Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2796

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
200.240.778/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen broers of bij leven van erflater op enigerlei wijze geld is onttrokken. Ondertekening leningovereenkomsten door erflater. Wilsgebrek - geestelijke stoornis art. 3:34 BW - en/of misbruik van omstandigheden. Wettelijk kader geschetst en vervolgens toegepast op deze zaak. Pinopnamen. Onrechtgerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/356
NJF 2019/585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.240.778/01
Zaak- en rolnummer rechtbank: C/09/527460 / HA ZA 17-203

arrest van 1 oktober 2019

inzake

[broer een]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.Y. Renken te Leiden,

tegen

[broer twee]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.

1 Het procesverloop

1.1.

Appellant is op 6 juni 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van

de rechtbank Den Haag van 21 maart 2018 (hierna: het bestreden vonnis). Vervolgens is verstek tegen geïntimeerde verleend. Daarna heeft appellant een memorie van grieven met 14 grieven ingediend, het dossier gefourneerd en arrest gevraagd. Op 25 september 2018 is het verstek gezuiverd, waarna geïntimeerde op 4 december 2018 een memorie van antwoord heeft ingediend.

1.2.

Op verzoek van appellant heeft het hof pleidooi bepaald, dat is gehouden op 24 april

2019. Verschenen zijn partijen met hun advocaten. Voorafgaand aan het pleidooi heeft appellant producties 41 t/m 55 met een toelichting ingediend, waarvan bij pleidooi akte is genomen. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

1.3.

Het hof beslist in overleg met de advocaten op het procesdossier dat was

gedeponeerd voor arrest, onder aanvulling van de genoemde memorie van antwoord, akte van appellant en pleitnotities.

2 De feiten

De rechtsoverwegingen 2.1. - 2.23. van het bestreden vonnis bevatten de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal, voor zover daartegen geen grieven zijn gericht, van deze feiten uitgaan.

3 Het geschil

3.1.

Appellant heeft in eerste aanleg vorderingen ingesteld die - kort gezegd - verband houden met de nalatenschap van erflater. De rechtbank heeft geïntimeerde veroordeeld tot betaling aan de boedel van € 10.696,- vermeerderd met wettelijke rente en van een bedrag aan rente van 2,2% over de door erflater aan geïntimeerde verstrekte lening. Verder is het meer of anders gevorderde afgewezen, onder compensatie van de proceskosten.

3.2.

Appellant vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover daartegen beroep is ingesteld en opnieuw rechtdoende (kort samengevat en genummerd):

  1. voor recht verklaart dat de overeenkomsten van 21 april 2010, 17 maart 2011, 11 mei 2011, 14 februari 2012 en 1 februari 2013 (buitengerechtelijk) zijn vernietigd;

  2. voor recht verklaart dat geïntimeerde zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt door zich op onrechtmatige wijze gelden en goederen te hebben toegeëigend;

  3. vaststelt de totaalvordering van de nalatenschapsboedel dan wel van appellant op geïntimeerde conform randnummer 121 van de appeldagvaarding en de uiteindelijke verdeling van de nalatenschap;

  4. geïntimeerde veroordeelt tot betaling van “het totaalbedrag dat via de nalatenschapsboedel aan appellant toekomt”, te weten van € 214.806,-;

  5. voorwaardelijk, voor zover noodzakelijk om de hiervoor genoemde vorderingen nader te kunnen bepalen, geïntimeerde gelast een boedelbeschrijving te maken en rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer;

met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties.

3.3.

Geïntimeerde concludeert tot afwijzing van de vorderingen van appellant en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van appellant in de proceskosten in beide instanties.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn broers van elkaar en enig erfgenamen van hun vader, die [in] 2014 is overleden (hierna: erflater). Beide partijen hebben erflater tijdens zijn leven geholpen met zijn financiën, appellant tot 2010 en geïntimeerde daarna. Appellant is ontevreden over de wijze waarop geïntimeerde dat heeft gedaan. Volgens appellant was erflater in de jaren voor zijn overlijden niet meer in staat om financiële beslissingen te nemen, althans is hij daarin gestuurd door geïntimeerde. Geïntimeerde en zijn familieleden zijn in die periode door toedoen van geïntimeerde ten onrechte bevoordeeld, aldus nog steeds appellant. Geïntimeerde betwist dit alles.

