Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2768

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
200.204.619/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Antironselbeding. Bewijslevering. Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.204.619/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/486951/ HA ZA 15-1063

arrest van 29 oktober 2019

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,

tegen

[de v.o.f.] ,

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de v.o.f.] ,

advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam.

Het verdere verloop van het geding

Bij tussenarrest van 18 september 2018 is [de v.o.f.] toegelaten tot het leveren van (getuigen)bewijs. Voorafgaand aan het getuigenverhoor heeft [de v.o.f.] de schriftelijk uitgewerkte verslagen van twee telefoongesprekken toegezonden. Op 4 april 2019 zijn vervolgens twee door [de v.o.f.] voorgebrachte getuigen gehoord. [appellant] heeft afgezien van tegengetuigenverhoor. Op 9 juli 2019 heeft [appellant] bij akte twee schriftelijke verklaringen in het geding gebracht. [de v.o.f.] heeft vervolgens een antwoordakte genomen, waarna partijen om arrest hebben gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Bij tussenarrest van 18 september 2018 is [de v.o.f.] toegelaten te bewijzen dat [appellant] haar medewerkers [medewerker 1] (hierna [medewerker 1] ) en [medewerker 2] (hierna [medewerker 2] ) actief heeft benaderd om in dienst te treden bij [X B.V.] (hierna: [X B.V.] ).

2. Het hof acht [de v.o.f.] geslaagd in deze bewijslevering. Daartoe is ten eerste van belang dat [medewerker 2] bij e-mails van 11 februari 2015 en 19 februari 2016 (in het geding gebracht als productie 7 en productie 13 in eerste aanleg) aan [de vennoot] (vennoot van [de v.o.f.] , hierna [de vennoot] )) heeft geschreven dat [appellant] hem heeft benaderd om in dienst te komen bij [X B.V.] (en niet andersom). Verder heeft ook [medewerker 1] op 22 februari 2016 (productie 12 in eerste aanleg) per e-mail aan [de vennoot] bevestigd dat [appellant] hem heeft benaderd om voor hem te komen werken toen [appellant] bezig was met het opstarten van zijn bedrijf en op zoek was naar personeel.

3. Deze schriftelijke verklaringen worden bevestigd door de schriftelijk uitgewerkte verslagen van de telefoongesprekken tussen [de vennoot] enerzijds en respectievelijk [medewerker 1] en [medewerker 2] anderzijds, die [de v.o.f.] voorafgaand aan het getuigenverhoor op 4 april 2019 in het geding heeft gebracht.

4. Tot slot volgt uit de getuigenverklaringen onder ede van [de vennoot] en [medewerker 1] nogmaals hetzelfde consistente verhaal: [medewerker 2] en [medewerker 1] zijn, toen zij in dienst waren bij [de v.o.f.] , door [appellant] actief benaderd om in dienst te treden bij [X B.V.] .

5. De namens [appellant] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van [appellant] zelf en zijn partner [partner] leggen onvoldoende gewicht in de schaal om het genoemde bewijs te ontzenuwen, omdat deze verklaringen niet onder ede zijn afgelegd en bovendien onvoldoende specifiek zijn. Daarmee staat vast dat [appellant] het anti-ronselbeding met [de v.o.f.] tweemaal heeft overtreden. Grief V faalt.

6. [appellant] heeft verder nog een grief gericht tegen de door de rechtbank toegepaste matiging van de overeengekomen boete. De rechtbank heeft deze boete gematigd van € 45.000,- tot € 10.000,-. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank daarbij van een onjuist schadebedrag is uitgegaan. [appellant] gaat er echter aan voorbij dat ingevolge artikel 6:94 lid 1 BW matiging van een boete niet tot een lager toegewezen bedrag kan leiden dan de schadevergoeding op grond van de wet, maar dat een hoger bedrag wel mogelijk is. [appellant] heeft voorts niet aangegeven tot welk bedrag de overeengekomen boete van € 22.500,- per overtreding dan wel zou moeten worden gematigd, laat staan dat hij daarvoor steekhoudende argumenten heeft aangedragen, die tot een dergelijke matiging dienen te leiden. Ook grief VI faalt.

7. Nu ook de overige grieven niet tot vernietiging kunnen leiden omdat zij zelfstandige betekenis missen, leidt dit tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2016;

  • -

    veroordeelt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [de v.o.f.] begroot op € 718,- aan verschotten, € 2.279,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, J.M.T. van der Hoeven-Oud en C.J. Frikkee en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.