Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2792

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
200.241.310/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil over waardering nalatenschap vader, met name percelen grond. Anti-speculatiebeding. Boedelbeschrijving. Akte tot legaat en vestiging vruchtgebruik onrechtmatig? Eiswijziging aan beide zijden. Doorhaling beslag. Geldleningen zoon aan ouders. Hoedanigheid waarin moeder procedeert: zowel pro se als in haar hoedanigheid van executeur nalatenschap vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0258
JERF 2019/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.241.310/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/527214/HA ZA 17-189

arrest d.d. 8 oktober 2019

inzake

[de zoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel, tevens geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de zoon,

advocaat: mr. A.B. Sluijs te Den Haag,

tegen

1. [de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

2. [dochter een] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [dochter twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden sub 2 en 3 gezamenlijk ook te noemen: de dochters,

Geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel,

advocaat: mr. drs. M. Buitelaar te Naaldwijk.

Het geding

Bij exploot van 19 juni 2018 is de zoon in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2018, gewezen tussen de zoon als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de moeder en de dochters als gedaagden in conventie, de moeder tevens als eiseres in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de zoon vijf grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord hebben de moeder en de dochters de grieven bestreden. Tevens hebben zij daarbij in incidenteel appel hun eis gewijzigd.

De zoon heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.

De zoon heeft pleidooi gevraagd. Hij heeft ter rolzitting van 26 maart een akte met producties genomen.

De moeder en de dochters hebben daarop een antwoordakte ingediend.

De zitting voor het pleidooi is bepaald op 17 juli 2019. Verschenen zijn:

  • -

    de zoon, vergezeld van zijn advocaat, en van de advocaten mr. J.J. Dekker, advocaat te Lisse en mr. O.G. Tacoma MRE MRICS, advocaat te Eindhoven;

  • -

    de moeder en de dochters, vergezeld van hun advocaat en van de advocaat mr. W.H. Benard, advocaat te Dordrecht;

Mr. Sluijs, mr. Dekker, mr. Tacoma en mr. Buitelaar voornoemd hebben pleitnotities overgelegd.

Partijen hebben verzocht arrest te wijzen op basis van het ten behoeve van het pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de zoon in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank:

- verstaan dat de (voorwaardelijk ingestelde) vordering van de moeder tot terugbetaling van de twee geldleningen geen behandeling behoeft;

- het door de zoon ten laste van de moeder gelegde conservatoire beslag opgeheven.

De proceskosten zijn in conventie en in reconventie gecompenseerd.

2. De zoon vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en:

Voor recht te verklaren dat de waardering en omvang van de nalatenschap van [naam vader] (hierna: de nalatenschap) in de akte van boedelbeschrijving, opgemaakt voor notaris mr. [naam notaris] , onjuist heeft plaatsgevonden en in de plaats daarvan de waarde van de nalatenschap vast te stellen op een bedrag van minimaal € 2.910.000,-, althans op een door het hof nader te bepalen bedrag, waarbij door het hof een taxateur wordt benoemd;

Voor recht te verklaren dat de akte tot afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik, verleden voor notaris mr. [naam notaris] , op 16 december 2016, onrechtmatig is omdat deze zonder de instemming en medewerking van de zoon is verleden, ten gevolge waarvan het hof wordt verzocht de akte nietig te verklaren dan wel te vernietigen;

De moeder en de dochters te veroordelen tot vergoeding van de schade die vanwege de onder I en II verleden akten voor de zoon, uit benadeling, is ontstaan, dan wel in de toekomst zal ontstaan, met het verzoek de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen op een door (het hof leest:) het hof nader te bepalen bedrag, waarbij de zoon zich het recht voorbehoudt zonodig een andere onderbouwing in het geding te brengen;

De moeder en de dochters te veroordelen in de kosten van beide instanties, alsmede in de kosten van het conservatoir derdenbeslag en in de nakosten ad € 131,- en, indien betekening van het arrest plaatsvindt, verhoogd met een bedrag ad € 68,-, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen arrest.

3. De moeder en de dochters vorderen, uitvoerbaar bij voorraad, de bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de zoon:

Primair

Om aan de moeder pro se een bedrag te betalen van € 773.445,00, althans een bedrag van € 500.000,00, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, althans een tijdstip voor terugbetaling van het geleende bedrag te bepalen;

Subsidiair

Om aan de moeder pro se en aan de nalatenschap c.q. aan de moeder in haar hoedanigheid van executeur ten behoeve van de gemeenschap, ieder een bedrag van 50% van € 773.445,00, althans een bedrag van 50% van € 500.000,00, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, althans een tijdstip voor terugbetaling van het geleende bedrag van € 773.445,00 te bepalen;

Meer subsidiair

Om te betalen aan de nalatenschap, c.q. aan de moeder in haar hoedanigheid van executeur , ten behoeve van de gemeenschap, een bedrag van € 773.445,00, althans een bedrag van € 500.000,00, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, althans een tijdstip voor terugbetaling van het geleende bedrag van € 773.445,00 te bepalen;

In alle gevallen

Om de door de zoon gelegde beslagen op onroerende zaken door te (laten) halen in het Kadaster binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak en de zoon te veroordelen om aan de moeder pro se, dan wel in haar hoedanigheid van executeur een dwangsom te betalen van € 5000,00 voor iedere dag dat hij zich niet aan het uitgesproken gebod houdt, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt;

(het hof leest:) de zoon te veroordelen in de kosten in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak, althans vanaf 14 dagen na de datum van de uitspraak.

4. De zoon concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder en de dochters in hun vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen in incidenteel appel, met veroordeling van de moeder, in haar hoedanigheid van executeur, subsidiair de moeder en de dochters, te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel, alsmede in de nakosten ad € 131,- en, indien betekening plaatsvindt van het arrest, verhoogd met een bedrag ad € 68,- met bepaling dat indien de een betaalt, de anderen zijn bevrijd, met bepaling dat daarover de wettelijke rente zal zijn verschuldigd met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen arrest.

