Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2765

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
200.260.983/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van de ouders tot gezag en tot uitbreiding van de omgangsregeling. De 9-jarige minderjarige woont sinds zijn geboorte bij zijn grootouders. De laatste twee jaar is er meer contact met de ouders en de ouders hebben nog een kind gekregen dat wel bij hen woont. De minderjarige wil graag dat alles blijft zoals het is. De bijzondere curator en de gecertificeerde instelling adviseren ook tot continuering van de bestaande situatie. Het hof oordeelt dat een overgang naar het gezin van de ouders te belastend is voor de minderjarige, te meer nu de communicatie tussen de ouders en grootouders op dit punt moeizaam is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.260.983/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 17-1440

zaaknummer rechtbank : C/10/521087

beschikking van de meervoudige kamer van 4 september 2019 (bij vervroeging)

inzake

[appellante] ,

hierna te noemen: de moeder

en

[appellant]

hierna te noemen: vader,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. E. Hartog te Rotterdam,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de grootvader moederszijde] ,

de pleegouder en grootvader moederszijde;

en

2. [de grootmoeder moederszijde] ,

de pleegouder en grootmoeder moederszijde,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de grootouders.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

[de bijzondere curator] , gedragswetenschapper te [plaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht;

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De ouders zijn op 17 juni 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de ouders van 5 juli 2019 met bijlagen, ingekomen op 9 juli 2019;

- een brief van de bijzondere curator van 2 juli 2019, ingekomen op 3 juli 2019;

- een brief van de gecertificeerde instelling van 12 juli 2019, ingekomen op diezelfde datum.

2.3

De raad heeft het hof bij brief van 26 juni 2019, bij het hof ingekomen op 27 juni 2019, laten weten niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 18 juli 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de gecertificeerde instelling;

- de grootouders,

- de bijzondere curator.

2.5

Ter zitting heeft de advocaat van de ouders het proces-verbaal van de zitting van 7 februari 2019 overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de ouders hebben een affectieve relatie met elkaar;

  • -

    uit deze relatie is de volgende minderjarige geboren:

 [de minderjarige] , [in] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] );

  • -

    ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was de moeder nog minderjarig;

  • -

    bij beschikking van 20 oktober 2010 van de rechtbank te Dordrecht is de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, voorheen Jeugdzorg Zuid-Holland-Zuid, belast met de voogdij over [de minderjarige] ;

  • -

    [de minderjarige] woont vanaf zijn geboorte bij de grootouders;

  • -

    bij tussenbeschikking van 10 juli 2018 is de voorlopige regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) tussen [de minderjarige] en de ouders, neergelegd in de beschikking van 16 juni 2017, gewijzigd en is de voorlopige omgangsregeling als volgt bepaald:

 in de oneven weken: woensdag uit school tot 19:00 uur en vrijdag uit school tot maandag naar school;

 in de even weken: woensdag uit school tot 19:00 uur en vrijdag uit school tot 19:00 uur;

en is tevens een voorlopige omgangsregeling voor de vakantie- en feestdagen vastgesteld;

- voorts is – onder de opschortende voorwaarde dat de ouders gebruik maken van de gelegenheid hun verzoek te vermeerderen – benoemd [de bijzondere curator] tot bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige] om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen met de opdracht te onderzoeken:

 wat de huidige situatie betekent voor [de minderjarige] ;

 wat het voor [de minderjarige] zou betekenen als hij zijn vaste woonplaats zou krijgen bij de ouders, met een omgangsregeling tussen hem en de grootouders;

 en de rechtbank te adviseren over wat de bijzondere curator overigens relevant vindt voor [de minderjarige] bij de beoordeling van de verzoeken die aan de rechtbank zijn en zullen zijn voorgelegd;

en is de raad opgedragen een onderzoek te verrichten;

- de gecertificeerde instelling heeft na de bestreden beschikking de voogdij over [de minderjarige] overgenomen van Jeugdbescherming west.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de ouders hen gezamenlijk te belasten met het gezag over [de minderjarige] afgewezen, is de beschikking van 10 juli 2018 betreffende de voorlopige omgangsregeling gewijzigd en is bepaald dat de regeling inzake het omgangsrecht tussen [de minderjarige] en de ouders definitief zal zijn zoals vermeld onder rechtsoverweging 3.2.7. van de bestreden beschikking. Deze regeling houdt in dat [de minderjarige] bij de ouders verblijft:

 in de oneven weken: woensdag uit school tot donderdag naar school en vrijdag uit school tot maandag naar school;

 in de even weken: woensdag uit school tot donderdag naar school en vrijdag uit school tot 19:00 uur.

