Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2795

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
200.261.792/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident. Schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Bestreden vonnis strekt onder andere tot verkoop van de voormalige echtelijke woning. Nu man daar met de kinderen verblijft valt de in het kader van het verzoek tot schorsing te maken belangenafweging in casu in zijn voordeel uit. Hof schorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.261.792/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/562203/ HA ZA 18-1075

arrest in incident van 1 oktober 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. K.Y. van Oosten te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.N.R. Nasrullah te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 27 juni 2019 is appellant in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank te Rotterdam, Team handel en haven, op 27 maart 2019 tussen partijen gewezen vonnis, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De grieven zijn bij exploot genomen. Tevens heeft de man bij voormeld exploot een incident geopend, waarin hij de schorsing vordert van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis.

Conform de desbetreffende beslissing van de rolraadsheer is het recht van de vrouw om een antwoordconclusie in het incident te mogen nemen, vervallen.

De man heeft gefourneerd, zowel in het incident als in de hoofdzaak, en arrest gevraagd.

Beoordeling van het incident

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn gewezen echtgenoten. Zij waren in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van 21 november 2016 van de rechtbank Rotterdam is - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is aan de man het voortgezet gebruik van de woning en inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking toegekend. De echtscheidingsbeschikking is op 19 december 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het inleidende verzoek van de vrouw, opgenomen in de dagvaarding van 6 november 2018, strekt tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, waaronder de voormalige echtelijke woning. In eerste aanleg is het recht van de man om te mogen concluderen voor antwoord vervallen verklaard.

2. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

  • -

    onder 3.1 bepaald dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij de opbrengst alsmede de overwaarde ervan aan partijen ieder voor de helft toekomt;

  • -

    onder 3.2 bepaald dat de vrouw binnen één week na betekening van het vonnis een makelaar aanwijst;

  • -

    onder 3.3 de man veroordeeld om aan de vrouw binnen één week na betekening van het vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde;

  • -

    onder 3.4 de man veroordeeld om aan de vrouw binnen één week na betekening van het vonnis een dwangsom te betalen van € 200,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 3.3 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt;

  • -

    onder 3.5 de man veroordeeld om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 17.750,-

  • -

    onder 3.6 bepaald dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

  • -

    onder 3.7 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    onder 3.8 het meer of anders gevorderde afgewezen.

3. De man vordert thans in het incident de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen.

4. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op de voet van artikel 351 Rv geldt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688) het volgende:

(I) De eiser in het incident moet belang hebben bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging.

(II) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

(III) Bij deze afweging moet ervan worden uitgegaan dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Uitgangspunt zijn de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft in beginsel buiten beschouwing. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan beroep is ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(IV) Indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(V) Indien in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (IV) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (I)-(III) vermelde.

5. Nu de rechter in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dient het hof te oordelen met inachtneming van het in de vorige rechtsoverweging onder (I)-(III) vermelde.

6. Het belang van de man bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is volgens hem daarin gelegen dat hij tot de uitspraak in hoger beroep samen met de kinderen van partijen in de woning kan blijven wonen. Voor zover de vrouw dwangsommen zou innen, wijst de man op het risico dat - mocht zijn hoger beroep slagen - de vrouw de achteraf ten onrechte geïnde dwangsommen niet aan hem kan terugbetalen. Ook stelt de man dat hij belang heeft bij een eerlijk proces, nu in eerste aanleg door toedoen van zijn toenmalige advocaat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

7. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij belang heeft bij voortvarende verkoop van de voormalige echtelijke woning, zodat zij kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en zelf een koopwoning kan aanschaffen.

8. Het hof overweegt dat in het kader van de schorsingsvordering gesteld noch gebleken is dat het bestreden vonnis op een juridische of feitelijke misslag zou berusten. Het hof is evenmin gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden van na het bestreden vonnis die ertoe zouden moeten leiden dat van de beslissing in eerste aanleg dient te worden afgeweken.

9. In de gegeven omstandigheden weegt naar het oordeel van het hof het belang van de man bij een schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder dan het belang dat de vrouw heeft indien het bestreden vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Het hof acht van doorslaggevend belang dat de kinderen van partijen, waaronder volgens de genoemde beschikking van 21 november 2016 een minderjarige op dit moment in de leeftijd van 14 jaar, in de woning kunnen verblijven wanneer zij bij de man zijn, totdat in hoger beroep over de hoofdzaak is beslist. Dit biedt de man tevens de gelegenheid zich nader te beraden over zijn woonsituatie en die van de kinderen en de in dat kader te treffen maatregelen. In het licht van het vorenstaande acht het hof het door de vrouw in eerste aanleg gestelde belang minder prangend. Weliswaar zou zij liever op korte termijn in staat zijn een koopwoning aan te schaffen, vast staat echter dat zij op dit moment in ieder geval de beschikking over woonruimte heeft.

10. De vordering van de man tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis wordt derhalve toegewezen voor zover het de onderdelen 3.1 tot en met 3.4 van het dictum betreft. Gelet daarop, behoeven de overige stellingen van de man in het incident geen nadere bespreking, nu de man daarbij geen belang meer heeft.

11. Voor zover de man met het onderhavige incident heeft beoogd tevens schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling tot het voldoen van een bedrag van
€ 17.500,- aan de vrouw te vorderen, overweegt het hof dat de man daartoe niets heeft aangevoerd. Het hof zal zijn vordering derhalve in zoverre afwijzen.

12. Vanwege de familierechtelijke aard van het onderhavige geschil, zal het hof de proceskosten van dit incident tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

wijst toe de vordering van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis voor zover het betreft de onder 3.1 tot en met 3.4 in het dictum gegeven beslissingen;

wijst het in het incident meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van dit incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verwijst de zaak naar de rol van 12 november 2019 voor memorie van antwoord in de hoofdzaak.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.C. Olland en A.A.F. Donders en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.