Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2680

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
22-004448-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Transport chloor per spoor waarbij in strijd met de geldende wet- en regelgeving: reservoirwagens langer dan 8 uur op rangeeremplacement stonden zonder dat deze ten minste elke acht uur werden gecontroleerd.

Overweging omtrent uitleg voorschrift 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/9 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004448-17

Parketnummer: 10-994500-17

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte rechtspersoon:

de naamloze vennootschap [verdachte],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 17 juli 2019 en 8 oktober 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de onder 1 en 2 telkens impliciet primair ten laste gelegde misdrijven vrijgesproken en ter zake van de onder 1 en 2 telkens impliciet subsidiair ten laste gelegde overtredingen veroordeeld tot telkens een geldboete van € 15.000,-.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De beperking die de verdediging blijkens de akte rechtsmiddel heeft aangebracht aan de omvang van het appel is ter terechtzitting in hoger beroep niet gehandhaafd. Derhalve is de integrale tenlastelegging in hoger beroep aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
zij op 14 juni 2015, in de gemeente Zwijndrecht,

opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

(telkens) een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek, te weten:

(op spoor 116)

een reservoirwagen met wagennummer 3380 7809 678-5 (positie 1), leeg en ongereinigd van ETHYLEENOXIDE MET STIKSTOF, GEVI 263, UN 1040, klasse 2, classificatiecode 2TF, en/of

(op spoor 118)

een reservoirwagen met wagennummer 3380 7846 086-6 (positie 26), beladen met ACRYLNITRIL, GESTABILISEERD, GEVI 336, UN 1093, klasse 3, verpakkingsgroep I,

zonder één of meer door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en/of de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met artikel 3, bepaling 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

heeft zij, verdachte, als vervoerder, genoemde reservoirwagens met die gevaarlijke stoffen of resten daarvan, zijnde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in voorschrift 1.10.3.1.2 van bijlage 1 van de VSG (RID), telkens (langer dan 8 uur) laten staan op dat rangeeremplacement zonder dat die reservoirwagens ten minste elke acht uur werden gecontroleerd op onregelmatigheden

althans,

zonder dat er een registratie werd bijgehouden van controles van die wagens en/of het onder toezicht staan van die wagens (als bedoeld in het vierde lid van bepaling 1.9.5.1 NE van artikel 3 van bijlage 2 van de VSG);

2
zij op 21 juni 2015, in de gemeente Zwijndrecht,

opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

(telkens) een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek, te weten:

(op spoor 113)

een reservoirwagen met wagennummer 3784 7809 159-8 (positie 48), beladen met BUTADIENEN, GESTABILISEERD, GEVI 239, UN 1010, klasse 2, classificatiecode 2F, en/of

(op spoor 115)

een reservoirwagen met wagennr 3380 7813 707-6 (positie 7), leeg en ongereinigd van AMMONIAK, WATERVRIJ, GEVI 268, UN 1005, klasse 2, classificatiecode 2TC,

zonder één of meer door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en/of de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met artikel 3, bepaling 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

heeft zij, verdachte, als vervoerder, genoemde reservoirwagens met die gevaarlijke stoffen of resten daarvan, zijnde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in voorschrift 1.10.3.1.2 van bijlage 1 van de VSG (RID), telkens (langer dan 8 uur) laten staan op dat rangeeremplacement zonder dat die reservoirwagens ten minste elke acht uur werden gecontroleerd op onregelmatigheden

althans,

zonder dat er een registratie werd bijgehouden van controles van die wagens en/of het onder toezicht staan van die wagens (als bedoeld in het vierde lid van bepaling 1.9.5.1 NE van artikel 3 van bijlage 2 van de VSG).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van gronden, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en ten dien aanzien opnieuw rechtdoende, dat de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 telkens impliciet primair ten laste gelegde misdrijven zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Beoordeling van de tenlastelegging

