Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2777

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
200.263.066/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging; kind kan niet worden teruggeplaatst bij ouders, maar heeft nog geen vaste plek waar zij kan opgroeien; maatstaf; belang van het kind bij perspectief is doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/27.35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.263.066/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 19-1413 en JE RK 19-1433

zaaknummer rechtbank : C/10/573344 en C/10/573449

beschikking van de meervoudige kamer van 25 september 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie Rotterdam,

gevestigd te Eindhoven,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

In deze zaak zijn als belanghebbenden aangemerkt:

1. [de moeder] , hierna te noemen: de moeder;

2. de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam van 13 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vader is op 18 juli 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vader van 2 augustus 2019 met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2019;

- een brief van de raad van 14 augustus 2019, ingekomen op 16 augustus 2019.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. Feiner;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en

[vertegenwoordiger van de GI] .

De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is – voor zover van belang – het volgende thans nog minderjarig kind geboren: [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] [in] 2008;

- de vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2.

Bij beschikking van 20 december 2018 heeft de rechtbank Rotterdam de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 30 juni 2019. Verder is de schriftelijke aanwijzing van 7 december 2018 vervallen verklaard en is er een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld welke duurt tot 1 april 2019.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de vader en de moeder beëindigd, en is de gecertificeerde instelling benoemd tot voogdes over [de minderjarige] . Verder zijn de ouders veroordeeld om rekening en verantwoording te doen van het gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] .

4.2.

De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de beëindiging van zijn gezag over [de minderjarige] . Hij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Standpunten

5.1.

De vader voert (in zijn beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting) het volgende aan. Hij is van mening dat het perspectief waar [de minderjarige] moet opgroeien nog onzeker is en de gecertificeerde instelling dit perspectief niet binnen een aanvaardbare termijn heeft weten te bepalen, zodat de beëindiging van het gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. De vader begrijpt dat [de minderjarige] een vaste plek en een vaststaand perspectief nodig heeft. Ook begrijpt hij dat het perspectief niet bij hem ligt. Echter, de gecertificeerde instelling is tot op heden nog niet in staat gebleken voor [de minderjarige] een perspectief biedende plek te vinden. Verder stelt de vader dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de kinderrechter periodiek toetst of de belangen van [de minderjarige] nog steeds worden gediend. In zijn visie is er op dit moment onvoldoende duidelijkheid over een stabiele opgroeiplek voor [de minderjarige] en een goede en duidelijke contact- en informatieregeling tussen hem en [de minderjarige] . De vader wenst het gezag over [de minderjarige] te behouden, zolang er geen duidelijkheid bestaat over het perspectief van [de minderjarige] .

5.2.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De raad ziet en erkent de onduidelijkheid met betrekking tot het toekomstperspectief van [de minderjarige] . Echter, het perspectief is afhankelijk van de ontwikkeling van [de minderjarige] en het op dat moment beschikbare aanbod binnen jeugdzorg. Ten aanzien van de door de vader gestelde uitbreiding van de contactregeling, is de raad van mening dat gebleken is dat de bezoeken problematisch verlopen nu vader niet in staat is om [de minderjarige] te begrenzen en haar te benaderen op kindniveau. Dit heeft zijn weerslag op [de minderjarige] . Verder heeft de raad benadrukt dat [de minderjarige] een meisje is met een zeer specifieke opvoedingsvraag, waarbij zij gebaat is bij structuur, duidelijkheid, voorspelbaarheid en stabiliteit. De huidige jeugdbeschermingsmaatregelen zijn in de visie van de raad daartoe niet langer geëigend. [de minderjarige] verblijft al geruime tijd in een behandelgroep van [accommodatie voor jeugdzorg] . Naar de mening van de raad is het in haar belang dat juridisch gezien bestendigd wordt dat zij daar mag verblijven en van daaruit kan doorstromen naar een gezinshuis, zonder dat jaarlijks getoetst wordt of dit haar thuis mag blijven. Verder acht de raad de voogdijmaatregel noodzakelijk nu de ouders/de vader niet in staat zijn/is binnen een aanvaardbare termijn zelf de verantwoordelijkheid voor [de minderjarige] op zich te nemen.