Relevante feiten

5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. [In] 2014 is de echtgenoot van de moeder, tevens de vader van de zoon en de dochters, overleden. De vader en de moeder waren in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij testament van 8 juni 1983 heeft de vader aan de moeder alle roerende en onroerende zaken gelegateerd welke zij zal verkiezen, tegen inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap en voorts aan de moeder het levenslange vruchtgebruik over zijn gehele nalatenschap gelegateerd en zijn drie kinderen onder last van bedoeld legaat voor gelijke delen tot zijn enige en algehele erfgenamen benoemd. De kinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. De moeder is tot executeur benoemd, die deze benoeming na het overlijden van de vader heeft aanvaard. De vennootschap onder firma tussen de vader en de zoon – een bollenkweekbedrijf - is per april 1998 ontbonden. De zoon heeft de onderneming voortgezet en een aantal percelen van zijn ouders overgenomen. In de akte van verdeling en toedeling is een – wat partijen noemen - zogenaamd anti speculatiebeding (meerwaardeclausule) opgenomen voor het geval de zoon deze percelen binnen 10 jaar zou vervreemden. De zoon heeft op 17 juli 2007 een (eerste) schuldbekentenis ondertekend waarin hij verklaart aan zijn ouders wegens heden ter leen ontvangen gelden een bedrag verschuldigd te zijn van € 273.445,00. Daarover zal een jaarlijkse rente verschuldigd zijn van 4%. De zoon is verplicht de hoofdsom uiterlijk op 1 augustus 2010 af te lossen. Op 28 oktober 2009 heeft de zoon nog een (tweede) schuldbekentenis aan de ouders ondertekend wegens ter leen ontvangen gelden tot een bedrag van € 550.000,00, geleend tot 1 april 2010. Op de laatste lening is een bedrag van € 50.000,00 afgelost door middel van verrekening van een schenking door de ouders aan de zoon. Verder heeft de zoon jaarlijks de overeengekomen rente voldaan. Bij overeenkomst van 7 maart 2007 hebben zowel de zoon als de erflater en de moeder percelen grond in [volgt plaatsnaam] verkocht aan [de Koper] Bij aanvullende overeenkomst met [de Koper] , gesloten met zowel de zoon als met de erflater en de moeder, is overeengekomen dat de koopprijs van de verkochte percelen eenmalig zal worden verhoogd indien en zodra er een wijziging in de ten aanzien van de verkochte percelen bestaande structuur- of bestemmingsplannen plaatsvindt. De moeder heeft een boedelbeschrijving opgesteld die op 23 september 2016 is opgenomen in een notariële akte. Verder heeft de notaris op 16 december 2016 de akte afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik gepasseerd. De zoon heeft op 19 januari 2017 (derden)beslag laten leggen op de voorwaardelijke vordering van de moeder op [de Koper] en op onroerende zaken, die thans op haar naam zijn gesteld door de afgifte van het legaat.

6. Partijen zijn in hoger beroep verdeeld over de volgende punten:

- De waarde van de cultuurgronden zoals opgenomen in de boedelbeschrijving;

- Heeft de nalatenschap een voorwaardelijke vordering op de zoon uit hoofde van het anti-speculatiebeding?;

- Is de boedelbeschrijving juist?;

- Is de akte tot legaat en vestiging vruchtgebruik rechtmatig verleden?;

- Is het door de zoon gelegde beslag terecht opgeheven door de rechtbank en zo ja, moet een dwangsom worden verbonden aan de doorhaling van het beslag?;

- Moet de zoon de door hem geleende bedragen aan de moeder terugbetalen, zijn deze opeisbaar? Is de moeder ontvankelijk in de wijziging van eis waarbij zij de terugbetaling pro se vordert?

Partijen hebben ieder bewijs aangeboden.

7. Tegen de feiten zoals de rechtbank deze in het bestreden vonnis heeft vastgesteld is niet opgekomen, zodat het hof (mede) van deze feiten zal uitgaan.

Eiswijziging door de zoon

8. Tegen de eiswijziging zoals de zoon deze heeft geformuleerd ter pleidooizitting, hebben de moeder en de dochters procesrechtelijk bezwaar gemaakt. Nu deze eiswijziging eerst bij gelegenheid van pleidooi naar voren is gebracht, zal het hof deze als zijnde in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing laten.

De waarde van de cultuurgronden

9. In de eerste grief voert de zoon aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat de getaxeerde waarde van de cultuurgronden zoals opgenomen in de boedelbeschrijving, onjuist is. De waarde van de grond bij de woning van de moeder is getaxeerd op € 99.000,-. Volgens de zoon bedraagt de commerciële waarde van dit stuk grond wel € 600.000,- tot € 700.000,-. Hij heeft hier onderzoek naar gedaan. De taxatie is uitgevoerd door een vriend van zijn zwager en aldus was de taxatie niet onpartijdig. Het stond de taxateur niet vrij om de taxatie te verrichten omdat hij in het verleden zaken heeft gedaan met de echtgenoot van een van de dochters. Reeds daarom is de boedelbeschrijving onjuist en verzoekt de zoon het hof een nieuwe taxatie te laten verrichten. Daarnaast is de taxatie onjuist uitgevoerd. Immers, onjuist is dat de grond als bollengrond is aangemerkt. Deze zal tussen 2021 en 2030 industriegrond worden, gelet op de Structuurvisie 2014. Daarmee had rekening gehouden moeten worden. Slecht 6 a 7% van de grond is bollengrond, de rest is cultuurgrond. De rechtbank had niet kunnen overwegen niet in het bezit te zijn gesteld van de structuurvisie als beide partijen erkennen dat die bestaat. Ook de grond aan de [volgt straatnaam] , wel bollengrond, is te laag en aldus onjuist getaxeerd. Een dag na het bestreden vonnis heeft de moeder een perceel grond, waarop de zoon conservatoir beslag had gelegd, geleverd aan een derde. De koper is de echtgenoot van de zuster van de zoon. Het beslag rust echter nog altijd op het perceel. De nalatenschap lijdt door die verkoop een schade van € 325.780,-, zijnde de waarde van het perceel volgens een reële taxatie.