Uitleg aanvullend voorschrift 1.9.5.1 NE

De raadsman heeft aangegeven dat de uit het aanvullend voorschrift 1.9.5.1 NE voortvloeiende controleplicht zo dient te worden begrepen, dat telkens binnen acht uur de wagens per complex of terrein waarop de wagens staan, dienen te worden gecontroleerd indien en voor zover er op dat terrein niet met enige wagen een rangeerbeweging wordt uitgevoerd. In ieder geval heeft de verdachte dit zo begrepen en heeft zij daarnaar gehandeld. De juistheid van deze uitleg blijkt volgens de raadsman a contrario uit de omstandigheid dat per 19 april 2019 dit voorschrift aldus is gewijzigd dat in onderdeel 1, onder a, “het rangeerproces op het desbetreffende rangeeremplacement” is vervangen door ”het rangeerproces van die wagen of wagens op het desbetreffende rangeeremplacement”.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de bedoelde controleplicht niets anders kan behelzen dan dat telkens binnen acht uur de stilstaande en uitgerangeerde wagens met gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel per spoor, waarop zij op het rangeeremplacement staan, dienen te worden gecontroleerd. Dat vindt bevestiging in de van de verdachte zelf afkomstige aftekenlijsten waarop per spoor dient te worden afgetekend op welk tijdstip de controle is uitgevoerd. Het standpunt van de raadsman is ook in praktisch opzicht onhoudbaar, gelet op de omvang van het rangeeremplacement Kijfhoek, dat 50 hectare beslaat en bestaat uit 43 verdeelsporen, 14 aankomstsporen en 12 optelsporen. De door de raadsman bepleite uitleg zou ook ernstig afbreuk doen aan het met het voorschrift gemoeide belang van het regelmatig controleren van wagens met een gevaarlijke inhoud, namelijk het voorkomen van ernstig gevaar voor mens en milieu dat zou kunnen optreden bij lekkage of andere schade aan die wagens.

Het hof is ook niet gebleken van een gewijzigd standpunt van de wetgever ten aanzien van de wijze waarop de controle dient plaats te vinden. Eerder is hier sprake van een verduidelijking, en niet van een inhoudelijke wijziging van de regelgeving. Als de verdachte al twijfels had omtrent de vraag hoe de controle diende plaats te vinden, had zij zich in verbinding kunnen stellen met de bevoegde autoriteiten om hieromtrent uitsluitsel te verkrijgen.

Het verweer wordt verworpen.

Toerekenbaarheid

Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen bewezen kan worden verklaard dat de in de tenlastelegging genoemde reservoirwagens waren beladen met gevaarlijke stoffen dan wel leeg en ongereinigd waren van gevaarlijke stoffen en dat deze op het rangeeremplacement Kijfhoek stonden, terwijl deze niet ten minste elke acht uur zijn gecontroleerd op onregelmatigheden.

Het hof stelt voorop dat de verdachte als de geadresseerde van deze ten laste gelegde normen valt aan te merken.

De handelingen bedoeld in de tenlastelegging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen daarom in redelijkheid aan haar worden toegerekend. De controles en de registratie van deze controles hadden immers door de medewerkers die werkzaam waren ten behoeve van de verdachte gedaan moeten worden terwijl de verdachte erover vermocht te beschikken of deze werkzaamheden al dan niet zouden plaatsvinden en de verdachte als werkgever de verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat de veiligheidsvoorschriften ook daadwerkelijk op juiste wijze worden toegepast.

Opzet

Overeenkomstig de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de overtredingen opzettelijk zijn begaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat sprake is geweest van overtredingen in twee opeenvolgende weekenden en niet van overtredingen daarvoor of daarna, hetgeen doet vermoeden dat het gaat om nalatig handelen van enkele werknemers. Uit de gebruikte aftekenlijsten volgt juist dat de werknemers wel hebben getracht, en kennelijk zo zijn geïnstrueerd, de controles elke acht uur te doen plaatsvinden. Het merendeel van de controles in de betreffende periode was ook op tijd uitgevoerd. Daarnaast heeft [veiligheidsadviseur], veiligheidsadviseur van de verdachte, verklaard dat de overtredingen niet passen binnen de bedrijfsvoering van de verdachte en er destijds maatregelen zijn getroffen om verzuim in de toekomst te voorkomen. Daarnaast is niet gebleken van een structureel verzuim dat te wijten is aan een gebrek aan sturing van de werknemers.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
zij op 14 juni 2015, in de gemeente Zwijndrecht,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

telkens een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek, te weten:

(op spoor 116)

een reservoirwagen met wagennummer 3380 7809 678-5, leeg en ongereinigd van ETHYLEENOXIDE MET STIKSTOF, GEVI 263, UN 1040, klasse 2, en

(op spoor 118)

een reservoirwagen met wagennummer 3380 7846 086-6, beladen met ACRYLNITRIL, GESTABILISEERD, GEVI 336, UN 1093, klasse 3, verpakkingsgroep I,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met bepaling 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

heeft zij, verdachte, als vervoerder, genoemde reservoirwagens met die gevaarlijke stoffen of resten daarvan, zijnde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in voorschrift 1.10.3.1.2 van bijlage 1 van de VSG (RID), telkens langer dan 8 uur laten staan op dat rangeeremplacement zonder dat die reservoirwagens ten minste elke acht uur werden gecontroleerd op onregelmatigheden

(als bedoeld in het vierde lid van bepaling 1.9.5.1 NE van artikel 3 van bijlage 2 van de VSG);

2
zij op 21 juni 2015, in de gemeente Zwijndrecht,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

telkens een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek, te weten:

(op spoor 113)

een reservoirwagen met wagennummer 3784 7809 159-8, beladen met BUTADIENEN, GESTABILISEERD, GEVI 239, UN 1010, klasse 2, classificatiecode 2F, en

(op spoor 115)

een reservoirwagen met wagennr 3380 7813 707-6, leeg en ongereinigd van AMMONIAK, WATERVRIJ, GEVI 268, UN 1005, klasse 2,

zonder Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met bepaling 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

heeft zij, verdachte, als vervoerder, genoemde reservoirwagens met die gevaarlijke stoffen of resten daarvan, zijnde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in voorschrift 1.10.3.1.2 van bijlage 1 van de VSG (RID), telkens (langer dan 8 uur) laten staan op dat rangeeremplacement zonder dat die reservoirwagens ten minste elke acht uur werden gecontroleerd op onregelmatigheden

(als bedoeld in het vierde lid van bepaling 1.9.5.1 NE van artikel 3 van bijlage 2 van de VSG).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Verbindendheid voorschrift 1.9.5.1 NE van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (hierna: VSG)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat het voorschrift 1.9.5.1 NE onverbindend dient te worden verklaard.

Het verweer van de raadsman stelt de vraag aan de orde, of het gebied dat wordt bestreken door de regeling van het op het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (hierna: RID) aanvullende voorschrift 1.9.5.1 NE niet reeds wordt afgedekt door het RID, in het bijzonder door sectie 1.9.2 aanhef en onder b van het RID. In dat geval zou de wetgever, gelet op het bepaalde in sectie 1.9.5. van het RID, geen aanvullende regeling hebben mogen treffen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het RID is bijlage C bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF, Trb. 1980, 160). De Nederlandse vertaling is opgenomen als bijlage 1 bij de VSG. Het RID wordt tweejaarlijks gereviseerd. De verplichting het RID in nationale wetgeving te implementeren vloeit voort uit artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 (PB L 260/13, hierna: de richtlijn). Die implementatie heeft zijn beslag gekregen in – voor zover hier van belang – de Wet Vervoer gevaarlijke stoffen en de VSG.

Het aanvullend voorschrift 1.9.5.1 NE, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de VSG, luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt:

1. In deze NE-bepaling wordt verstaan onder:

a. laten staan: het feitelijk aanwezig zijn van een wagen of van wagens in stilstand op een spoorweg buiten de inrichting van de afzender of geadresseerde, nadat het rangeerproces op het desbetreffende rangeeremplacement is afgesloten;

b. onregelmatigheid: een voorval waarbij de desbetreffende wagen of de lading niet meer voldoet aan de voorschriften van deze regeling.