Grief 1: ondertekening leningsovereenkomsten?

4.2.

Met deze grief komt appellant op tegen rechtsoverwegingen 2.6. en 2.7 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank als feit vastgesteld dat er op 21 april 2010, 17 maart 2011, 11 mei 2011, 14 februari 2012 en 1 februari 2013 (nadere) leningovereenkomsten zijn getekend door geïntimeerde en erflater. Volgens appellant heeft hij van meet af aan betwist dat deze leningsovereenkomsten door erflater zijn getekend.

4.3.

Anders dan appellant betoogt, heeft hij de ondertekening door erflater in eerste aanleg niet (stellig) betwist. Zo heeft appellant juist gesteld dat geïntimeerde erflater, terwijl hij niet langer in staat was zijn wil te bepalen, de overeenkomst van 1 februari 2013 heeft laten tekenen (nr. 32 van de inleidende dagvaarding). Ook in zijn akte wijziging c.q. vermeerdering eis in eerste aanleg gaat appellant uit van het bestaan van de tussen erflater en geïntimeerde gesloten leningovereenkomsten, zoals de rechtbank in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 4.3. heeft overwogen en waartegen geen grief is gericht. Op de comparitie in eerste aanleg is namens appellant onder meer verklaard dat appellant het idee heeft dat er misbruik van omstandigheden is gemaakt bij de leningovereenkomsten en dat erflater geholpen moet zijn met het zetten van zijn handtekening. Uit deze stellingen van appellant is af te leiden dat hij zich in eerste aanleg (alleen) op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een wilsgebrek van erflater althans van misbruik van omstandigheden. In hoger beroep stelt appellant ter toelichting op de grief dat het er alle schijn van heeft dat de overeenkomsten later zijn opgesteld en dus niet mede door erflater zijn ondertekend en dat het niet aannemelijk is dat de overeenkomsten door erflater en geïntimeerde gezamenlijk zijn opgesteld en ondertekend. In deze toelichting voert appellant verder voornamelijk aan dat - kort gezegd - sprake is van een wilsgebrek, althans misbruik van omstandigheden. Mede in het licht bezien van de hiervoor aangehaalde stellingen in eerste aanleg en het feit dat de vordering betreffende de vernietiging van de overeenkomsten (zie hiervoor onder 3.2.) niet voorwaardelijk of subsidiair is ingesteld, is er naar het oordeel van het hof ook in hoger beroep geen sprake van een stellige ontkenning van de ondertekening door erflater (in de zin van artikel 159 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, hierna: Rv). Gelet op het voorgaande gaat het hof - met de rechtbank - uit van het bestaan van de leningovereenkomsten.

Grieven 2-8 en 10, 11, 13 en 14: wilsgebrek en misbruik van omstandigheden?

4.4.

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met de grieven 2-8 en 10 betoogt appellant - zo leidt het hof mede af uit de pleitnotities namens appellant - dat aan de nadere leningovereenkomsten met geïntimeerde en de schenkingen aan geïntimeerde en anderen de wil van erflater ontbrak vanwege een geestelijke stoornis bij hem in de zin van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans dat deze tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden door geïntimeerde in de zin van artikel 3:44 BW. De grieven 11, 13 en 14 bouwen daarop voort. Geïntimeerde betwist dit alles gemotiveerd.

4.5.

Het hof zal eerst kort stilstaan bij het toepasselijk wettelijk kader. Artikel 3:34 lid 1 BW bepaalt het volgende. Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien. Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand, of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

4.6.

