Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2797

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
200.233.411/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding 2012. Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Betaling hypotheekrente. Afspraak partijen. Waardering auto. Contante geldopnames voor de peildatum. In dat kader geslaagd beroep op art. 3:194 lid 2 BW: opzettelijk buiten de verdeling gehouden. Waarde toebedeelde polis. Wettelijke rente over overbedelingsvordering nog niet ingegaan, nu nog geen overeenstemming bestaat over de over en weer verschuldigde bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.233.411/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C09/495695 / HA-ZA 15-1021

arrest van 22 oktober 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.B. de Jong te Amsterdam.

Het verloop van het geding

De man is op 19 december 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 2 november 2016 (tussenvonnis) en 20 september 2017 (eindvonnis) van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft de man vier grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw verweer gevoerd, tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld alsmede heeft zij haar eis vermeerderd.

De man heeft gediend voor antwoord in het incidentele appel, tevens heeft hij gereageerd op de vermeerdering van eis.

Alleen de man heeft zijn procesdossier gefourneerd. Beide partijen hebben om arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden tussenvonnis zijn vastgesteld.

Bestreden eindvonnis 20 september 2017

2. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 20 september 2017 als volgt beslist:

in de hoofdzaak

in conventie en reconventie, voor zover nog aan het oordeel van de rechtbank onderworpen:

4.1

veroordeelt de man om binnen zes weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de eigendomsoverdracht van de [straatnaam] aan hemzelf tegen de waarde van € 610.000,-;

4.2

waarbij, in het geval de man zijn medewerking aan de eigendomsoverdracht weigert, het vonnis de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de man zal vervangen ex art. 3:300 lid 2 BW en dezelfde kracht heeft als een in de wettige vorm opgemaakte akte van de man;

4.3

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar aandeel in de waarde in de [straatnaam] (€ 610.000 – de overdrachtskosten : 2), aan haar te voldoen ter gelegenheid van het transport bij de notaris;

4.4

bepaalt dat van het depot onder de notaris aan de man toekomt € 206.379,49 en aan de vrouw toekomt € 248.379,49;

4.5

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw binnen acht weken na de betekening van het vonnis:

- van een bedrag à € 33.081,77,

- van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van de Volkswagen [volgt type] per 1 december 2012,

tot een bedrag van € 10.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012,

voor het overige te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van acht weken na de betekening van het vonnis;

4.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident

4.9

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.10

wijst af het meer of anders gevorderde.

De vordering van de man

3. De man vordert dat het dit hof moge behagen de bestreden vonnissen, voor zover beroep (het hof begrijpt: voor zover in hoger beroep bestreden) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep te vermeerderen met de kosten voor beslaglegging van
€ 1.883,41.

De vordering van de vrouw

4. De vrouw vordert in het principaal appel dat het dit hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het principaal appel, inclusief de kosten van € 825,09 van het in oktober 2017 door de vrouw gelegde beslag onder de notaris.

In het incidenteel appel vordert de vrouw dat het dit hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen op de onderdelen waarvan incidenteel beroep te vernietigen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, en opnieuw rechtdoende, arrest te wijzen en de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen:

I. een bedrag van € 11.992,04 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. een bedrag van € 13.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. een bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, doch voor zover grief 2 in incidenteel appel niet volledig doel treft;

IV. een bedrag van € 51.184,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaaldata van de diverse huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

V. een bedrag van € 1.136,21 (wettelijke rente Volkswagen [volgt type] );

VI. een bedrag van € 811,94 (wettelijke rente Interpolis);

VII. het bedrag van de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van de vrouw;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het incidenteel appel;

in reconventie

Dat het het hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen:

I. een bedrag van € 3.147,35 (restant inzake de Opmaatverzekering Interpolis) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. een bedrag van € 70.000,-, althans een door het hof in goede justitie schattenderwijs vast te stellen bedrag, althans een door het hof aan de hand van een deskundigenbericht vast te stellen bedrag (schade waardeverschil woning april 2015 - juni 2018) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het ten deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

III. een bedrag van € 13.390,- (wettelijke rente over depotdeel ad € 248.379,49 notaris) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. € 16.773,20 (wettelijke rente over uitkoopbedrag ad € 305.000,- [straatnaam] ) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in reconventie.

