Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2650

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
BK-17/00644
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4225, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is voor 2016 een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd. In de loop van de procedure in hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar een nieuwe aanslag BIZ-bijdrage voor 2016 aan belanghebbende opgelegd voor hetzelfde bedrag. Hof: Aangezien de BIZ-verordening ten tijde van het opleggen van de oude aanslag nog niet verbindend was, moet die aanslag worden vernietigd. De Verordening is op 9 september 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 in werking getreden. Voor belanghebbende was de heffing van de BIZ-bijdrage over 2016 in redelijkheid voorzienbaar gelet op het feit dat de Verordening reeds op 22 september 2015 bekend gemaakt is in het gemeenteblad. Aangezien de nieuwe aanslag ter vervanging dient van de niet rechtsgeldige aanslag, heeft het ingestelde hoger beroep van rechtswege mede betrekking op de nieuwe aanslag van 27 december 2018 (artikel 6:19 juncto 6:24 Awb). Belanghebbende stelt dat de aanslag niet op een verbindende verordening berust omdat de totstandkomingsprocedure van de BIZ-bijdrage niet rechtsgeldig is geweest, aangezien zij geen stembiljet heeft ontvangen. De Heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat het stembiljet naar belanghebbende is verzonden. Echter, nu belanghebbende op de hoogte was van het voornemen om de Verordening in werking te laten treden en een BI-zone in te stellen en zij de mogelijkheid heeft gehad en genomen zich schriftelijk uit te spreken tegen de inwerkingtreding hiervan, is voldaan aan de eis van draagvlakmeting (artikel 4, lid 2, Wet BIZ). Voorts is sprake van ruim voldoende steun onder de bijdrageplichtigen als bedoeld in artikel 5 van de Wet BIZ. Het Hof is derhalve van oordeel dat de aanslag berust op een (ook jegens belanghebbende) verbindende verordening. Aangezien de BIZ-bijdrage een bestemmingsheffing is, hoeft in de relatie met de belastingplichtige geen sprake te zijn van een rechtstreekse tegenprestatie in de vorm van een verleende dienst of een voorziening waarvan de belastingplichtige gebruik maakt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het Businessplan opgenomen activiteiten en voorzieningen tevens zijn voorzien in het Service Level Agreement dat de door de gemeente te verrichten activiteiten bevat. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-10-2019
FutD 2019-2810
V-N Vandaag 2019/2394
Belastingblad 2019/417 met annotatie van J.P. Kruimel
NTFR 2019/2898
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00644

Uitspraak van 18 september 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nissewaard, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: [B] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 2 juni 2017, nummer ROT 16/5430.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het belastingjaar 2016 een aanslag BIZ-bijdrage Centrum [C] ten bedrage van € 405 (de aanslag) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld.

In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 334.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op 5 december 2017 een nader stuk, gedagtekend 1 december 2017, met drie bijlagen naar het Hof gestuurd.

1.7.1.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [D] B.V., kenmerk BK-17/00643, betreffende een aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2016. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

1.7.2.

Na sluiting van het onderzoek heeft de Heffingsambtenaar op 14 december 2017 een brief, gedagtekend 12 december 2017, met drie bijlagen naar het Hof gezonden. Hierin heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Belanghebbende heeft bij brief, gedagtekend 15 januari 2018, bij het Hof binnengekomen op 18 januari 2018, op de nadere brief van de Heffingsambtenaar gereageerd. De Heffingsambtenaar heeft op 5 maart 2018 een nader stuk, gedagtekend 2 maart 2018, met acht bijlagen naar het Hof gestuurd. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 14 maart 2018 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is wederom tevens behandeld het hoger beroep van [D] B.V., kenmerk BK-17/00643, betreffende een aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2016. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

1.7.3.

Na sluiting van het onderzoek heeft belanghebbende op 20 maart 2018 een brief, gedagtekend 16 maart 2018, met twee bijlagen naar het Hof gezonden. Hierin heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek wederom te heropenen. De Heffingsambtenaar heeft bij brief, gedagtekend 9 april 2018, met twee bijlagen bij het Hof binnengekomen op 10 april 2018, op de nadere brief van belanghebbende gereageerd. Belanghebbende heeft op 26 april 2018 een nader stuk, gedagtekend 23 april 2018, naar het Hof gestuurd. Een derde mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 13 juni 2018 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [D] B.V., kenmerk BK-17/00643, betreffende een aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2016. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

1.7.4.

De Heffingsambtenaar heeft op 27 december 2018 een brief, gedagtekend eveneens 27 december 2018, met drie bijlagen naar het Hof gezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van de nadere brief van de Heffingsambtenaar, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. De als bijlage bij deze brief gevoegde, nieuwe aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2016 die met dagtekening 27 december 2018 aan belanghebbende is opgelegd, is door het Hof op grond van artikel 6:19, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht mede in het hoger beroep betrokken. Bij brief van 14 januari 2019 heeft het Hof partijen op de hoogte gebracht van deze beslissing en is aan belanghebbende ter kennisneming een afschrift van de nadere brief (met bijlagen) van de Heffingsambtenaar gezonden.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak (niet-woningen), plaatselijk bekend [E] te [C] . Ter zake daarvan is haar de aanslag opgelegd.