Indien de wil ontbreekt of indien sprake is van misbruik van omstandigheden, is de rechtshandeling op grond van artikel 3:34 lid 2 BW althans artikel 3:44 lid 1 BW - anders dan appellant tot uitgangspunt lijkt te nemen (nr. 104 memorie van grieven en nr. 2 pleitnotities) - vernietigbaar. In dat verband zijn ook de artikelen 3:50 en 3:51 BW relevant. Artikel 3:50 lid 1 BW bepaalt dat een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt wordt gericht tot hen die partij bij die rechtshandeling zijn. Artikel 3:51 lid 2 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn. Voor zover appellant zich beroept op (de gevolgen van) vernietiging in rechte van de schenkingen aan anderen dan geïntimeerde (waarbij de vordering tot vernietiging dan zou moeten worden ingelezen in zijn overige vorderingen, aangezien appellant dit niet uitdrukkelijk vordert), kan dit niet slagen omdat appellant die anderen niet in dit geding heeft betrokken. De rechtbank heeft terecht op deze wijze geoordeeld in het bestreden vonnis. Voor zover appellant zich beroept op buitengerechtelijke vernietiging van de schenkingen aan anderen dan geïntimeerde, kan ook dat niet slagen. Appellant stelt namelijk niet dat hij deze schenkingen door middel van een verklaring gericht aan hen heeft vernietigd. Bovendien geldt dat indien als gevolg van die vernietiging de betalingen aan anderen dan geïntimeerde zonder rechtsgrond zijn verricht, hij (terug)betaling kan vorderen van die derden, en niet van geïntimeerde. In het navolgende zal het hof dan ook alleen ingaan op de stellingen van appellant betreffende het wilsgebrek en de misbruik van omstandigheden voor zover deze de leningovereenkomsten met en de schenkingen aan geïntimeerde betreffen. Voor zover de grieven betrekking hebben op schenkingen aan derden, slagen zij niet. Bij de bespreking van grief 12 zal het hof wel ingaan op de stellingen van appellant over die schenkingen, voor zover appellant zich ter zake op onrechtmatige daad door geïntimeerde beroept.

4.7.

Het hof brengt eerst in kaart op welke schenkingen aan geïntimeerde appellant doelt. Het hof gaat daarbij uit van de meeste recente opstelling van appellant, namelijk productie 39 bij memorie van grieven, die afwijkt van de opstelling in de inleidende dagvaarding (nr. 20). Daaruit leidt het hof af dat appellant doelt op schenkingen op 1 april 2010 (€ 5.000,-), 4 juli 2011 (€ 200,-), 20 februari 2012 (€ 5.030,-), 7 januari 2013 (€ 5.141,-) en 7 januari 2014

(€ 5.229,-). Het bedrag van € 200,- betreft volgens de omschrijving van appellant een verjaarsgeschenk aan geïntimeerde. Voor het overige gaat het om jaarlijkse schenkingen aan geïntimeerde. Vaststaat dat erflater jaarlijks schenkingen deed aan zijn kinderen en kleinkinderen. Ook appellant heeft deze schenkingen in 2010, 2013 en 2014 in ontvangst genomen. Alleen in 2011 en 2012 heeft appellant deze schenkingen niet ontvangen. Toen was de relatie tussen erflater en appellant volgens geïntimeerde gebrouilleerd. Wat de (nadere) leningovereenkomsten betreft, gaat het om overeenkomsten van 21 april 2010, 17 maart 2011, 11 mei 2011, 14 februari 2012 en 1 februari 2013. In deze overeenkomsten hebben erflater en geïntimeerde een lagere rente en aflossingen op de lening vastgelegd.

4.8.