10. De moeder en de dochters verweren zich tegen de grief. Allereerst maken zij procesrechtelijk bezwaar tegen de door de zoon ter rolzitting van 19 maart 2019 ingediende akte. De zoon heeft niet uiterlijk bij de memorie van grieven zijn grieven, maar, nog belangrijker, de onderbouwing daarvan aangevoerd, terwijl dat toen wel had gekund. Deze handelwijze is in strijd met de twee conclusieregel. De zoon had zijn bezwaren al bij memorie van grieven kenbaar kunnen maken en had zijn grief over de waardering van de nalatenschap daarbij moeten onderbouwen. De zoon was al sinds 2016 bekend met de waardering van de nalatenschap door de moeder. De moeder en de dochters voeren voorts aan dat de waardering van de woning en de ondergelegen grond juist is. De zoon houdt geen rekening met de toenmalige crisis op de Nederlandse woningmarkt. Verder heeft de gemeente gekozen voor een wijziging van de taxatiemethode voor alle agrarische bedrijfswoningen, resulterend in een flinke verlaging van de WOZ-waarde, hetgeen blijkt uit de door de moeder overgelegde brief van 24 februari 2015 van de gemeente. Alhoewel de WOZ-waarde van € 327.000,- (per 1 januari 2014) door de moeder in de concept boedelbeschrijving is opgenomen, is in de akte van boedelbeschrijving een bedrag van € 420.000,- opgenomen, nu voor dit bedrag de woning met de grond was getaxeerd. De zoon voldoet niet aan zijn stelplicht ten aanzien van de agrarische gronden. De moeder en de dochters betwisten dat uit de structuurvisie zou blijken dat een bestemmingswijziging van de grond zal gaan plaatsvinden tussen 2021 en 2030. Relevant is de Intergemeentelijke Structuurvisie [volgt naam] , waarin is vermeld dat conform de eerder gemaakte keuze de ruimte voor uitbreiding van het bedrijventerrein [volgt naam] in [volgt plaatsnaam] gereserveerd zal worden voor de periode na 2030. Er bestaat volgens hen geen Structuurvisie augustus 2014. Het perceel grond bij [volgt straatnaam] is juist getaxeerd door de ongunstige ligging en de slechte staat van onderhoud. De waarde op 28 oktober 2014 is bepalend en niet een waarde in het verleden of in de toekomst. Er is met de zoon contact geweest over de aanstelling van taxateurs voor de agrarische gronden. De zoon heeft alle informatie die relevant is voor de waardering aan de taxateur kunnen aanreiken. De zoon ging echter niet akkoord met de door de moeder aangedragen taxateur, dit terwijl de moeder wel met de door hem aangedragen taxateur akkoord ging. De boedelnotaris heeft daarop besloten om de heer [volgt naam] van [volgt naam] Makelaardij aan te wijzen. Dat deze taxateur de schoonzoon van de moeder vaag kent doet niet ter zake. Door de door de zoon gestelde eisen aan een te benoemen taxateur is het benoemen van een nieuwe taxateur niet mogelijk. Bovendien wordt de moeder in haar hoedanigheid van executeur dan weer op kosten gejaagd.

11. Het hof overweegt als volgt. Bij meergenoemde akte van 19 maart 2019 heeft de zoon een klaagschrift met veertien producties, zijnde een klacht tegen de taxateurs [volgt naam] en [volgt naam] en een taxatierapport, opgemaakt door ir. [volgt naam] , overgelegd. In de (toelichting bij die) akte wordt niet dan wel zeer summier op dit taxatierapport ingegaan. De toelichting op het klaagschrift en de kritiek op het taxatierapport van [volgt naam] zijn eerst bij pleidooi naar voren gebracht. In deze toelichting bij pleidooi zijn meerdere gronden naar voren gebracht waarom de door [volgt naam] verrichte taxatie ondeugdelijk zou zijn, die echter niet in de memorie van grieven zijn verwoord. Voor zover daarbij meer of andere stellingen worden geponeerd dan die de zoon in de memorie van grieven naar voren heeft gebracht, zal het hof deze als zijnde in strijd met de twee conclusieregel buiten beschouwing laten, temeer omdat de moeder en de dochters daartegen bezwaar hebben gemaakt.

12. Ter zitting is van de zijde van de zoon verzocht, de zaak aan te houden, teneinde de beslissing in de tuchtzaak af te wachten en de uitspraak daarin over te kunnen leggen. Het hof ziet daarvoor, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen grond.

13. Daarnaast heeft te gelden dat een partij die zich op een door hem/haar over te leggen stuk beroept, duidelijk moet maken wat hij of zij met dat stuk bedoelt en wat het verband is tussen dat stuk en een in de memorie van grieven ingenomen stelling. Indien dat niet gebeurt kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten. Eerst bij pleidooi door mr. Sluijs en door mr. Tacoma zijn de toelichtingen op de bij akte van 19 maart 2019 door de zoon overgelegde producties gegeven. Het hof acht dit in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal om die reden de producties en de ter zitting gegeven toelichting daarop buiten beschouwing laten.

14. Met betrekking tot de bij memorie van grieven in de eerste grief opgeworpen bezwaren oordeelt het hof tegen deze achtergrond als volgt. De moeder en de dochters hebben betwist dat de door de notaris ingeschakelde taxateur, [volgt naam] , de echtgenoot van een van de dochters goed kent. Het hof acht deze stelling van de zoon, dat de heer [volgt naam] en een schoonzoon van de moeder elkaar kennen, zo al juist, onvoldoende om op die enkele grond het taxatierapport van [volgt naam] als zijnde niet onpartijdig en onafhankelijk opgemaakt, terzijde te schuiven.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de stellingen van de zoon niet blijkt dat de taxateur fouten heeft gemaakt bij het taxeren van de cultuurgrond. In de memorie van grieven is daarvan geen melding gemaakt. Zoals al is overwogen worden later daarover aangevoerde stellingen buiten beschouwing gelaten als zijnde in strijd met de twee conclusieregel. De zoon heeft ter zitting erkend dat de stelling van de moeder en de dochters, dat de taxatie bindend is, juist is, tenzij de taxateur zijn werk niet goed doet. Het is aan degene die zich op dit laatste beroept dat aan te tonen. Nu daaromtrent onvoldoende is gesteld gaat het hof ervan uit dat de taxatie van [volgt naam] bindend is. Verder overweegt het hof nog als volgt. De cultuurgrond bij de woning van de moeder had op het moment van taxatie een agrarische bestemming. Dit is niet in geschil. Geenszins staat (voldoende) vast dat op een korte termijn een bestemmingswijziging zal plaatsvinden, zodat het niet reëel zou zijn geweest te verwachten dat de taxateur bij de onderhavige taxatie, met als peildatum 28 oktober 2014, derhalve nu vijf jaar geleden, met een onzekere bestemming in de verre toekomst rekening had moeten houden door uit te gaan van een andere waardering. Ook als er een structuurvisie uit augustus 2014 zou bestaan, dan is deze mogelijk ingehaald door een latere structuurvisie (de moeder en de dochters noemen de Intergemeentelijke Structuurvisie [volgt naam] ), waaruit zou volgen dat eerst na 2030 mogelijk bestemmingswijzigingen gaan plaatsvinden. Het hof is dan ook van oordeel dat de opgeworpen bezwaren tegen de taxatie door [volgt naam] falen, zodat de eerste grief wordt gepasseerd. De vordering tot schadevergoeding in verband met het in deze grief gestelde zal worden afgewezen.

