Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2744

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
200.250.323/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10644
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1313, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Schenking van een Range Rover van € 130.000 of is er sprake van een vergoedingsrecht op basis van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden.

Hof kan uit de gewisselde stukken niet vaststellen of de vrouw naar evenredigheid heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 juli 2019

Zaaknummer : 200.250.323/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 18-94 (echtscheiding) en FA RK 18-3248 (afwikkeling

huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummers rechtbank : C/09/552577 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) en

C/09/545874 (echtscheiding)

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in de Verenigde Staten van Amerika,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.C. Meijler te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 28 november 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 augustus 2018 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 9 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 januari 2019 een V-formulier van 7 januari 2019 met bijlagen;

- op 28 mei 2019 een V-formulier van 27 mei 2019 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 27 mei 2019 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 7 juni 2019 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de vrouw haar advocaat.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.

De beide advocaten hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen, met elkaar gehuwd [in] 2014 te [plaats] , de echtscheiding uitgesproken.

Voorts is bepaald dat de man € 130.000,- aan de vrouw dient te vergoeden. De beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 22 oktober 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de kosten van de huishouding en de vergoedingsrechten met betrekking tot een Range Rover.

2. De man verzoekt de bestreden te vernietigen (het hof leest: met uitzondering van de uitgesproken echtscheiding) en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

het verzoek van de vrouw in eerste aanleg om de man te veroordelen om aan haar een bedrag van € 130.000,- ter zake van vergoedingsrechten betreffende de Range Rover alsnog af te wijzen, althans te beslissen dat de man de taxatiewaarde per peildatum aan de vrouw dient te vergoeden, althans te beslissen als het hof vermeent te behoren.

Voorts verzoekt de man alsnog toe te wijzen zijn verzoek in eerste aanleg, tot veroordeling van de vrouw om aan hem ter zake de terugvordering van de door hem betaalde kosten van de huishouding te voldoen een bedrag van € 138.030,35, te verhogen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het uitspreken van de beschikking tot de dag der algehele voldoening, althans te beslissen als het hof vermeent te behoren.

3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder verbetering of aanvulling van de gronden. Voorts verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de kosten van deze appelprocedure.

Vergoedingsrecht Range Rover

4. De man kan zich er niet mee verenigen dat hij aan de vrouw een bedrag van € 130.000,- dient te betalen ter zake een gekochte Range Rover. De man stelt dat er voldoende bewijs is waaruit blijkt dat de vrouw de Range Rover aan hem heeft geschonken. De man betwist niet dat de vrouw de auto uit haar privévermogen heeft betaald, maar meent dat sprake is van een onvoorwaardelijke schenking.

5. De vrouw betwist dat zij de Range Rover heeft geschonken. De vrouw stelt dat sprake is van een vermogensverschuiving, in die zin dat ten laste van haar vermogen een goed, te weten voormelde auto tot het vermogen van de man is gaan behoren. Aangezien de vrouw de schuld aan de verkoper heeft voldaan ontstaat volgens de vrouw de plicht tot vergoeding van het nominale bedrag.

6. Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een finaal verrekenbeding bij ontbinding van het huwelijk door overlijden. In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen ten aanzien van de vergoedingsplichten het volgende overeengekomen:

“1. In alle gevallen waarin tussen de echtgenoten een vermogensverschuiving plaatsvindt die leidt tot vermogensachteruitgang van een van beiden, ontstaat een recht op een nominale renteloze vergoeding ten bedrage van de verrijking van de ander.

2. Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot eveneens slechts een plicht tot vergoeding van het nominale bedrag, anders dan bepaald in artikel 1:87 Burgerlijk Wetboek.

3. Een vergoeding draag de wettelijke rente vanaf het moment dat de vergoedingsplichtige echtgenoot volgens de wet in gebreke is gesteld.

4. Indien het goed evenwel de echtelijke (gemeenschappelijke) woning betreft, te bepalen aan de hand van artikel 1:88 Burgerlijk Wetboek, dan wordt de omvang van het vergoedingsrecht vastgesteld conform het bepaalde in artikel 1:87 Burgerlijk Wetboek.

5. Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien de echtgenoten uitdrukkelijk anders overeenkomen”.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat ten laste van het privé-vermogen van de vrouw een Range Rover voor een bedrag van € 130.000,- is gekocht. Uit de aan het hof overgelegde en ter zitting besproken stukken is gebleken dat de Range Rover door de man is gekocht en aan hem is geleverd. De factuur staat op zijn naam en de man heeft, zoals door hem ter zitting in hoger beroep gesteld, de auto ook verzekerd. De man is derhalve eigenaar geworden van deze auto. Aanvankelijk stelde de man dat de auto zelf aan hem is geschonken. Ter zitting blijkt dat de man stelt dat het aankoopbedrag van de auto aan hem is geschonken door de vrouw. De vrouw betwist gemotiveerd dat zij het bedrag van € 130.000,- aan de man heeft geschonken.