5.3.

De gecertificeerde instelling heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de minderjarige] in het verleden ook in een perspectief biedend pleeggezin heeft verbleven, maar dat zij vanwege haar complexe problematiek daar niet langer kon verblijven. Het door [de minderjarige] vertoonde seksueel grensoverschrijdend gedrag is ook te zien tijdens de bezoekmomenten met de vader. Het bezoek dient dan ook heel duidelijk voor besproken te worden met [de minderjarige] en de vader. Verder bestaan er nog vele zorgen over het gedrag van [de minderjarige] en is zij nog niet uitbehandeld. Haar perspectief ligt niet bij de ouders.

Oordeel hof

5.4.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.5.

Het hof heeft alle begrip voor de zorgen van de vader en voor zijn standpunten in appel. Weliswaar is duidelijk, ook voor de vader, dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij ouders ligt, maar vooralsnog is onduidelijk waar dit perspectief dan wel ligt. Dit is een omstandigheid die, zoals de vader terecht betoogt, mee moet wegen bij de vraag of het gezag van een ouder al dan niet beëindigd moet worden. Daarbij komt dat de vader er terecht op heeft gewezen dat, in geval van gezagsbeëindiging de situatie ontstaat dat de voogd de rol van de gezaghebbende ouders vervult zonder rechterlijke toetsing. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof in dit specifieke geval van [de minderjarige] als volgt.

5.6.

Er is geen basis voor een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader en de vader erkent dat het toekomstperspectief van [de minderjarige] niet bij hem ligt. Daarmee kan het doel van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing, te weten het toewerken naar een terugplaatsing van de minderjarige bij (één van) de ouders, niet meer bereikt worden. Anders dan de vader betoogt, acht het hof daarnaast aannemelijk dat, nu [de minderjarige] over een aantal maanden de twaalfjarige leeftijd bereikt en zij dan jaarlijks zal worden opgeroepen voor een kindgesprek in het kader van de jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, dit voor haar voor veel onrust zal zorgen. Het is van groot belang dat voor [de minderjarige] duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen jaren verschillende pogingen ondernomen om een geschikte perspectief biedende plaats voor [de minderjarige] te vinden, waarbij zij uiteindelijk zou kunnen wonen in een gezinshuis. De gecertificeerde instelling is daar nog niet in geslaagd, mede omdat [de minderjarige] gelet op haar ernstige (hechtings)problematiek specifieke behoeften heeft. Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat voor haar duidelijk is dat de gecertificeerde instelling haar baken wordt voor de komende jaren en dat zij onder begeleiding daarvan verder zal opgroeien. Dit – mede door artikel 3 IVRK gewaarborgde – belang van [de minderjarige] weegt zwaarder dan het belang van de vader om voorlopig belast te blijven met het gezag over [de minderjarige] . Het hof betreurt dat er nog geen perspectief biedende plek beschikbaar is voor [de minderjarige] , maar zulks neemt niet weg dat zij er belang bij heeft om thans te weten dat zij niet zal opgroeien bij haar vader en moeder.

5.7.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat het beëindigen van het gezag van de vader over [de minderjarige] er niet aan in de weg staat dat hij waar mogelijk blijvend betrokken zal worden bij essentiële zaken die [de minderjarige] betreffen. Het hof gaat er vanuit dat alle betrokkenen zich hiervoor zullen blijven inspannen. Ook gaat het hof ervan uit dat de gecertificeerde instelling zich zal inzetten om, zo snel als mogelijk, een perspectief biedende plek voor [de minderjarige] te vinden. Ten slotte merkt het hof op dat het de gecertificeerde instelling zou sieren als zij alles in het werk stelt om een voogdijmedewerker te vinden die [de minderjarige] tot aan haar 18de levensjaar bij zal kunnen staan.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat de wettelijke gronden voor een beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige] aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, P.B. Kamminga en E.C. Punselie, bijgestaan door mr. A.J. Nederveen als griffier en is op 25 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.