Het anti-speculatiebeding

15. In de tweede grief voert de zoon aan dat ten onrechte is overwogen dat de nalatenschap een voorwaardelijke vordering op de zoon heeft uit hoofde van het anti-speculatiebeding. Dit liep nog tot einde 2008. [de Koper] was in 2007 geïnteresseerd om grond van de zoon en van de ouders te kopen. De zoon wilde toen wachten maar dan zou de verkoop niet doorgaan. De vader en de zoon hebben toen afgezien van het anti-speculatiebeding, aldus de zoon. De zoon heeft toen zijn recht van eerste koop laten varen, hetgeen blijkt uit de documenten die in de procedure in het geding zijn gebracht. In 2007 had op dat anti-speculatiebeding in het andere geval aanspraak kunnen worden gemaakt door de vader maar dat is niet gebeurd; dit is voldoende bewijs voor de stelling van de zoon dat dit beding is komen te vervallen.

16. De moeder en de dochters voeren aan dat de zoon binnen 10 jaren na 17 december 1998 verplicht is de eventuele meeropbrengst boven de waarden zoals vastgesteld in een aan de akte gehecht taxatierapport te delen met zijn ouders. Twee van de drie percelen waarom het gaat zijn door de zoon aan [de Koper] verkocht. Op dat moment - 7 maart 2007 - ontstaat de vordering op de zoon ter zake van de meeropbrengst, nu dit binnen 10 jaar is gebeurd. Van verval van het beding is geen sprake. De ouders hebben in 2007 wel degelijk aan de zoon gevraagd hun aandeel in de meerwaarde te voldoen, maar de zoon weigerde hieraan te voldoen. In 2010 moest de zoon een door [de Koper] onverschuldigde betaling terugbetalen, zodat de ouders toen niet om hun aandeel in de meerwaarde hebben gevraagd. De afspraken over de verdeling van de meerwaarde zijn schriftelijk vastgelegd en nooit gewijzigd. De moeder ontkent dat het recht op het anti-speculatiebeding is uitgeruild tegen het overdoen van het recht van eerste koop op perceel sectie [volgt nummer] . Zowel de zoon als de ouders hebben ieder hun recht van eerste koop ingeleverd ten gunste van [de Koper] ; zij hadden hier allen een even groot belang bij. De vader heeft in 2011 aan de dochters verklaard dat, wanneer de zoon nog nabetalingen zou ontvangen van [de Koper] , de vader daarin zou meedelen en dat hij dit aan zijn dochters ten goede wilde laten komen. Deze toezegging zou hij niet hebben gedaan als dit recht al zou zijn prijsgegeven. Er is een gerede kans dat de vordering niet tot uitkering komt binnen de gestelde termijn (31 december 2025) omdat deze percelen eveneens onder de ‘ruimteresevering voor de uitbreiding van het bedrijventerrein [volgt naam] ’ voor in een periode na 2030 vallen, aldus de moeder en de dochters.

17. Het hof zal deze grief van de zoon passeren. De moeder en de dochters hebben deze stelling van de zoon gemotiveerd betwist. De zoon heeft niet aangetoond dat tussen de ouders en de zoon, dan wel de vader en de zoon, is overeengekomen dat het anti-speculatiebeding zou zijn vervallen. De zoon heeft erkend dat van de door hem gestelde afspraak niets op papier is gezet. Uit de door de zoon gestelde omstandigheden valt niet zonder meer af te leiden dat deze afspraak is gemaakt. Het hof acht de stelling ook onvoldoende gespecificeerd voor bewijslevering.

De boedelbeschrijving

18. In de derde grief betoogt de zoon dat ten onrechte door de rechtbank is overwogen dat de boedelbeschrijving juist is. De zoon is het niet eens met de beschreven omvang van de nalatenschap (de voorwaardelijke vordering ter zake het anti-speculatiebeding hoort er niet op te staan volgens de zoon) en de waardering daarvan. De waardering van de gronden behoort hoger te liggen. De zoon becijfert dat het zuivere saldo van de nalatenschap moet worden verhoogd met minimaal € 2.000.000,-, waardoor het aandeel van de zoon daarin ook met € 500.000,- stijgt.

19. De moeder en de dochters menen dat de boedelbeschrijving juist is en dat de beweerdelijke vordering op [de Koper] op de juiste wijze is verwerkt. De moeder heeft alles gedaan wat haar gevraagd is, ook in haar hoedanigheid van executeur, en binnen de gestelde termijn. De zoon heeft zich niet constructief opgesteld.

20. Het hof is van oordeel dat deze grief zelfstandige betekenis mist en deze zal om die reden worden gepasseerd. Het hof heeft de eerste twee grieven eveneens gepasseerd zodat wat de zoon in deze grief aanvoert over de waarde van de nalatenschap en over het ten onrechte daarop vermeld staan van het anti-speculatiebeding niet opgaat. Het hof merkt verder op dat partijen eraan voorbij zien dat de eventuele nabetalingen door [de Koper] als p.m. post in de boedelbeschrijving zijn opgenomen. Aan die posten is nu geen waarde te verbinden, omdat onzeker is of en zo ja, tot welk bedrag de nabetalingen plaatsvinden.

De akte tot legaat en vestiging vruchtgebruik

21. In de vierde grief stelt de zoon dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de akte tot afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik rechtmatig is verleden. De zoon heeft aan de notaris laten weten niet te kunnen meewerken aan de door de executeur vervolgens verzochte afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik. Nadat de notaris eerst had laten weten dan verder geen werkzaamheden in de nalatenschap te kunnen verrichten, ontving de zoon op 20 december 2016 een afschrift van de op 16 december 2016 alsnog verleden akte afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik. Dit terwijl de notaris het gerechtvaardigde vertrouwen had gewekt dat de medewerking van alle partijen, dus ook de zoon, nodig was om die akte te verlijden. De zoon heeft de vrees dat onrechtmatig bestanddelen aan de nalatenschap worden onttrokken en het aandeel van hem in de nalatenschap wordt uitgehold. De zoon stelt dat hij met de vader overeengekomen is dat de door hem geleende gelden eerst na het overlijden van de moeder kunnen worden verrekend, wat onmogelijk is wanneer de gronden voor een waarde van minder dan 1/3 van de werkelijke waarde zijn verkocht. De moeder is door afgifte van het legaat in staat om de gronden te vervreemden waardoor de voortzetting van de onderneming van de zoon, die een mondelinge pachtovereenkomst heeft waaruit de moeder pachtinkomsten ontvangt, in gevaar komt. De toestemming van alle erfgenamen was benodigd voor de afgifte van het legaat en de vestiging van het vruchtgebruik, aldus nog steeds de zoon. Nu deze niet was verkregen is de afgifte van het legaat onrechtmatig geweest. Subsidiair dient een belangenafweging plaats te vinden en dient het belang van de zoon bij het vernietigen van de akte tot afgifte legaat en vruchtgebruik zwaarder te wegen dan het belang van de moeder bij instandhouding van de akte.