2. Het laten staan van wagens met de in de randnummers 1.10.3.1.2 en 1.10.3.1.3 van bijlage 1 bedoelde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel en wagens waarop zich – conform randnummer 1.1.4.4 van bijlage 1 in het gecombineerde rail/wegvervoer gebruikte – wegvoertuigen met dergelijke goederen bevinden, is slechts toegestaan indien de leden 3 tot en met 6 in acht wordt genomen.

3. Alvorens de in het tweede lid bedoelde wagens te laten staan, worden deze gecontroleerd op onregelmatigheden. Deze controle wordt tijdens het laten staan ten minste elke acht uur herhaald, tenzij de wagens onder voortdurend toezicht staan.

4. Van de controle en het onder toezicht staan wordt een registratie bijgehouden. Hierin worden ten minste de volgende gegevens aangegeven:

a. wagennummer;

b. datum en tijdstip van de controle;

c. geconstateerde onregelmatigheden;

d. eventueel genomen maatregelen.

5. De controle en het onder toezicht staan als bedoeld in het derde lid en de registratie, bedoeld in het vierde lid, geschieden onder verantwoordelijkheid van de vervoerder.

6. De registratie, bedoeld in het vierde lid wordt gedurende ten minste drie maanden bewaard.

De betreffende secties van het RID luidden ten tijde van de ten laste gelegde tijdstippen - voor zover van belang - als volgt:

1.9.1.

Een RID-Verdragsstaat kan bepaalde aanvullende voorschriften, die niet in het RID zijn opgenomen, voor het internationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen op zijn grondgebied van toepassing verklaren, onder voorwaarde dat deze aanvullende voorschriften:

- genoemd zijn in sectie 1.9.2.

(…)

1.9.2.

De in sectie 1.9.1. genoemde aanvullende voorschriften zijn:

a) aanvullende voorschriften of de veiligheid dienende beperkingen voor vervoer

- waarbij gebruik gemaakt wordt van bepaalde kunstwerken, zoals bruggen of tunnels,

- waarbij gebruik gemaakt wordt van inrichtingen voor het gecombineerde verkeer, zoals overslaginrichtingen, of

- dat begint of eindigt in havens, spoorwegstations of andere terminals voor het vervoer.

b) voorschriften waarmee het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen over spoorlijnen met bijzondere of plaatselijke risico's, zoals spoorlijnen door woongebieden, ecologisch kwetsbare gebieden, economische centra of industriële zones met gevaarlijke installaties wordt verboden of wordt onderworpen aan bijzondere voorwaarden, zoals exploitatieve maatregelen (verminderde snelheid, vastgelegde rijtijd, verbod van tegentreinen, etc.). De bevoegde autoriteiten moeten, voor zover mogelijk, alternatieve spoorlijnen aanwijzen, die gebruikt kunnen worden in plaats van de spoorlijnen, die zijn uitgesloten of die aan bijzondere voorwaarden zijn onderworpen.

c) bijzondere voorschriften, waarin uitgesloten of bepaalde aangewezen spoorlijnen worden vermeld, of voorschriften die in acht genomen moeten worden bij tijdelijk oponthoud als gevolg van weersomstandigheden, aardbevingen, ongevallen, demonstraties, burgeroproer of militaire gevechtsacties.

1.9.3

De toepassing van de aanvullende voorschriften overeenkomstig 1.9.2 a) en b) veronderstelt dat de bevoegde autoriteit de noodzaak van de maatregelen aantoont.

1.9.4

De bevoegde autoriteit van de RID-Verdragsstaat die aanvullende voorschriften overeenkomstig 1.9.2 a) of b) op zijn grondgebied van toepassing verklaart, stelt, in het algemeen van te voren, het secretariaat van de OTIF op de hoogte van de aanvullende voorschriften; het secretariaat van de OTIF stelt de RID-Verdragsstaten hiervan in kennis.

1.9.5

Niettegenstaande de voorschriften van voorgaande secties kunnen de RID-Verdragsstaten bijzondere veiligheidsvoorschriften voor het internationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen vaststellen – voor zover het betreffende gebied niet wordt afgedekt door het RID - in het bijzonder met betrekking tot:

- het treinverkeer,

- de reglementering van bedrijfsprocessen, die samenhangen met het vervoer, zoals het rangeren of overstaan,

- de registratie van gegevens over de vervoerde gevaarlijke goederen,

onder voorwaarde dat deze voorschriften zijn opgenomen in de nationale wetgeving van de RID-Verdragsstaat en ook van kracht zijn voor het nationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen over het grondgebied van de RID-Verdragsstaat.