Beschikking rechtbank Den Haag 1 juni 2012 inzake echtscheiding en verdeling

5. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 juni 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld onder de voorwaarde dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand.

6. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 26 september 2012 en derhalve is op die datum de huwelijksgoederengemeenschap overeenkomstig het toen geldende recht ontbonden. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap is voormelde datum van belang.

7. Het hof heeft uit de procestukken niet kunnen afleiden dat partijen tegen de beschikking van 1 juni 2012 in hoger beroep zijn gegaan. Met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient derhalve uitgegaan te worden van hetgeen de rechtbank in die beschikking heeft overwogen en beslist.

Hypotheekrente tweede hypotheekdeel met nummer [volgt nr.]

8. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat hij de helft moet betalen van het tweede hypotheekdeel met nummer [volgt nr.] , in totaal € 774,68 bruto per maand, tot een totaalbedrag van € 11.992,04. De man betwist dat hij ter zitting er mee heeft ingestemd dat hij de helft van de hiervoor genoemde hypotheekrente zou voldoen.

9. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat de afspraak met betrekking tot de hiervoor vermelde hypotheekrente volgens haar wel is gemaakt (zie MvA, nr. 35).

10. Het hof overweegt als volgt. Partijen waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. De aan de orde zijnde geldlening is een gemeenschapsschuld en uit dien hoofde is de man in beginsel voor de helft draagplichtig met betrekking tot die schuld, hetgeen betekent dat hij ook draagplichtig is met betrekking tot de rente die over die lening verschuldigd is.

11. Uit het relaas van het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2017 valt te destilleren dat de man het er mee eens was dat hij de helft van de hypotheekrente zou voldoen. De advocaat van de man verklaarde: ‘Wij zijn het uit praktische overwegingen eens met de door de vrouw genoemde bedragen.’.

12. Gezien de inhoud van het proces-verbaal alsmede hetgeen de vrouw heeft gesteld in haar MvA is hof van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de draagplicht van de hypotheekrente.

13. De overige argumenten die de man in dit verband aanvoert acht het hof rechtens niet relevant, aangezien slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de draagplicht bij helfte van gemeenschapsschulden.

14. Nu volgens de vrouw overeenstemming tussen partijen is bereikt met betrekking tot de draagplicht voor de hypotheekrente, is zij naar het oordeel van het hof ook gebonden aan die afspraak. Grief 1 van haar incidentele appel behoeft derhalve geen bespreking.

Volkswagen [volgt type]

15. De man is het er niet mee eens dat de rechtbank voor de waardering van de Volkswagen [volgt type] uitgaat van de waarde per 1 december 2012. In nr. 17 van zijn MvG geeft de man aan dat hij geen actie heeft ondernomen met betrekking tot de verkoop van de Volkswagen [volgt type] aangezien de vrouw niet meewerkt aan de verdeling van de inboedel. In nr. 16 van zijn MvG stelt de man dat hij inmiddels toedeling wenst van de Volkswagen [volgt type] .

16. De vrouw acht het redelijk en billijk dat voor de waarde van de Volkswagen [volgt type] wordt uitgegaan van de peildatum 1 december 2012. De man beschikte dan over vijf maanden tijd om de Volkswagen [volgt type] te verkopen. De man had feitelijk de beschikking over de Volkswagen [volgt type] .

17. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de beschikking van 1 juni 2012 is de Volkswagen [volgt type] verdeeld. Het hof begrijpt de beslissing van de rechtbank dat deze auto moet worden verkocht, aldus dat de rechtbank daarmee de wijze van verdeling heeft toegepast als bedoeld in artikel 3:185 lid 2, onder c, BW. Die verdeling als zodanig is niet in geschil tussen partijen, maar wel voor welke waarde die auto in de verdeling moet worden betrokken. Tegen deze achtergrond kan het hof de auto niet meer toedelen aan de man.