22. De moeder en de dochters voeren aan dat de notaris pas na uitgebreide toetsing en literatuuronderzoek tot het verlijden van de akte is overgegaan. De toestemming van de erfgenamen voor het passeren van de akte was niet nodig. De stellingname van de zoon over de percelen grond die niet verkocht zouden mogen worden is opmerkelijk nu hij zelf grond heeft verkocht en hij ook grond heeft aangekocht, die hij verpacht.

23. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 133 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek is op de benoeming van een executeur afdeling 6 van titel 5 van boek 4 van toepassing. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat op grond van artikel 4:144 BW de executeur onder meer tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen. Daaronder vallen op grond van artikel 4:7 lid 1 sub h BW ook schulden uit legaten. Eveneens terecht heeft de rechtbank overwogen dat in het testament niet is bepaald dat de moeder het legaat niet aan zichzelf kan afgeven. De moeder heeft dan ook, zijnde executeur en tevens legataris, het legaat als vertegenwoordiger van de erfgenamen aan zichzelf kunnen afgeven. Het toezenden van een (concept)akte ter informatie brengt niet met zich dat de notaris op de 'goedkeuring' van de erfgenamen hoeft te wachten alvorens tot het passeren van de akte over te gaan. Voor een belangenafweging, op grond waarvan de akte tot vruchtgebruik en legaat zou moeten worden vernietigd, is geen juridische grondslag aanwezig, zodat dit betoog wordt verworpen. De vordering tot schadevergoeding die de zoon in verband hiermee heeft ingesteld, zal worden afgewezen.

Beslag

24. In de vijfde grief voert de zoon aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beslag dient te worden opgeheven. Het belang van de zoon bij handhaving is groter dan het belang van de moeder bij opheffing van dit beslag. Van schulden is niet gebleken en evenmin dat deze dan niet betaald zouden kunnen worden. De zoon vreest verduistering van onder meer de onroerende zaken, vandaar dat dit beslag is gelegd. De zoon vreest voor verkoop van de woning en de cultuurgronden door de moeder voor te lage verkoopwaarden zodat deze daarmee bewust worden onttrokken aan de nalatenschap van de vader met als gevolg dat deze wordt uitgehold en de zoon wordt benadeeld. Te zijner tijd moet hij de leningen verrekenen met zijn erfdeel. De zoon is met de vader overeengekomen dat de door hem voor de voortzetting van de onderneming geleende gelden eerst na het overlijden van de moeder kunnen worden verrekend met de bestanddelen van de nalatenschap.

De zoon heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en wordt met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap en zal alsnog tot liquidatie van het familiebedrijf moeten overgaan teneinde de tekorten aan de nalatenschap te voldoen. Daags na het vonnis van de rechtbank heeft de moeder gronden aan haar schoonzoon verkocht. De vader heeft gewild en bedoeld dat het bedrijf en de agrarische gronden voor zijn zoon behouden blijven zodat het familiebedrijf kan worden voortgezet. Het legaat heeft slechts een fiscale reden.

25. De moeder en de dochters bestrijden de grief. De moeder heeft een overzicht gemaakt van de wijzigingen en de omvang van de liquide middelen van de nalatenschap. Door de hoge juridische kosten waartoe de moeder als executeur van de nalatenschap door de zoon wordt gedwongen staat de balans van de nalatenschap inmiddels in het rood. De moeder moet nu pro se schulden van de nalatenschap voldoen. Het is de zoon die de nalatenschap benadeelt. De grond aan de [volgt straatnaam] is door de moeder in maart 2018 tegen de taxatiewaarde geleverd. Bij een eerdere marktverkenning in 2016 was er geen interesse voor dit perceel. De vader heeft bij leven ingestemd met verkoop door de zoon van de agrarische gronden van het familiebedrijf aan [de Koper] en heeft daarbij ook het eerste recht van koop op het 1 ha grote perceel (sectie C, [volgt nummer] ) bij de woning van de moeder overgedragen aan [de Koper] Dit recht heeft de zoon derhalve bewust opgegeven ten gunste van de deal met [de Koper] De voorwaardelijke nabetaling door [de Koper] , waarmee de zoon zich rijk rekent, is zeer onzeker. Het grootste bestanddeel van de nalatenschap wordt gevormd door de leningen aan en dus vorderingen op de zoon. Het stond de moeder vrij om te beschikken over de bestanddelen van de onverdeelde boedel en de legaten aan zichzelf af te geven en te aanvaarden. De moeder betwist dat zij aansprakelijk is voor de door de zoon gestelde schade. De rechtbank heeft de beslagen opgeheven waarna de grond aan de Langevelderweg door de moeder verkocht en geleverd is. Het doorhalen van beslag is een administratieve handeling. Het belang van de zoon bij het niet-doorhalen van het beslag is niet aangetoond.

26. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden het door de zoon gelegde conservatoire beslag op een mogelijke vordering van de moeder op [de Koper] en op twee onroerende zaken heeft opgeheven. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn door de zoon geen gronden aangevoerd die maken dat het hof daar anders over oordeelt. De zoon stelt in hoger beroep nog altijd te vrezen dat de onroerende zaken ‘worden verduisterd’. De rechtbank heeft echter met juistheid overwogen dat, zoals de zoon zelf ook stelt, de moeder thans alleen eigenaar is van de onroerende zaken, dat de zoon daarop nu geen rechten kan doen gelden en dat het haar daarom vrij staat deze te verkopen en te leveren. Tegen dat oordeel heeft de zoon niet gegriefd. De zoon stelt alleen dat de onroerende zaken voor te lage verkoopwaarden worden verkocht en daardoor de nalatenschap wordt uitgehold. De moeder en de dochters hebben dit gemotiveerd weerlegd met de stelling dat de grond aan de [volgt straatnaam] tegen taxatiewaarde is verkocht. De zoon stelt vervolgens weliswaar dat dit perceel voor een te lage prijs is verkocht, maar, tegenover de stelling dat dit tegen taxatiewaarde is verkocht, onderbouwt hij zijn stelling niet anders dan wederom op de bestemming te wijzen. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.