Voor een succesvol beroep op artikel 3:34 BW moet eerst vaststaan dat sprake was van een geestelijke stoornis in de zin van die bepaling ten tijde van de rechtshandelingen in kwestie. Het is aan appellant die zich op de (gevolgen van) vernietiging van bovengenoemde rechtshandelingen beroept om voldoende gemotiveerd te stellen dat ten tijde daarvan (telkens of nog steeds) een dergelijke geestelijke stoornis aanwezig was. Van een geestesstoornis in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW is sprake in alle gevallen waarin de handelende persoon niet over een normale wil beschikt en zich geen rekenschap kan geven van wat hij doet of van de strekking van de handeling (zie conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense, ECLI:NL:PHR:2013:2378, 8, bij HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:414).

4.9.

Het betoog van appellant komt erop neer dat de geestvermogens van erflater gedurende zijn laatste levensjaren blijvend gestoord waren door vasculaire dementie.

Dit betoog vindt onvoldoende steun in de door appellant overgelegde (medische) stukken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op 13 februari 2013 is na neuropsychologisch onderzoek een beeld gezien dat het meest passend is bij een vasculaire dementie. Geconcludeerd werd dat sprake was van cognitieve stoornissen, die wisselend aanwezig waren en zijn ontstaan na de bypass operatie en aortaklepvervanging in oktober 2012 en zijn verergerd na een val en operatie in november. Oftewel: de cognitieve stoornissen zijn pas ontstaan na oktober 2012 en waren op 13 februari 2013 nog wisselend aanwezig. Dat de cognitieve stoornissen toen zo ernstig waren dat moet worden gesproken van een geestelijke stoornis in voormelde zin, volgt niet uit de overgelegde medische stukken. De rechtbank is in het bestreden vonnis uitgebreid op deze medische stukken ingegaan en heeft geconcludeerd dat - kort gezegd - daaruit niet een geestelijke stoornis blijkt. Het hof verenigt zich met deze motivering. De in hoger beroep overgelegde stukken maken dit niet anders. Zij bevestigen weliswaar het beeld dat erflater in de jaren voorafgaand aan zijn overlijden ernstige gezondheidsproblemen had, maar ook daaruit valt niet af te leiden dat erflater zich geen rekenschap meer kon geven van wat hij deed of van de strekking van zijn handelingen en dus een blijvende geestelijke stoornis had, althans dat hij ten tijde van de rechtshandelingen in kwestie telkens aan een geestelijke stoornis leed. Appellant trekt in zijn (schriftelijke en mondelinge) toelichting op deze stukken conclusies die deze stukken niet kunnen dragen. Zo stelt appellant dat uit productie 50, een verslag van 3 april 2013, volgt dat erflater continu last had van een delier. Het verslag betreft echter (alleen) de periode van 19 november tot 3 december 2012. Geïntimeerde brengt terecht naar voren dat sprake was van een delier volgend op de operatie van erflater voorafgaand aan die periode. In het verslag valt verder te lezen: “In de loop van de dagen verbleekt het delier en wordt de haloperidol afgebouwd.” Verder stelt appellant met verwijzing naar productie 41 dat erflater is overleden ten gevolge van dementie. Uit die productie volgt echter dat erflater is overleden door een longontsteking.

4.10.

Een sterke aanwijzing dat erflater (in ieder geval) vanaf 21 maart 2013 leed aan een geestelijke stoornis zou kunnen worden gevonden in het feit dat hij toen definitief is geplaatst op de gesloten psychogeriatrische afdeling van [naam zorginstelling] . Die conclusie trekt het hof - met de rechtbank - hier echter niet. Daarbij acht het hof van belang dat appellant zelf in die periode niet uitging van een geestelijke stoornis bij erflater. Dit volgt uit de e-mail van appellant aan geïntimeerde van 5 maart 2013. Deze e-mail was een reactie op een e-mail van geïntimeerde aan appellant van 27 februari 2013, waarin hij schrijft dat erflater in een gesprek met hem en zijn echtgenote heeft verteld dat hij het kindsdeel van de erfenis van de moeder van partijen (alvast) wenst uit te betalen en waarin hij vraagt of appellant daarmee akkoord gaat. In antwoord daarop schrijft appellant op 5 maart 2013 aan geïntimeerde: “Ben vandaag bij pa op bezoek geweest en geverifieerd dat het zijn uitdrukkelijk wens is moeders erfdeel nu toch aan ons uit te betalen. Uiteraard respecteer ik zijn beslissing.” Vervolgens heeft geïntimeerde namens erflater een bedrag van € 31.972,- aan appellant uitbetaald. Daarnaast heeft (ook) appellant op 7 januari 2013 en 7 januari 2014 de jaarlijkse schenkingen van erflater in ontvangst genomen. Appellant heeft in het licht van deze omstandigheden zijn stelling dat erflater ten tijde van de betreffende rechtshandelingen leed aan een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Bovendien geldt nog het volgende. Indien al uit de opname van erflater op