18. De rechtsverhouding tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is wordt bepaald door alle feiten en omstandigheden van het desbetreffende geval. Vaststaat dat de man feitelijk over de Volkswagen [volgt type] beschikte. De argumenten die de man naar voren heeft gebracht om niet tot verkoop van de Volkswagen [volgt type] over te gaan, acht het hof niet valide. Feit blijft dat uitsluitend de man steeds de beschikking heeft gehad over dit gemeenschapsgoed. Van de man had in redelijkheid kunnen worden verlangd dat hij de vrouw had benaderd om over te gaan tot verkoop van de Volkswagen [volgt type] . Gezien de feitelijke gang van zaken acht het hof het in dit geval redelijk en billijk dat de rechtbank is uitgegaan van de waarde van de Volkswagen [volgt type] per datum 1 december 2012.

Contante geldopnames

19. Vaststaat dat de man in de periode van 1 juni 2012 tot en met 26 september 2012 een bedrag heeft opgenomen van € 23.400,-. Zowel de man als de vrouw richten een grief tegen de rechtsoverwegingen 3.23 tot en met 3.26 van het bestreden eindvonnis.

20. Uit het betoog van de vrouw volgt dat zij zich beroept op artikel 3:194 lid 2 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat het bedrag van € 23.400,- uitsluitend toekomt aan de vrouw. Door de vrouw is onder meer aangevoerd, dat de man achter de rug van de vrouw om de [Naam] portefeuille heeft geliquideerd en het geld op zijn rekening 243 heeft laten storten. Toen uit de echtscheidingsbeschikking volgde dat ook de [Naam] rekening voor de helft van de contante waarde moest worden uitgekeerd aan de vrouw heeft de man structureel, door geld te pinnen, de rekening 243 leeggehaald, terwijl hij wist dat het op die rekening gestalde saldo van [Naam] in de te verdelen gemeenschap viel. De man heeft het geld opzettelijk heimelijk buiten de verdeling gehouden. Aan het bewijs van de opzet als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW mogen dan hoge eisen worden gesteld, maar daar is ruimschoots aan voldaan. Immers, behalve dat vast staat dat de man zonder medeweten van de vrouw de [Naam] rekening geliquideerd heeft en het bedrag heeft laten storten op zijn rekening 243, heeft de man het bedrag in contanten van deze rekening afgehaald en verstopt onder zijn matras. Dat is wat de man verklaard heeft als antwoord op de vraag van de rechter wat hij met het geld heeft gedaan. Gezien deze handelswijze van de man is de vrouw van mening dat het bedrag van € 23.400,- volledig aan haar moet worden uitgekeerd.

21. De man is van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3:194 lid 2 BW. Door de man wordt erkend dat hij de opbrengst van de aandelenportefeuille heeft gestort op rekening 243. Er bestaat geen relatie tussen de echtscheidingsbeschikking en het pinnen van bedragen van rekening 243, zoals de vrouw suggereert. De man betwist dat zijn handelen niet in de haak was (zie ook nr. 25 van zijn MvA).

22. Het hof overweegt als volgt. Voor een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is opzet vereist, in die zin dat de man wist dan wel behoorde te weten dat het goed tot de gemeenschap behoorde (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262). In dit geval gaat het om gelden die de man contant van rekening 243 heeft opgenomen, waarbij de man wist of behoorde te weten dat die gelden tot de ontbonden gemeenschap behoorden. Naar het oordeel van het hof volgt uit het feitencomplex van een opzettelijke verzwijging – als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW – door de man van de aanwezige gelden tot een bedrag van € 23.400,-. De man heeft zonder medeweten van de vrouw (i) de aandelenportefeuille [Naam] verkocht, (ii) de opbrengst gestort op rekening 243, (iii) en vervolgens heeft hij de gelden opgenomen door pintransacties. Het feit dat op de desbetreffende rekening ook zijn salaris werd gestort, doet aan het voorgaande niet af. Het hof verwijst in deze ook naar het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2016 bij de rechtbank Den Haag. De advocaat van de man verklaart: ‘De man mocht na 1 juni 2012 van de ABN AMRO rekening 243 opnames doen, zijn salaris werd daar ook op gestort. Bovendien heeft de vrouw de opnames onjuist opgeteld: het totale bedrag zou niet circa € 43.000 maar € 23.400 moeten zijn.’ De advocaat van de vrouw verklaart: ‘De man heeft deze opnames gedaan tot vlak voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking’. De man verklaart: ‘Ik hoor de rechtbank erop wijzen dat ik in de periode vanaf juni 2012 zeer regelmatig contante bedragen van telkens € 500 heb opgenomen van de rekening 243 en vragen wat ik daarmee heb gedaan. Ik heb die bedragen opgenomen. Dat heb ik onder mijn matras gestopt. Ik hoor mijn advocaat zeggen dat ik daarvan heb geleefd. Dat klopt: daar heb ik van geleefd. Daar heb ik mijn boodschappen van betaald. Ik hoor de rechtbank zeggen dat het verschil in antwoord ‘onder mijn matras gestopt’ en ‘ik heb ervan geleefd’ mogelijk verschillende juridische consequenties kan hebben, omdat als het geld onder de matras is gestopt het er mogelijk nog was op 26 september 2012. Mij is niet eerder gevraagd om het verloop van de rekeningen inzichtelijk te maken, alleen om het saldo te geven. Ik heb dat altijd gedaan.’ In nr. 26 van zijn MvG stelt de man dat het hem vrij stond bedragen contant op te nemen van de desbetreffende rekening en die te besteden.