Voorts is een regeling voor de vakanties en verjaardagen vastgesteld die kort samengevat inhoudt dat [de minderjarige] de helft van de vakanties bij de ouders doorbrengt, alsmede een deel van de verjaardagen.

4.2

De ouders zijn het niet eens met deze beslissing. Zij verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende primair de ouders te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en subsidiair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de ouders zal zijn, waarbij een redelijke termijn in acht zal worden genomen voor de overgang. Daarbij verzoeken de ouders het hof een omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de grootouders, waarbij de contacten over een redelijke termijn zullen afnemen in frequentie tot een uiteindelijke regeling waarbij [de minderjarige] iedere veertien dagen nog twee dagen (al dan niet aaneengesloten) bij de grootouders verblijft. Meer subsidiair verzoeken de ouders het hof een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] , met een opbouw binnen een redelijke termijn, uiteindelijk zes dagen per week bij de ouders zal verblijven. Kosten rechtens.

4.3

De gecertificeerde instelling verweert zich hiertegen en verzoekt het hof het verzoek van de ouders af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de ouders ontvankelijk zijn in hun gezamenlijke verzoek om hen te belasten met het ouderlijk gezag en neemt daartoe de gronden uit de bestreden beschikking over en maakt deze tot de zijne.

5.2

Voorts neemt het hof in aanmerking dat in artikel 1:253b lid 5 BW en in artikel 1:253c lid 4 BW tot uitdrukking is gebracht dat aan gezag van een ouder de voorkeur moet worden gegeven boven het gezag van een derde. De in deze bepalingen geregelde verzoeken van de ouder(s) om met het (gezamenlijk) gezag te worden belast, worden slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging hiervan de belangen van het kind worden verwaarloosd. Gegronde vrees bestaat niet alleen bij vrees voor daadwerkelijke verwaarlozing van de belangen van het kind, maar dit kan ook gelegen zijn in de vrees dat het kind de overgang naar een ander gezin niet goed zal kunnen verwerken (HR 11 november 1977, NJ 1978/120 en HR 7 oktober 2005, NJB 2005/551).

5.3

De ouders hebben aangevoerd dat het goed met hen gaat en dat zij in staat zijn om de zorg voor [de minderjarige] weer op zich te nemen. De ouders hebben nu het gevoel dat ze geen invulling kunnen geven aan hun rol als ouders van [de minderjarige] omdat ze geen beslissingen kunnen nemen (of daarbij betrokken moeten worden). Ook kleinere aangelegenheden, zoals Vader- en Moederdag vieren, lopen zij mis omdat de grootouders nu de ouderrol van [de minderjarige] invullen. De ouders zijn van mening dat een wijziging van [de minderjarige] ’s hoofdverblijfplaats, mits op de juiste wijze georganiseerd en begeleid, voor hem geen té grote belasting hoeft te zijn. Daarnaast stellen zij dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij meer tijd met hen en met zijn broertje doorbrengt dan de thans vastgestelde regeling zodat hij meer deel kan uitmaken van het gezin. Op die manier kunnen zij hun ouderrol weer op zich nemen en kunnen de grootouders zich ook gedragen als grootouders van [de minderjarige] . Voor de ouders is het voornamelijk van belang dat er een stip aan de horizon komt, waarbij het voor alle betrokkenen duidelijk is dat er toegewerkt gaat worden naar terugplaatsing van [de minderjarige] bij de ouders.

5.4

De gecertificeerde instelling stelt dat de grootouders de primaire hechtingsfiguren van [de minderjarige] zijn en dat de situatie zoals die nu is daarom zo dient te blijven. In een gesprek met [de minderjarige] heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij het zowel bij de grootouders als bij zijn ouders goed naar zijn zin heeft. Het contact met zijn broertje gaat goed en ook op school ontwikkelt [de minderjarige] zich goed. [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij het niet raar vindt dat hij niet bij zijn ouders woont terwijl zijn broertje bij zijn ouders woont. Hij wil graag dat zijn woonsituatie blijft zoals het nu is. Hij heeft behoefte aan duidelijkheid. De gecertificeerde instelling is daarom van mening dat er geen verandering in de situatie van [de minderjarige] moet komen.

5.5

De grootouders hebben ter zitting verklaard dat [de minderjarige] goed in zijn vel zit en zijn basis bij hen heeft. Het is goed aan [de minderjarige] te merken dat hij zich veilig voelt bij zijn grootouders en dat hij onbezorgd bij hen opgroeit. De grootouders achten het niet in het belang van [de minderjarige] als het gezag bij de ouders komt te liggen, te meer omdat de grootouders en ouders moeizaam met elkaar communiceren. Tijdens de systeemtherapie verloopt de communicatie over praktische zaken omtrent [de minderjarige] redelijk goed, maar omdat de ouders en grootouders verschillend denken over de vraag waar [de minderjarige] op dient te groeien, blijven de gesprekken oppervlakkig. Gelet op dat fundamentele verschil, is het volgens de grootouders dan ook goed dat het gezag bij de gecertificeerde instelling ligt.