21 maart 2013 de conclusie kan worden getrokken dat vanaf die datum sprake was van een blijvende geestelijke stoornis, dan zou dit alleen de schenking aan geïntimeerde op 7 januari 2014 aantastbaar maken. Het hof verwijst voor het overzicht van de schenkingen aan geïntimeerde naar 4.7. hiervoor. Dit zou dan echter ook gelden voor de schenking van erflater - van hetzelfde bedrag en op dezelfde datum - aan appellant. Appellant zou in dat geval dus per saldo niets te vorderen hebben van geïntimeerde.

4.11.

Over het gestelde misbruik van omstandigheden overweegt het hof het volgende. Grief 4 is gericht tegen de eerste volzin van rechtsoverweging 4.13. van het bestreden vonnis. Daarin overweegt de rechtbank dat zij ook geen grond ziet voor toewijzing van de vordering tot vernietiging van de leningovereenkomsten op grond van misbruik van omstandigheden omdat niet is komen vast te staan dat erflater in de periode dat hij deze overeenkomsten heeft getekend wilsonbekwaam was. Juist is de stelling van appellant dat het ontbreken van een wil ex artikel 3:34 BW niet uitsluit dat sprake is van misbruik van omstandigheden ex artikel 3:44 BW. Maar appellant heeft in eerste aanleg ook zijn beroep op misbruik van omstandigheden gegrond op de stelling dat erflater niet in staat was zijn wil te bepalen (nr. 32 van de inleidende dagvaarding en de akte wijziging c.q. vermeerdering eis van appellant). Het oordeel van de rechtbank moet in dat licht worden bezien. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen onderschrijft het hof dat oordeel. Anders dan appellant stelt in hoger beroep, heeft de rechtbank (in 4.13.) ook verder getoetst of is voldaan aan de vereisten van artikel 3:44 BW. De rechtbank oordeelt dat appellant te weinig feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de zware beschuldiging van misbruik van omstandigheden kunnen dragen en dat de enkele omstandigheid dat erflater niet meer goed kon zien niet de conclusie rechtvaardigt dat daarvan dus misbruik is gemaakt. Ook gaat de rechtbank in op uitspraken van erflater dat hij zijn kinderen altijd gelijk wilde behandelen. Tegen deze oordelen heeft appellant geen (voldoende kenbare en gemotiveerde) grieven gericht.

4.12.

Wel grieft appellant met grief 5 tegen de laatste twee volzinnen van rechtsoverweging 4.13., waarin de rechtbank overweegt bij haar oordeel tevens de verklaring van mevrouw [volgt naam] , de partner van erflater, mee te wegen. Geïntimeerde heeft deze verklaring in eerste aanleg overgelegd ter onderbouwing van zijn verweer tegen het beeld dat appellant schetst van (de lichamelijke en geestelijke toestand van) erflater. Het had op de weg van appellant gelegen om (voldoende gemotiveerd) in te gaan op de inhoud van deze - gedetailleerde - verklaring. Dat heeft appellant echter niet gedaan. Grief 5 faalt in zoverre.

4.13.