23. Dat de man bevoegd was om over de rekening te beschikken is op zichzelf genomen juist. Echter, in het onderhavige geval gaat het om de vraag of de man een bedrag van € 23.400,- buiten de verdeling heeft willen houden. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is daarvan sprake. De grief van de vrouw treft doel, hetgeen betekent dat de grief van de man geen verdere bespreking meer behoeft.

Interpolis

24. In de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2012 is hierover het volgende opgenomen: ‘In confesso is dat partijen het saldo van deze polissen per de peildatum bij helfte verdelen. Om praktische redenen zal de rechtbank de polissen toedelen aan de man met dien verstande dat partijen er voor kunnen opteren om, als dit fiscaal gezien gunstig is, de polissen te splitsen. Dit zal echter alleen kunnen als beide partijen het daarover eens zijn. In het andere geval geldt dat de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw toekomt.

25. De rechtbank heeft de polis verdeeld. Alleen als beide partijen het met elkaar eens zijn, kunnen zij van de door de rechtbank vastgestelde verdeling afwijken.

26. De vrouw heeft in nr. 28 van haar CvA tevens eis in reconventie gesteld: ‘Op datum inschrijving echtscheiding bedroeg het saldo van de verzekering € 49.907,27. De man heeft aan de vrouw (zonder overleg of toestemming of medeweten) laten uitbetalen € 24.953,64. Echter zoals de man zelf al stelt in zijn dagvaarding onder punt 14 dienen de door de vrouw vanaf 26 september 2015 (het hof begrijpt: 2012) tot en met 2 juni 2015 betaalde maandelijkse bedragen premie van € 185,14 verrekend te worden met het rendement. De vrouw brengt in het geding als productie 19 de afschriften waaruit blijkt dat zij altijd de maandelijkse verzekeringspremie heeft voldaan. In totaal betreft het 34 termijnen ad € 185,14. In totaal derhalve een bedrag van 34 x 185,14 = € 6.294,76. Tevens waaruit blijkt wat het saldo op 26 september 2012 was. Op datum beëindiging was het saldo € 79.035,54. Het betreft investeringen gedaan door de vrouw in een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel na 1 januari 2012 zodat de beleggingsleer van toepassing is. De waardestijging tussen 26 september 2012 en 8 juni 2015 bedraagt derhalve € 29.128,27. De vrouw heeft 4,6 % van de waardestijging in die periode geïnvesteerd in de polis. Pas je vervolgens de beleggingsleer toe, dan betekent dit dat de vrouw ook 4,672% van de waardestijging van de polis toekomt. Dit is een bedrag van € 1347,76. Dit betekent dat er nog € 27.780,50 evenredig te verdelen is tussen de man en de vrouw. Zodat de vrouw nog dient te ontvangen € 1347,76 plus € 13.890,25.’

27. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw voor een bedrag van € 1.347,76 en € 13.890,25 toegewezen.

28. Uit de vierde grief van de man volgt dat hij het er niet mee eens is dat hij de bedragen van € 1.347,76 en € 13.890,25 aan de vrouw moet voldoen. In nr. 34 van zijn MvG stelt hij dat de polis aan hem is toegedeeld en dat hij alleen de helft van de waarde van de polis op de peildatum aan de vrouw dient te voldoen.

29. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

30. Het hof is van oordeel dat de grief van de man doel treft. Uit de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2012 volgt dat de polis aan de man is toegedeeld. De man dient alleen de helft van de waarde op de peildatum aan de vrouw te vergoeden. Van een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel is dus geen sprake. De waardestijging van de polis komt alleen toe aan de man. Door de man wordt erkend dat de door de vrouw betaalde premies ad € 6.294,76 in zijn vermogen zijn gevloeid. Uit nr. 60 van de MvA volgt dat de vrouw aanspraak maakt op de betaling van de premies ad € 6.294,76.

Kosten loonbeslag

31. In nr. 38 van zijn MvG stelt de man dat er geen reden was om over te gaan tot het doen leggen van beslag. De man wenst om die reden van de vrouw terugbetaald te krijgen de kosten van beslaglegging van € 1.883,41.

32. In nr. 63 en 64 van haar MvA heeft de vrouw verweer gevoerd. Uit het betoog van de vrouw volgt dat beslaglegging noodzakelijk was aangezien de man niet vrijwillig uitvoering gaf aan het vonnis.

33. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw de man heeft gesommeerd om te betalen. Nu de man daartoe niet tijdig is overgegaan, kon de vrouw executoriaal beslag leggen. De kosten dient de man derhalve zelf te dragen. Van een onrechtmatig handelen van de vrouw is geen sprake nu zij handelde in overeenstemming met een rechterlijke beslissing.

Huurschade en schade niet kunnen aanschaffen van een eigenwoning

34. De vrouw stelt dat de man heeft geweigerd om de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2012 deugdelijk na te komen. Door het handelen van de man stelt de vrouw schade te hebben geleden, te weten de kosten die zij in de periode van 1 april 2015 tot juni 2018 heeft moeten maken voor het huren van een woning. Deze schade begroot zij op een bedrag van € 51.184,-Ook claimt zij een schade van € 70.000,- aangezien zij door het handelen van de man geen eigen woning heeft kunnen kopen.

35. Door de man is verweer gevoerd. De man heeft gesteld dat hij niet jegens de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de man is niet voldaan aan de criteria van artikel 6:162 BW.

36. Het hof overweegt als volgt. Voor aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW dient te worden voldaan aan een vijftal vereisten, te weten: een onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, net als in eerste aanleg, wederom niet voldaan aan haar stelplicht. In nr. 83 van haar MvG stelt zij dat uit het kopje ‘voorgeschiedenis’ volgt dat het doen en nalaten van de man onmiskenbaar te kwalificeren is als een onrechtmatige daad van de man jegens de vrouw. Dat partijen – als gevolg van een verstoorde echtelijke relatie – acht jaar met elkaar procederen, wil niet zeggen dat de ene echtgenoot daardoor jegens de andere echtgenoot onrechtmatig handelt. Beide partijen hebben hun aandeel in het conflict. Dat de vrouw van mening is dat de man met wat goede wil ervoor had kunnen zorgen dat de vrouw een woning had kunnen kopen (nr. 21 van haar MvA), is geen rechtsgrond uit hoofde waarvan de man jegens de vrouw een zodanige zorgplicht zou hebben. Het is aan de vrouw om zelf te beslissen of zij een woning wil kopen of huren. Door de echtscheiding is de op artikel 1:81 BW gebaseerde lotsverbondenheid van het huwelijk verbroken, de alimentatieverplichting daargelaten.

37. De echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2012 is helder met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De woning aan de [straatnaam] is aan de man toegedeeld en de woning te [plaatsnaam] moest worden verkocht. Het is een algemeen bekend gegeven dat de woningmarkt in 2012 op een dieptepunt verkeerde en verkoop moeizaam was. Op basis van de beschikking had de vrouw maatregelen kunnen nemen om uit de onverdeeldheid te geraken.

38. Voor de stelling dat de man draagplichtig is voor de huur die de vrouw heeft betaald in de periode april 2015 tot en juni 2018 ontbreekt naar het oordeel van het hof iedere rechtsgrond.