De moeder en de dochters hebben naar voren gebracht dat de moeder nu, omdat de nalatenschap in het rood staat, pro se schulden van de nalatenschap moet voldoen. De zoon brengt daartegen in dat de moeder dit niet heeft aangetoond en dat, zo dit al zo is, de moeder een riant inkomen heeft waaruit zij die schulden zou kunnen voldoen. Het hof is van oordeel dat dit laatste argument niet opgaat. Indien er schulden uit de nalatenschap zijn moeten deze allereerst uit de nalatenschap worden voldaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de moeder en de dochters belang hebben bij de opheffing van het beslag terwijl de zoon geen enkel rechtens te respecteren belang heeft bij de handhaving daarvan.

Nu er geen gronden zijn die in de weg staan aan de opheffing van het beslag, zal het hof het vonnis van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen.

Eiswijziging moeder; incidenteel appel

Doorhaling beslag

27. De moeder vordert dat de zoon de beslagen doorhaalt. De rechtbank heeft deze terecht opgeheven maar de zoon weigert deze door te halen. Daarom vordert de moeder de doorhaling van deze beslagen in het kadaster op straffe van een dwangsom.

28. De zoon voert aan dat de grond is verkocht en geleverd door de moeder. Zij heeft bij deze vordering geen belang meer en dient daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. De moeder ondervindt kennelijk geen hinder van de beslagen en heeft geen ander rechtens te respecteren belang bij de opheffing van de beslagen.

29. Het hof zal bepalen dat de zoon deze beslagen dient door te halen. De moeder heeft er vanwege de verkoop, ook jegens de koper, belang bij dat de opgeheven beslagen worden doorgehaald. Tegen de gevorderde dwangsom heeft de zoon geen verweer gevoerd, zodat het hof een dwangsom zal opleggen. Het hof zal aan de veroordeling tot doorhaling van de beslagen een dwangsom verbinden als na te melden.

Geldleningen ouders aan de zoon

30. De moeder wenst dat de zoon wordt veroordeeld om de geleende geldbedragen terug te betalen. De rechtbank Den Haag heeft deze vordering ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden afgewezen door te oordelen dat nieuwe afspraken over terugbetaling gemaakt zouden zijn. In de eerdere appelprocedure daartegen, die voerde tot het arrest van 31 juli 2018, heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de moeder pro se niet bevoegd zou zijn. Door de afgifte en aanvaarding van het legaat is de moeder bevoegd de vordering in te stellen. De zoon heeft met geen woord gerept over afwijkende betalingsafspraken. De notaris kan hierover verklaren en de moeder biedt dit als bewijs aan. Plotseling heeft de zoon vervolgens een ander standpunt ingenomen. De zoon was zich er zeer van bewust dat hij zou moeten terugbetalen. De zoon heeft het feit dat hij zou moeten terugbetalen kort voor het overlijden van de vader tweemaal besproken met zijn jongste zus. Hij heeft tegenover deze zus niets gezegd over een overeengekomen afwijkende afspraak betreffende de terugbetaling. Pas na het dagvaarden door de moeder stelde de zoon dat er afwijkende betalingsafspraken zouden zijn. De moeder betwist dit en zij was daar –als mede geldgever - niet mee bekend. De zoon heeft de geleende gelden gebruikt voor beleggingsdoeleinden door het doen van speculatieve investeringen. Beide ouders hebben de zoon een aantal keren verzocht om terugbetaling van het geleende geld. De moeder heeft in januari 2011 aangepaste renteafspraken op papier gezet voor de (eerste) geldlening ten bedrage van € 273.445,00. Partijen legden dus aangepaste afspraken op papier vast. Deze renteafspraken stonden los van de terugbetalingsverplichting van de zoon. De vordering van de moeder is opeisbaar, gebaseerd op twee overeenkomsten van geldlening. De zoon zal moeten bewijzen dat afwijkende betalingsafspraken zijn gemaakt en dat bij die afwijkende afspraken de verplichting tot terugbetaling aan voorwaarden was verbonden. Aan de verklaring van het kind van de zoon, dat in 2011 pas 15 jaar was, kan geen belang worden gehecht. Een afwijkende betalingsafspraak zou zeker op papier zijn vastgelegd. Dat de vader zou hebben toegezegd dat de zoon de leningen pas bij overlijden van beide ouders zou hoeven terugbetalen is bovendien niet geloofwaardig. Dan zouden de ouders daarover niet meer kunnen beschikken, terwijl het geld bedoeld en nodig was voor hun oude dag. De zoon heeft op een aantal momenten waarop dit gekund had, deze afspraak niet naar voren gebracht. Zo heeft hij dit niet tegenover notaris [volgt naam] gedaan die de terugbetaling van de geldleningen tegenover de zoon aan de orde stelde. De zoon heeft tegen de notaris gezegd dat hij niet tot aflossing wilde overgaan omdat het geld dan door zijn moeder aan haar dochters zou worden uitgekeerd. De moeder en de dochters verwijzen naar de door hen overgelegde brief van de notaris van 28 mei 2015 waarin deze de zoon sommeert de aan de moeder verschuldigde bedragen aan haar terug te betalen. De zoon moet in staat zijn om aan zijn verplichtingen te voldoen. Niet valt in te zien waarom de zoon niet een bedrag bijleent voor de aflossing van de leningen; de rente die de zoon aan de moeder betaalt ligt boven de marktrente, dus hij kan elders goedkoper lenen. Mocht het hof het betoog van de zoon aanvaarden, dan verzoekt de moeder het hof naar gelang der omstandigheden de tijd voor terugbetaling te bepalen, conform het bepaalde in artikel 7A:1798 (oud) BW. De rente is meerdere malen niet prompt voldaan door de zoon. Op grond van de tekst van de overeenkomst is de zoon dan gehouden de openstaande hoofdsom van € 273.445,00 per direct aan de moeder terug te betalen.