Uit de huwelijkse voorwaarden blijkt van een totale vermogensscheiding. Blijkens voormeld artikel 3 zijn partijen expliciet een vergoedingsrecht met elkaar overeengekomen. Naar het oordeel van het hof kunnen geen van de door de man naar voren gebrachte getuigen iets verklaren met betrekking tot het tot stand komen van de gestelde gift van € 130.000,-, zodat het hof het bewijsaanbod van de man, in het bijzonder door het horen van getuigen, passeert. De door de man aangeboden getuigen kunnen immers enkel verklaren over de aflevering van de auto aan de man, maar niet over de thans gestelde gift van de vrouw aan de man van het bedrag van € 130.000,-.

Nu de Range Rover ten laste van het vermogen van de vrouw tot het vermogen van de man is gaan behoren, is er een vergoedingsrecht van de vrouw ontstaan nu de vrouw gemotiveerd betwist dat zij het aankoopbedrag aan de man heeft geschonken. De man beroept zich op een gift en zal het bewijs daarvoor moeten bijbrengen nu de vrouw die gift gemotiveerd betwist. .Hij heeft daarvoor geen bewijs bijgebracht anderszins dan het hiervoor vermelde bewijsaanbod. Ter zitting van het hof is voorts vast komen te staan dat de door het hof verzochte aangifte schenkbelasting voor een bedrag van € 130.000,- en een aanslag schenkbelasting niet door de man zijn overgelegd omdat de man geen aangifte schenkbelasting heeft gedaan. Daar tegenover heeft de man enkel gesteld dat de vrouw het meervermelde aankoopbedrag aan hem heeft geschonken, waarmee hij de auto heeft gekocht en welke aan hem is geleverd. Er zijn naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de vrouw haar vergoedingsrecht jegens de man niet geldend zou kunnen maken (Hoge Raad 5 april 2019, HR: 2019:504). Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht beslist dat de man een bedrag van € 130.000,- aan de vrouw dient te vergoeden.

Kosten van de huishouding

8. De man verzet zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn verzoek, om de vrouw te veroordelen om aan hem € 138.030,35 ter zake teveel door hem voldane kosten van de huishouding terug te betalen, is afgewezen. De vrouw kan zich daar niet mee verenigen en verzoekt de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.

9. Met betrekking tot de kosten van de huishouding zijn met name de artikelen 5 en 6 van de huwelijkse voorwaarden van partijen van belang .

In artikel 5 wordt onder inkomen niet alleen inkomen uit arbeid verstaan maar ook inkomen uit vermogen en andere inkomensbronnen, zoals onder meer rente, dividend en winst uit onderneming. Er is derhalve sprake van een ruim inkomensbegrip. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd dat voor wat betreft de kosten van de huishouding uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 5, te weten dat de kosten van de huishouding worden voldaan uit de in dat jaar genoten inkomens van de echtgenoten in de zin van artikel 5 en wel naar evenredigheid daarvan.

Zoals ter zitting van het hof reeds aan partijen is medegedeeld beschikt het hof over onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen of de man ter zake de kosten van de huishouding teveel heeft voldaan en of de vrouw uit dien hoofde het door hem verzochte bedrag aan hem dient te vergoeden.

Weliswaar is bij het hof een zeer aanzienlijk aantal producties ter zake de kosten van de huishouding in het geding gebracht maar er is per kalenderjaar geen inzicht in:

1. de totale kosten van de huishouding;

2. wie wat betaald heeft in het betreffende kalenderjaar;

3. wie welk inkomen heeft genoten dan wel heeft kunnen genieten in het betreffende kalenderjaar;

4. wie welk vermogen heeft in het betreffende kalenderjaar.

De man verwijt de vrouw dat zij tot op heden heeft geweigerd om inzage te geven in haar inkomsten en financiën maar afgezien daarvan heeft ook de man geen inzicht gegeven in de hiervoor door het hof genoemde punten. Het is zo voor het hof niet mogelijk om aan de hand van de evenredigheidsmaatstaf van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden ieders fourneerplicht ter zake van de kosten van de huishouding vast te stellen en op grond daarvan een eventuele betalingsverplichting van de vrouw jegens de man vast te stellen. Aangezien aldus niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 827 lid 1 letter f Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zodat het hof –evenals de rechtbank - het verzoek van de man zal afwijzen.

10. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2019.