5.6

De bijzondere curator heeft ter zitting verklaard dat [de minderjarige] een positieve en spontane jongen is, die duidelijk heeft aangegeven dat hij de situatie – waarin hij bij zijn grootouders woont – graag zo wil houden, ook omdat dit zijn eerste gezin is. De bijzondere curator heeft aangegeven dat het belangrijk is dat er rust voor [de minderjarige] is en dat er naar hem naar hem geluisterd dient te worden, nu hij duidelijk heeft aangegeven dat het zijn voorkeur heeft om bij zijn grootouders te blijven wonen.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Uit de wet vloeit voort dat degene die gezag uitoefent over een minderjarige ook de bevoegdheid heeft om te beslissen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Wanneer de ouders worden belast met het gezag over [de minderjarige] betekent dit dat [de minderjarige] mogelijk zijn hoofdverblijfplaats bij de ouders krijgt. De ouders hebben immers de wens uitgesproken dat [de minderjarige] – op termijn – weer deel uit gaat maken van hun gezin en bij hen komt wonen.

De afgelopen twee jaar heeft er een positieve ontwikkeling plaatsgevonden in de relatie tussen de ouders en [de minderjarige] . Het contact is toegenomen en [de minderjarige] voelt zich prettig bij zijn ouders. Dit doet echter niet af aan het feit dat er gedurende de eerste zeven jaar van het leven van [de minderjarige] veel minder contact tussen hen is geweest en hij zijn gehele leven van inmiddels 9 jaar bij de grootouders woont en door hen wordt verzorgd. De gecertificeerde instelling en de bijzondere curator hebben zich op het standpunt gesteld dat [de minderjarige] zijn basis heeft bij zijn grootouders, die vanaf zijn geboorte zijn primaire verzorgers zijn en dat [de minderjarige] de situatie zoals die nu is graag zo wil houden. Ook de raad heeft in het rapport van 1 februari 2019 vastgesteld dat [de minderjarige] zich het meest veilig voelt bij zijn grootouders, hij bij hen vanaf zijn geboorte woont en de wens uitspreekt om de situatie te laten zoals deze nu is, namelijk wonen bij de grootouders en een omgangsregeling met zijn ouders. Het hof is dan ook van oordeel dat een overgang naar het gezin van zijn ouders te belastend voor hem is en zijn hoofdverblijf ongewijzigd dient te blijven. Mede in aanmerking nemende dat de ouders enerzijds en de grootouders anderzijds moeizaam met elkaar communiceren acht het hof het van belang dat de gecertificeerde instelling beslissingen over [de minderjarige] blijft nemen. Het verzoek van de ouders om hen te belasten met het gezag over [de minderjarige] zal daarom worden afgewezen.

5.8

Uit het vorenstaande volgt dat het subsidiaire verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf bij de ouders eveneens wordt afgewezen.

5.9

Ten aanzien van de omgang overweegt het hof dat [de minderjarige] behoefte heeft aan rust en stabiliteit, die met de huidige situatie voor hem is gecreëerd. Uit de rapportages van de bijzondere curator en de raad leidt het hof af dat [de minderjarige] zeer hecht aan continuering van de bestaande situatie. Mede gezien de huidige moeizame verstandhouding, zoals ook blijkt uit het (recente) verweer van de gecertificeerde instelling van 12 juli 2019, ziet het hof geen aanleiding om de omgangsregeling op dit moment uit te breiden en zal het hof dit verzoek van de ouders afwijzen. Indien de gecertificeerde instelling ruimte ziet voor een uitbreiding van de omgangsregeling, kunnen zij dit met de grootouders en de ouders te bespreken. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , verwacht het hof dat de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders zal meegroeien met zijn leeftijd. Het hof gaat er vanuit dat wanneer [de minderjarige] behoefte heeft aan meer omgang met zijn ouders, de gecertificeerde instelling en de grootouders hiernaar zullen luisteren en zich flexibel zullen opstellen. Tot slot acht het hof het van belang dat de gecertificeerde instelling een actieve rol inneemt bij het kijken naar de rol die de ouders van [de minderjarige] kunnen hebben in het leven van [de minderjarige] .

5.10

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5.14

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Rotterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, J.M. van Baardewijk en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. E.J. van Welij als griffier en is op 4 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.