Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2671

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
200.248.896/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoerszaak. Internationale bevoegdheid ex art. 31 lid 1 CMR. Art. 110 lid 1 en 270 Rv. Ambtshalve onderzoek kantonrechter naar relatieve bevoegdheid. Hof wijst zaak terug naar kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2020/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.248.896/01

Zaaknummer rechtbank : 6680547 CV EXPL 18-6971

arrest van 20 augustus 2019

inzake

V.C.T. Container Transport B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: VCT,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Rotterdam,

tegen

1 C.V. Missiewerk (Kringloop),

gevestigd te Meer (Hoogstraten), België,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

niet verschenen.

1 Het geding

Bij exploot van 5 oktober 2018, hersteld bij herstelexploot van 31 januari 2019 is VCT in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter te Rotterdam op tegenspraak gewezen vonnis van 3 augustus 2018. Tegen de in hoger beroep niet verschenen Missiewerk en [geïntimeerde 2] is op 19 februari 2019 verstek verleend. In haar daarop genomen memorie van grieven heeft VCT één grief aangevoerd en gevorderd dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van VCT jegens Missiewerk en [geïntimeerde 2] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Missiewerk en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, en het arrest als Europese Executoriale Titel zal waarmerken.

2 De feiten

2.1

Op grond van de niet betwiste stellingen en producties, gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.2

Op 17 maart 2017 heeft [… 1] (hierna: [… 1]) bij VCT een offerte opgevraagd voor transportwerkzaamheden. De desbetreffende e-mail luidt:

“Wij zijn een organisatie die op grote schaal tweedehands goederen exporteert voor sociale en commerciële projecten. Momenteel maken wij elke weekdag gebruik van een sideloader transporteur die de containers wisselt dmv het neerzetten van de container op de grond naast ons huidige magazijn in Meer-Hoogstraten. Omdat wij binnenkort verhuizen naar een groter pand met laaddokken willen we overschakelen op standaard container transport op chassis. Graag had ik van jullie een offerte ontvangen voor de volgende transporten:

Elke weekdag: Uithalen container APM RTM - wissel met trailer in Meer-Hoogstraten – inleveren APM RTM

We zouden op deze nieuwe locatie in Meer 2 trailers (we hebben er zelf geen) hebben staan die maximum 2 dagen stil zouden blijven staan (4 dagen als er een weekend passeert).

(…)”

2.3

Op 21 maart 2017 heeft [… 2] (hierna: [… 2]) aan [… 1] de volgende e-mail gestuurd:

“Goedemorgen [… 1]

Betreft afkoppel, wisselchassis.

Wij kunnen als volgt aanbieden,

Maasvlakte / Meer-Hoogstraten / Rotterdam 235.00 euro per tour

Chassishuur per dag 35.00 euro.

(...)”

2.4

Op 26 maart 2017 heeft [… 1] aan [… 2] de volgende e-mail gestuurd:

“Beste [… 2],

Wij willen graag vanaf week 14 op jullie dienst doen voor deze transporten. Ik zal in de loop van deze week contact opnemen hiervoor.

Ik vroeg me af of er misschien nog iets gedaan kon worden aan de prijs van de chassis huur?

(…)

[… 1]

Medewerker MissieWerk

http://www.missiewerk.info

kristof@missiewerk.info”

2.5

Op 29 maart 2017 heeft [… 1] aan [… 2] de volgende e-mail gestuurd:

“Beste [… 2],

Zoals telefonisch afgesproken stuur ik je ons adres: Krekelstraat 8, 2321 Meer

Alvast bedankt en tot vrijdag 10:30 uur.

(…).”

2.6

Op 31 maart 2017 heeft [… 3] van de in België gevestigde firma [x] aan [… 2] geschreven:

“Onderwerp: Missiewerk - weekplanning 14

(…)

Ik heb van [… 1] doorgekregen dat jullie de chassistransporten voor Missiewerk voor jullie rekening gaan nemen.

De containers worden steeds leeg uitgehaald in Rotterdam, naar één van de laadplaatsen van missiewerk gebracht en blijven daar enkele dagen staan voor belading tot hij weer vol naar kaai mag.

Er wordt steeds getracht om het leeg brengen van een container te combineren met het afhalen van een volle container.

Laadreferentie is telkens de referentie van Missiewerk (…)

(…)

De planning voor volgende week ziet er als volgt uit:

Woensdag 05/04:

(…)”

2.7

Op 11 april 2017 heeft [… 2] aan [… 1] de volgende e-mail gestuurd:

“Goedemorgen [… 1]

In de bijlage onze factuur.”

