimeerde al dan niet heeft voldaan aan de uitvoering van de vonnissen van de kortgedingrechter in april en september 2015. Het hof acht het niet noodzakelijk dat deze getuige wordt gehoord omdat slechts naar de schriftelijke verklaring wordt verwezen. Het bewijsaanbod is naar het oordeel van het hof - mede bezien de vordering van appellante - onvoldoende specifiek.

31. In randnummer 90 van de memorie van grieven stelt appellante: ” [de moeder] verweert zicht tegen het oordeel van de door [de dochter] ingeroepen deskundige [volgt naam] dat de door [de moeder] overgelegde stukken ondeugdelijk zijn met de enkele stelling dat volgens de accountant van [volgt naam] stellingen van de heer [volgt naam] niet kloppen.” Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige procedure niet aan de orde of de stukken al dan niet deugdelijk zijn. In een mogelijke procedure in het kader van de rekening en verantwoording kan de vraag aan de orde worden gesteld of de verstrekte stukken deugdelijk zijn. Het horen van de getuige [volgt naam] acht het hof niet ter zake doende in het onderhavige geschil.

Bekrachtiging

32. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd.

Proceskosten

33. Ondanks dat er sprake is van een familieverhouding is het hof van oordeel dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden veroordeeld met betrekking tot het hoger beroep. Appellante dient zich te realiseren dat door het tijdsverloop een aantal gegevens niet meer is te achterhalen en een aantal zaken niet meer kunnen worden teruggedraaid. Ook appellante heeft na haar meerderjarigheid haar eigen verantwoordelijkheid. Dit geldt ook ten aanzien van haar functie als bestuurder van de stichting.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017 tussen de partijen gewezen;

veroordeelt appellante in de kosten van deze procedure, tot aan dit arrest begroot op
€ 3.003,- en als volgt gespecificeerd:

  • -

    € 318,- griffierecht

  • -

    € 2.685,- kosten advocaat

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en B. Breederveld is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.