Appellant stelt in zijn toelichting op deze grieven nog dat de wil van erflater gebrekkig tot stand is gekomen, zeker als het gaat om de overeenkomst van 1 februari 2013, toen erflater neurologisch werd onderzocht ten behoeve van de CIZ indicatie. Het hof overweegt hierover als volgt. Het is aan appellant die zich beroept op misbruik van omstandigheden om voldoende concreet en onderbouwd te stellen dat voldaan is aan alle wettelijke vereisten (zie hiervoor onder 4.5.). Het enkele feit dat erflater zich sinds eind 2012 in een slechtere gezondheidstoestand (en daardoor afhankelijkere positie) bevond, betekent nog niet dat geïntimeerde zich had moeten onthouden van het aangaan van deze overeenkomst met erflater en dat de overeenkomst niet tot stand was gekomen indien erflater zich niet in deze omstandigheden bevond. Dat daarvan sprake was, volgt niet uit de stellingen van appellant. In dit licht is ook rechtsoverweging 4.12. van het bestreden vonnis relevant, waarin is overwogen dat de inhoud van de overeenkomst van 1 februari 2013 aansluit bij de eerdere leningovereenkomsten en weinig nieuws bevat, anders dan dat gedaagde € 5.000,- op de lening heeft afgelost. Daartegen heeft appellant geen grief gericht. Het hof herhaalt dat (ook) appellant in 2013 en 2014 schenkingen van erflater in ontvangst heeft genomen. Dat staat haaks op de (impliciete) stelling van appellant dat geïntimeerde zich daarvan had moeten onthouden. De conclusie is dat ook de grieven 4 en 5 falen.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2-8 en 10 falen. De daarop voortbouwende grieven 11, 13 en 14 falen daarom ook.

Grief 9; pinopnamen

4.15.

Grief 9 is gericht tegen rechtsoverweging 4.24. van het bestreden vonnis. Volgens appellant overweegt de rechtbank daarin ten onrechte dat hij zijn stellingen betreffende de pinopnamen onvoldoende heeft toegelicht. Appellant meent kennelijk - zo leidt het hof af uit zijn relaas - dat geïntimeerde geld van erflater heeft gepind en voor zichzelf heeft aangewend. Geïntimeerde is na de comparitie in eerste aanleg in de gelegenheid gesteld om de besteding van de pinopnamen (nader) te specificeren, zodat appellant aan de hand daarvan zijn stellingen kan aanvullen. In zijn akte van 22 november 2017 heeft geïntimeerde deze specificatie gegeven (nr. 4) en onderbouwd met schriftelijke verklaringen. Daarin is bijvoorbeeld vermeld dat erflater in september 2013 zijn verjaardag heeft gevierd in een restaurant met tien familieleden, waaronder de zoon van appellant. Het lag op de weg van appellant om op deze specificatie in te gaan. Zowel in zijn antwoordakte van 20 december 2017 in eerste aanleg als in zijn memorie van grieven gaat appellant daarop echter in het geheel niet in. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat appellant zijn stellingen betreffende de pinopnamen onvoldoende heeft uitgewerkt en onderbouwd. Grief 9 faalt dus.

Grief 12; ongerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatige daad ?

4.16.

Grief 12 is gericht tegen rechtsoverweging 4.33. van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de rechtbank dat appellant zijn stelling dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatige daad niet nader heeft toegelicht en daarom niet opgaat. In de toelichting op deze grief verwijst appellant (slechts) naar zijn algemene toelichting op de grieven. Ook daarin gaat appellant echter niet in op de gestelde ongerechtvaardigde verrijking. Uit zijn pleitaantekeningen leidt het hof af dat appellant kennelijk bedoelt aan te voeren dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking als (rechts)gevolg van het ontbreken van de wil van erflater, althans misbruik van omstandigheden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dat niet opgaat. Grief 12 faalt in zoverre.

4.17.

Voor zover grief 12 de gestelde onrechtmatige daad betreft, overweegt het hof het volgende. Appellant voert in de kern aan dat geïntimeerde zich het geld van erflater heeft toegeëigend om cadeaus voor anderen te kopen (zie ook nr. 19 pleitaantekeningen).