2.8

Hierop heeft [… 1] bij e-mail van 20 april 2017 als volgt geantwoord:

“Beste [… 2],

Bedankt voor de factuur. U mag deze steeds naar michael.ten.hengel@icloud.com sturen aub.”

2.9

[geïntimeerde 2] is beherend vennoot van Missiewerk. Tussen VCT en [geïntimeerde 2] is per e-mail gecorrespondeerd over niet betaalde facturen. Op 16 mei 2017 heeft [geïntimeerde 2] van zijn rekening € 1.244,01 aan VCT overgemaakt. Het rekeningafschrift van VCT vermeldt hierbij:

“Pago Factura Galeria Treinta Y D”.

2.10

Een overzicht van openstaande facturen van VCT, gedateerd 24 oktober 2017, luidt onder meer:

“033441 Galeria Treinta y Dos Inversiones S, [adres] (…)”

en bedraagt in totaal € 16.697,74.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 6 december 2017 heeft VCT de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam en daarbij gevorderd de veroordeling van Missiewerk en [geïntimeerde 2] tot betaling van € 16.697,74 ter zake van onbetaald gebleven facturen voor door haar in opdracht van Missiewerk verrichte transportwerkzaamheden in Nederland en België, een en ander met handelsrente en incassokosten. Missiewerk en [geïntimeerde 2] hebben in eerste aanleg de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist en daarnaast inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van VCT.

3.2

De kantonrechter heeft zich in het bestreden vonnis (relatief) onbevoegd verklaard. Volgens de kantonrechter is weliswaar de Nederlandse rechter internationaal bevoegd op grond van art. 31 lid 1 CMR, maar kon hij zijn relatieve bevoegdheid niet vaststellen omdat VCT niet had gesteld waar in Nederland de plaats van aflevering of inontvangstneming was gelegen.

3.3

De tegen dit oordeel gerichte grief 1 slaagt. De kantonrechter heeft, nu de vordering van VCT minder dan € 25.000,- bedraagt, op zichzelf genomen terecht geoordeeld dat hij ambtshalve zijn relatieve bevoegdheid diende te onderzoeken (art. 110 lid 1, tweede zin, Rv). Indien zodanig onderzoek (in de processtukken) leidt tot de constatering dat er vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen vaststellen welke kantonrechter relatief bevoegd is – waardoor een verwijzing als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel niet aan de orde is – ligt een ambtshalve onbevoegdverklaring niet voor de hand: er is immers niet positief vastgesteld dat bevoegdheid ontbreekt (vgl. art. 270 Rv). In zo’n geval kan nader onderzoek geboden zijn. Daarbij kan door partijen eventueel gebruik worden gemaakt van een processuele keuze voor de rechter waar de zaak aanhangig is (vgl. art. 108 Rv).

Los hiervan heeft VCT in hoger beroep – onweersproken – aangevoerd dat de goederen in ontvangst zijn genomen in onder meer Dordrecht, Tilburg, de Maasvlakte en Rotterdam, zodat hiervan moet worden uitgegaan. Daarmee is, in ieder geval voor zover de vorderingen van VCT zijn gebaseerd op in Dordrecht, de Maasvlakte en Rotterdam in ontvangst genomen goederen, de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te Rotterdam gegeven (art. 630 Rv).

3.4

Anders dan VCT voorstaat, zal het hof de zaak niet aan zich houden, maar terugwijzen naar de kantonrechter. De onderhavige situatie, waarin de kantonrechter, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak, heeft volstaan met een (relatieve) onbevoegdverklaring die in hoger beroep geen stand houdt, kan naar het oordeel van het hof op één lijn worden gesteld met de gevallen waarin de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard en waarin terugwijzing moet volgen.

3.5

Nu Missiewerk en [geïntimeerde 2] de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te Rotterdam als zodanig niet hebben betwist en VCT eerst in hoger beroep de onder 3.3 (slot) vermelde feitelijke aanknopingspunten voor de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te Rotterdam heeft aangevoerd, ziet het hof aanleiding voor een verdeling bij helfte van de proceskosten. Missiewerk en [geïntimeerde 2] zullen daarom – hoofdelijk, zoals onweersproken gevorderd – worden veroordeeld in de helft van de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 3 augustus 2018 van de kantonrechter te Rotterdam;

wijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing terug naar die kantonrechter;

veroordeelt Missiewerk en [geïntimeerde 2] – hoofdelijk – in de (helft van de) kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.050,50 voor verschotten en op € 537,- (1/2 x tarief II) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, J.M. van der Klooster en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.