39. Met de gepretendeerde vorderingen van de vrouw verscherpt de vrouw ook zelf weer de verhoudingen tussen partijen.

Wettelijke rente

40. De vrouw vordert de wettelijke rente met betrekking tot de waarde van de Volkswagen [volgt type] vanaf 1 januari 2012 en met betrekking tot de polis van Interpolis vanaf 8 juni 2015. In nr. 87 van haar MvA vraagt de vrouw ook de wettelijke rente over het depotbedrag van € 248.379,49. In nr. 88 van haar MvA vraagt de vrouw de wettelijke rente over het uitkoopbedrag van € 305.000,-.

41. Door de man is verweer gevoerd. De man is van mening dat er geen sprake is van verzuim. Met betrekking tot de wettelijke rente over het depotbedrag heeft de man gesteld dat de rente over het depot tijdens de periode van depot bij helfte is verdeeld. In nr. 52 van zijn MvA stelt de man met betrekking tot de wettelijke rente inzake het bedrag van € 305.000,- dat de vordering eerst op 20 september 2017 is vastgesteld.

42. Het hof overweegt als volgt. De verdeling is voltooid op het moment dat er ook overeenstemming is bereikt over de financiële afwikkeling. De vraag of wettelijke rente verschuldigd is over de overbedelingsvordering dient naar het oordeel van het hof beoordeeld te worden in het kader van de gehele verdeling en niet per boedelbestanddeel. De vordering tot betaling ontstaat door de verdeling zelf. Tot op heden bestaat tussen partijen geen overeenstemming over welke bedragen partijen over en weer verschuldigd zijn uit hoofde van de verdeling. Derhalve kan de man met betrekking tot de mogelijke vordering van de vrouw eerst in verzuim zijn indien het onderhavige arrest in kracht van gewijsde is gegaan. De grief van de vrouw faalt daarmee.

Compensatie proceskosten

43. De vrouw is het er niet mee eens dat de rechtbank de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.

44. De man is van mening dat er geen gronden aanwezig zijn om af te wijken van de regel dat de proceskosten tussen ex-echtgenoten dienen te worden gecompenseerd.

45. Het hof overweegt als volgt. Uit het procesdossier volgt duidelijk dat beide partijen een aandeel hebben in het conflict als gevolg waarvan de zaak tussen partijen is geëscaleerd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd, zowel in eerste aanleg als in appel.

Vordering vrouw op man

46. In rechtsoverweging 3.51 en 3.52 van het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank berekend wat de man aan de vrouw moet betalen. Met betrekking tot opnames in contanten heeft de rechtbank geoordeeld dat de man vanaf 26 september 2012 de wettelijke rente aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank heeft de wettelijke rente berekend over een bedrag van € 10.200,-. Het hof is van oordeel dat de man op basis van artikel 3:194 lid 2 BW een bedrag van € 23.400,- aan de gemeenschap heeft onttrokken. Het bedrag van € 23.400,- behoort tot de ontbonden gemeenschap, echter de man heeft in dat bedrag geen aandeel. De man is eerst wettelijke rente over de overbedelingsvordering verschuldigd vanaf het moment dat de verdeling en daarmee de overbedelingsvordering vaststaat, dat wil zeggen vanaf het moment dat het onderhavige arrest in kracht van gewijsde gaat. De berekening van de vordering van de vrouw op de man wordt anders, aangezien het saldo van € 23.400,- uitsluitend toekomt aan de vrouw en de man niet aan de vrouw verschuldigd is de bedragen van € 1.347,- en € 13.890,25, maar slechts een bedrag van € 6.294,76. De man moet dan aan de vrouw betalen een bedrag van € 43.164,04 en de vrouw dient aan de man te betalen een bedrag van € 5.824,76, hetgeen per saldo resulteert in een vordering van € 37.339,28 van de vrouw op de man. De wettelijke rente is de man eerst verschuldigd na het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 20 september 2017 van de rechtbank Den Haag voor zover de man aan de vrouw moet betalen een bedrag van € 33.081,77 tot een bedrag van € 10.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012, voor het overige te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van acht weken na de betekening van het vonnis en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om binnen twee maanden na datum van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 37.339,28 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover voorts aan het oordeel van het hof onderworpen.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en F. Ibili, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.