Deze - vergaande - stelling heeft appellant echter onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. Appellant lijkt ervan uit te gaan dat de door hem gestelde onrechtmatige gedragingen zonder meer uit het dossier volgen. Dat is echter niet juist gelet op het volgende. Vaststaat dat in de familie van partijen sprake was van een schenkingstraditie, waarbij erflater ook aan zijn kleinkinderen jaarlijkse schenkingen deed van (ongeveer) € 2.000,-. Volgens geïntimeerde is op 12 juli 2012 en 19 november 2012 sprake geweest van extra schenkingen van telkens

€ 5.000,- aan respectievelijk kleinkind [naam een] en kleinkind [naam twee] ter gelegenheid van hun afstuderen. Dit vindt steun in de door geïntimeerde overgelegde stukken: de kaart van erflater aan kleinkind [naam een] ter gelegenheid van haar afstuderen (productie 19) en de schriftelijke verklaringen van de kleinkinderen (productie 12), waarin kleinkind [naam twee] onder meer verklaart dat erflater op 16 november 2012 aanwezig was bij zijn afstuderen en hem daar persoonlijk, met een wenskaart, de gift van € 5.000,- heeft medegedeeld. Ook heeft geïntimeerde aangevoerd dat twee keer een auto, althans een financiële bijdrage daarvoor, is geschonken door erflater aan zijn echtgenote. Ook deze stelling vindt steun in de door geïntimeerde overgelegde stukken: de schriftelijke verklaring van de partner van erflater (productie 1), de brief van erflater aan de echtgenote van geïntimeerde van 9 november 2013, waarin is vermeld dat erflater een nieuwe auto schenkt als dank voor de ontvangen liefde, zorg en hulp (productie 4), de ‘Ontvangstbevestiging eurobiljetten’ van de Rabobank, waarop is vermeld dat erflater contanten heeft opgenomen en zich daarbij heeft geïdentificeerd (productie 17) en het aankoopbewijs van 9 november 2013, met de vermelding dat betaling plaatsvindt door erflater en ondertekend door erflater (productie 13). Oftewel: uit het dossier komt naar voren dat in het gezin van geïntimeerde sprake was van bijzondere omstandigheden, die aanleiding konden zijn tot het doen van extra schenkingen door erflater. Appellant heeft ook in het licht daarvan onvoldoende (concrete) feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie kunnen leiden dat geïntimeerde zich onrechtmatig heeft gedragen. De conclusie is dat grief 12 geheel faalt.

Bewijsaanbod

4.18.

Het hof passeert het bewijsaanbod van appellant (algemeen onder nr. 118 en

specifiek onder nr. 99 van de memorie van grieven). Zoals uit de bespreking van de grieven van appellant volgt, heeft appellant ter zake onvoldoende gesteld. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan het leveren van bewijs. Daarbij komt dat het algemeen bewijsaanbod onvoldoende specifiek en concreet is. Appellant heeft namelijk niet gesteld ten aanzien van welke feitelijke stellingen hij bewijs wenst te leveren en wie daarover kunnen verklaren.

Conclusie en proceskosten

4.19.

Het hof concludeert dat alle grieven falen. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis bekrachtigen en de vorderingen van appellant afwijzen.

4.20.

Partijen zijn broers van elkaar. Het hof zal daarom op grond van artikel 237 lid 1 Rv de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten in hoger beroep zal betalen.

4.21.

Voor zover in het petitum van appellant en de conclusie van geïntimeerde een (incidentele) grief moet worden gelezen tegen de compensatie van proceskosten in eerste aanleg, faalt deze. De rechtbank mocht gelet op artikel 237 lid 1 Rv de proceskosten compenseren. Beide partijen hebben niet naar voren gebracht waarom de rechtbank in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik had mogen maken.

5 De beslissing

Het hof:

5.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

5.2.

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.H.M. van der Heiden, A.E. Sutorius-Van Hees en J.M. van Baardewijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.