Deze bijzondere voorschriften mogen niet betrekking hebben op gebieden, die worden afgedekt door het RID, en meer in het bijzonder niet de gebieden, genoemd in 1.1.2 a) en 1.1.2 b).

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat het gebied dat het aanvullende voorschrift 1.9.5.1 NE bestrijkt, niet reeds wordt afgedekt door sectie 1.9.2 aanhef en onder b) van het RID. Laatstgenoemde bepaling ziet in het bijzonder op voorschriften waarmee het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen over spoorlijnen met bijzondere of plaatselijke risico’s wordt verboden of aan bijzondere voorwaarden wordt onderworpen. Het accent in deze bepaling ligt dus op voorschriften die gelden op bepaalde spoorlijnen met een bijzonder risico, terwijl ook de overige bepalingen van sectie 1.9.2 van het RID met name zien op voorschriften die verband houden met de infrastructuur en niet op veiligheidsvoorschriften die verband houden met de wijze waarop het treinverkeer dient te worden gereguleerd.

Het aanvullend voorschrift 1.9.5.1 NE houdt wèl verband met de wijze waarop het treinverkeer dient te worden gereguleerd wanneer bepaalde gevaarlijke stoffen per spoor worden vervoerd. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit aanvullend voorschrift dan ook geen voorschrift is als bedoeld in sectie 1.9.2 van het RID en ook overigens geen betrekking heeft op gebieden die door het RID worden afgedekt.

Sectie 1.9.5 van het RID geeft de mogelijkheid tot de vaststelling van bijzondere veiligheidsvoorschriften voor het internationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen in het bijzonder met betrekking tot het treinverkeer. Van die ruimte heeft Nederland gebruik gemaakt door het vaststellen van onder andere het aanvullend voorschrift 1.9.5.1 NE.

Van strijdigheid met de secties 1.9.1 tot en met 1.9.5 van het RID is dan ook geen sprake.

Ook de richtlijn geeft die ruimte. De considerans bij de richtlijn onder 10 luidt in dat verband:

“Onverminderd de Gemeenschapswetgeving en de bepalingen van bijlage … II, deel II.1 (1.9.), (bedoeld is het RID, opmerking hof)… moeten de lidstaten op grond van de veiligheid van het vervoer het recht behouden om bepalingen te handhaven of in te voeren op gebieden die niet onder deze richtlijn vallen. Deze bepalingen moeten duidelijk en specifiek zijn.”

Aan dit laatste vereiste voldoet genoemd aanvullend voorschrift.

Kwalificatie

Het onder 1 en 2 telkens impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op, telkens:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich kort gezegd schuldig gemaakt aan twee overtredingen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, door zich niet te houden aan de controleplicht. De bepalingen neergelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen beogen de veiligheid te waarborgen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, in dit geval vervoer over het spoor. Als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen rust een grote verantwoordelijkheid op de verdachte om met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen en erop toe te zien dat dit ook gebeurt door een ieder die bij de uitvoering van die werkzaamheden is betrokken. Dit heeft de verdachte onvoldoende zorgvuldig gedaan. In het nadeel van de verdachte weegt mee dat de overtredingen begaan zijn met betrekking tot goederen met een hoog gevarenpotentieel.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2019 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, nu het hoger beroep op 4 oktober 2017 is ingesteld en het eindarrest op 8 oktober 2019 is gewezen. Het hof is van oordeel dat vanwege de geringe overschrijding, te weten 4 dagen, kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat voor elke overtreding een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboetes is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 51, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 3 alsmede bijlage I en bijlage II van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 telkens impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 telkens impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 15.000,00 (vijftienduizend euro).

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 15.000,00 (vijftienduizend euro).

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven,

mr. A.L. Frenkel en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 oktober 2019.