De moeder vordert, voor zover de vordering tot nakoming niet zou slagen, de ontbinding van de (tweede) overeenkomst van geldlening uit 2009 wegens een tekortkoming aan de zijde van de zoon. De zoon zou percelen bloembollengrond aan de [volgt adres] in onderpand geven als zekerheid voor de terugbetaling van de lening. De zoon heeft hier echter een recht van hypotheek op gevestigd voor de Rabobank in 2015 en had daar ook al een hypotheekrecht ten behoeve van de Rabobank op gevestigd op het moment dat de geldlening werd verstrekt. De zoon is door de notaris bij brief van 18 mei 2015 in gebreke gesteld, om binnen 14 dagen zekerheid te stellen. Nu de zoon dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan is hij in verzuim komen te verkeren. Als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst is de zoon gehouden tot terugbetaling van het bedrag van € 500.000,00, welke ontbinding verder mede is gestoeld op de tekortkoming in de nakoming van de rentebetalingsverplichting door de zoon. Meer subsidiair doet de moeder een beroep op vernietiging van de geldleningovereenkomst uit 2009. De omstandigheid dat de ouders er niet van op de hoogte waren dat op de drie percelen grond al een recht van hypotheek rustte, zodat de zoon niet genoegzaam zekerheid meer heeft kunnen verstrekken, betekent dat zij hebben gedwaald. De moeder vernietigde dan ook bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, de overeenkomst van geldlening.

31. De zoon bestrijdt de vordering. De moeder heeft in eerste instantie de vordering tot terugbetaling ingesteld als executeur en wel slechts voorwaardelijk. In appel is de vordering onvoorwaardelijk ingesteld en vermeerderd met een vordering van de moeder geheel pro se subsidiair 50% pro se, waarmee de hoedanigheid van eiser in reconventie wordt gewijzigd. Dit is niet toelaatbaar. Voor zover de voorwaardelijke vordering van de moeder al onvoorwaardelijk gemaakt zou mogen worden blijft in appel uitsluitend de moeder als executeur ontvankelijk in haar vordering. De moeder kan pro se niet in haar primaire en subsidiaire vordering worden ontvangen. Als de moeder het legaat rechtsgeldig heeft ontvangen is de moeder niet langer executeur meer. Als deze eiswijziging niet tot niet-ontvankelijkheid moet leiden, stelt de zoon dat deze eiswijziging buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde, die dit in deze fase van het geding oplevert. Het hof heeft bij arrest van 31 juli 2018 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De rechtbank had eerder de vordering van de moeder op inhoudelijke gronden afgewezen. Tegen het oordeel van de rechtbank heeft de moeder nu niet gegriefd, zij herhaalt alleen haar gehele eerdere betoog en legt dit nu opnieuw aan het hof voor.

Voor wat betreft de inhoudelijke kant voert de zoon samengevat het volgende aan.

Tussen partijen heeft altijd de afspraak gegolden dat met name de lening(en) van de zoon/zijn bedrijf bij de bank eerst afgelost zouden moeten zijn voordat de ouders aanspraak op terugbetaling van de lening zouden kunnen maken. Als de zoon nu moet aflossen moet hij zijn onderneming beëindigen. Bij overlijden van de moeder kan de zoon met de dan vrijkomende gelden wel de leningen aflossen zonder zijn bedrijf kwijt te raken. De ouders en de zoon verwachtten dat er medio 2010 voldoende geld zou binnenkomen in verband met relevante planologische ontwikkelingen, vandaar dat 1 augustus 2010 als terugbetalingsdatum is geprikt. Toen vervolgens het geld van de projectontwikkelaar binnenkwam hebben de ouders evident geen betaling geëist. Er zou in 2013 nog een betaling van de projectontwikkelaar volgen en afgesproken werd dat pas na ontvangst van die termijn de leningen zouden behoeven te worden afgelost. De projectontwikkelaar bedacht zich echter en eiste het reeds betaalde bedrag van de zoon terug. De zoon heeft de daarop volgende procedure verloren. De betreffende planologische ontwikkelingen kunnen zich nog steeds zeer wel voordoen en dan zullen de nabetalingen op afzienbare termijn binnenkomen. Geen van de voorwaarden voor de opeisbaarheid is ingetreden. De moeder achtte in weerwil van de oorspronkelijke papieren afspraken een aflossing niet aan de orde. De moeder rekent op 31 januari 2011 de rente voor, over aflossen van de hoofdsom heeft zij het niet. Partijen hebben verder de redelijkheid en billijkheid als deelgenoten jegens elkaar in acht te nemen. De te late rentebetalingen leveren een te gering verzuim op om opeisbaarheid van de leningen dan de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Verder waren de ouders op de hoogte van de hypothecaire inschrijving waarop de moeder doelt. In het document staat alleen dat de percelen als onderpand garant stonden. Door pas in 2015 hierover te klagen hebben de ouders hun klachtplicht verzaakt althans hun eventuele rechten verwerkt. Voor een vernietiging wegens dwaling geldt een termijn van drie jaar en deze vordering is dan ook verjaard.

De zoon verzoekt een eventueel veroordelend arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat mogelijk de zaak nog aan de Hoge Raad moet worden voorgelegd.

32. Het hof overweegt met betrekking tot de hoedanigheid waarin de moeder thans procedeert als volgt. Naar vaste rechtspraak komt de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel in beginsel slechts toe aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden. Is in de vorige instantie een partij uitsluitend opgetreden in een bepaalde hoedanigheid, zoals die van executeur, dan is zij slechts in die hoedanigheid bevoegd een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak van de rechter in die instantie en verliest zij die bevoegdheid met het verlies van die hoedanigheid. In deze procedure is de moeder door de zoon gedagvaard. Bij conclusie van antwoord heeft zij een (voorwaardelijke) reconventionele vordering ingesteld. De moeder heeft daarbij, anders dan de zoon meent, uitdrukkelijk gesteld deze vordering in te stellen in privé en in haar hoedanigheid van executeur, dus tevens pro se. In hoger beroep heeft zij, bij wijze van eiswijziging, zijnde een incidenteel hoger beroep, onvoorwaardelijk de terugbetaling van deze leningen gevorderd en heeft dit gedaan zowel pro se als in haar hoedanigheid van executeur.

33. Voor wat betreft het wijzigen van de eis, te weten het in beroep instellen van een onvoorwaardelijke vordering, waar deze in eerste aanleg slechts voorwaardelijk is ingesteld geldt dat de eiser bevoegd is zijn eis te veranderen of te vermeerderen. Deze bepaling is ook in hoger beroep toepasselijk. Het wijzigen van de vordering van een voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke is dan ook toelaatbaar. Deze eiswijziging is ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, nu deze vordering bij memorie van antwoord is ingesteld en de zoon zich hiertegen heeft kunnen verweren. Dat de vordering in een eerdere procedure aan de orde is gesteld maakt niet dat deze vordering in dit geval niet alsnog aan de orde kan komen.

34. Het voorgaande betekent dat de moeder ontvankelijk is in haar vordering ter zake van de geldleningen aan de zoon.

35. Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat uit hoofde van de twee door de zoon met de moeder en met zijn vader gesloten overeenkomsten van geldlening deze leningen opeisbaar zijn geworden op respectievelijk 1 april 2010 (tweede geldlening ad € 550.000,-) en 1 augustus 2010 (eerste geldlening ad € 273.445,-). Voor zover er van die overeenkomsten afwijkende afspraken zijn gemaakt die er toe leiden dat de leningen niet opeisbaar zijn, rusten op de zoon de stelplicht en de bewijslast daarvan.

36. De moeder en de dochters hebben gesteld dat de zoon kort voor het overlijden van de vader twee maal met de jongste zus heeft gesproken over het feit dat hij de geldleningen diende terug te betalen en dat hij toen met haar niet heeft gesproken over een afwijkende afspraak. De zoon heeft dit niet, althans onvoldoende, betwist. De enkele betwisting, inhoudende dat hij al het bij memorie van antwoord gestelde ontkent voor zover het tegendeel niet uitdrukkelijk blijkt, alsmede dat hij in die trant met zijn jongste zus zou hebben gesproken is onvoldoende tegenover de gedetailleerde stellingen daarover van de moeder en de dochters (vgl. punt 102 en 103 van de memorie van antwoord). De zoon heeft erkend dat de moeder hem twee weken voor het overlijden van de vader heeft aangesproken over de terugbetaling van de leningen. De moeder en de dochters hebben aangevoerd dat de zoon toen niet de gestelde afwijkende afspraken naar voren heeft gebracht. De zoon zegt te menen dat hij de afwijkende afspraken toen heeft genoemd. Het hof acht dit een onvoldoende weerlegging. De zoon heeft verder evenmin betwist dat hij de door hem gestelde betalingsafspraak niet bij de notaris naar voren heeft gebracht. Ook heeft de zoon niet betwist dat hij tegen de notaris heeft gezegd niet tot terugbetaling te willen overgaan omdat die gelden dan door de moeder aan zijn dochters zouden worden uitgekeerd. De notaris maakt van die opmerking ook melding in zijn brief van 28 mei 2015 aan de zoon. Pas in een (latere) brief van 29 juni 2015 aan de notaris voert de zoon aan dat er aanvullende afspraken zouden zijn gemaakt. De zoon heeft verder geen verklaring voor de door de moeder en de dochters gestelde omstandigheid, dat alle afspraken op papier werden gezet en dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat een zo verstrekkende afspraak dan niet schriftelijk zou worden vastgelegd. De moeder heeft voorts gesteld niet te hebben geweten van de door de zoon gestelde afwijkende afspraak die hij met de vader zou hebben gemaakt. Ook dit is niet door de zoon betwist. Het hof wijst erop dat de beide geldleningsovereenkomsten door de vader en de moeder tezamen met de zoon zijn gesloten. Het ligt dan ook in de rede dat afwijkende afspraken door ieder van de ouders met de zoon zouden zijn overeengekomen, althans een door de vader gemaakte afspraak instemming van de moeder behoeft. De zoon voert een aantal omstandigheden aan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die afspraak is gemaakt, maar dat acht het hof onvoldoende tegenover de stellingen van de moeder en de dochters die de zoon niet heeft betwist. Voorts acht het hof het onwaarschijnlijk dat de vader de moeder onkundig zou hebben gelaten van een afwijkende afspraak over de terugbetaling indien deze zou zijn gemaakt.

Het hof is het geheel overziende van oordeel dat de zoon, gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder en de dochters, niet in voldoende mate heeft voldaan aan zijn stelplicht ter zake van de afwijkende afspraak. Het hof zal de zoon dan ook niet toelaten tot bewijs van zijn stellingen hieromtrent.

37. Het beroep dat de zoon doet op de redelijkheid en billijkheid, te weten dat hij zijn onderneming zou moeten beëindigen indien hij nu zou moeten terugbetalen, wat betwist wordt door de moeder en de dochters, is geen grond om te oordelen dat de zoon de leningen nu niet moet terugbetalen. De zoon heeft daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Dat de zoon later, bij overlijden van de moeder, de leningen eenvoudiger zal kunnen aflossen dan nu het geval zou zijn, is daartoe onvoldoende.

38. Het voorgaande leidt ertoe dat de zoon zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de geldleningen.

39. De moeder en de dochters hebben gevorderd dat het arrest op dit onderdeel uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. De zoon verzoekt het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat de zaak mogelijk nog aan de Hoge Raad zal worden voorgelegd. Het hof acht de omstandigheid, dat dit mogelijk zal gebeuren, geen grond om het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bewijsaanbod

40. De zoon heeft voor het overige een algemeen bewijsaanbod gedaan dat het hof, wat daar verder ook van zij, zal passeren nu het niet voldoet aan de aan een bewijsaanbod te stellen eisen.

Proceskosten

41. De zoon wordt bij dit arrest in het ongelijk gesteld. Het hof zal hem daarom in de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen, te vermeerderen met de nakosten en (voorwaardelijk) met een verhoging als na te melden, voor het geval betekening van het arrest plaatsvindt. In het incidenteel appel acht het hof een compensatie van kosten op zijn plaats. In eerste aanleg is namelijk de vordering tot terugbetaling van geldleningen voorwaardelijk ingesteld en eerst in incidenteel appel onvoorwaardelijk.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de zoon in de proceskosten in het principaal hoger beroep, aan de zijde van de moeder en de zuster begroot op € 5.121,- aan salaris advocaat en € 1.649,- aan griffierecht, aldus op een totaal bedrag van € 6.770,-, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- en, indien betekening van dit arrest zal plaatsvinden, een bedrag van € 68,-; al deze bedragen te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest; te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de dagtekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

En, in aanvulling daarop, beslissende in het incidenteel appel:

veroordeelt de zoon tot betaling aan de moeder van een bedrag van € 273.445,- en een bedrag van € 500.000,- voor zover nodig vermeerderd met nog achterstallige rente;

beveelt de zoon de ten laste van de moeder gelegde conservatoire beslagen door te halen in de kadastrale registers, op straffe van een dwangsom van € 5000,- per dag voor iedere dag dat hij hieraan niet zal voldoen, met een maximum van € 100.000,-;

compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest voor wat betreft de beslissingen onder II, III en IV uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, E.A. Mink en F.A.M. Schoenmaker en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.