2.2.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones
(Wet BIZ) kan de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

2.3.

In het kader van de Wet BIZ heeft de Ondernemersvereniging Vereniging Centrum Promotions [C] /Stichting BIZ Stadscentrum [C] (hierna ook: de Stichting BIZ) de gemeente Nissewaard verzocht om een bedrijveninvesteringszone (BI-zone of BIZ) in te stellen en een BIZ-heffing in te voeren voor het stadscentrum van [C] (het BIZ-gebied). Op 16 september 2015 heeft de raad van de gemeente Nissewaard de Verordening Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum [C] 2016-2020 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is op 22 september 2015 bekend gemaakt door publicatie in het Gemeenteblad 2015, nr. 87259. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1 Belastbaar feit, aard van de belasting en aanwijzing bedrijveninvesteringszone

  1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  2. De BIZ-bijdrage is een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

  3. Het Stadscentrum van [C] , zoals aangeduid op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaart, wordt aangewezen als bedrijveninvesteringszone.

Artikel 2 Belastingplicht

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van:

a. de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject gebruikt;

b. de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject.

(…)

Artikel 3 Belastingobject

1. Belastingobject is de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient.

(…)

Artikel 4 Maatstaf van heffing

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2016.

(…)

Artikel 5 Tarieven BIZ-bijdrage

Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt zowel voor de gebruiker als voor de eigenaar 0,15% van de heffingsmaatstaf, met dien verstande dat het tarief ten minste € 300,00 en ten hoogste

€ 5.000,00 bedraagt.

Artikel 6 Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van vijf jaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

(…)

Artikel 12 Subsidieregeling en aanwijzing Stichting

  1. De opbrengst van de BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt, ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

  2. De subsidie wordt verstrekt aan de Stichting BIZ Stadscentrum [C] .

  3. De te subsidiëren activiteiten, en de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de subsidie wordt verstrekt, zijn verder uitgewerkt in de Uitvoeringsovereenkomst Bedrijven Investeringszone Stadscentrum [C] van 18 augustus 2015, met bijlagen, waaronder het Businessplan Centrummanagement [C] .

  4. Met inachtneming van de in het vierde lid bedoelde afspraken kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen.

(…)

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip.

Artikel 15 Datum en ingang van de heffing

De datum en ingang van de heffing is 1 januari 2016.”

Bij de Verordening is een kaart gevoegd van het gebied dat in artikel 1, lid 3, van de Verordening is aangewezen als bedrijveninvesteringszone.

In het Gemeenteblad 2016, nr. 123863 van 8 september 2016 is gepubliceerd het 'Besluit vaststelling draagvlakmeting en inwerkingtreding Verordening Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum [C] 2016-2020'. Artikel II van dit besluit luidt als volgt:

"Artikel II

De Verordening Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum [C] 2016-2020 treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin dit Besluit vaststelling draagvlakmeting en inwerkingtreding Verordening Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum [C] 2016-2020 wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2016."

2.4.

De tussen de gemeente Nissewaard en de Stichting BIZ gesloten uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7, lid 3, van de Wet BIZ en het als bijlage bij deze overeenkomst behorende Businessplan Centrummanagement [C] (het Businessplan) maken deel uit van de gedingstukken. Het Businessplan beoogt - kort gezegd - de uitstraling en (economische) aantrekkingskracht van het stadscentrum van [C] te vergroten. In hoofdstuk 3 van het Businessplan zijn de in dat kader voorgestelde projecten vermeld. In hoofdstuk 5 is een begrotingsvoorstel voor de jaren 2016 tot en met 2020 opgenomen. Het begrotingsvoorstel bevat voor het jaar 2016 voor zover van belang de volgende begrotingsposten van de directe kosten:

Operationele kosten:

Evenementen € 200.000

Sfeer en beleving € 25.000

Marketing, promotie en externe communicatie € 65.000

Nieuwe services € 40.000

Draagvlak, samenwerking en ondernemerschap € 5.000

Veiligheid en beheer openbare ruimte € 20.000

Branchering en leegstand € 5.000

Bereikbaarheid en parkeren € 10.000

Totaal: € 370.000

2.5.

De gemeenteraad van de gemeente [C] en de Stichting BIZ hebben de ingevolge artikel 7, lid 5, van de Wet BIZ vereiste afspraken betreffende het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode waarvoor de BIZ-bijdrage geldt, gemaakt. Dit zogenoemde Service Level Agreement (SLA) behoort tot de gedingstukken en is gedagtekend 3 augustus 2015.

2.6.

Artikel 4 van de Wet BIZ bepaalt dat de verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld niet in werking treedt dan nadat is gebleken van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen. Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken (de draagvlakmeting). In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, van de Wet BIZ wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige. Het college van burgemeester en wethouders zorgt er voor dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.

2.7.

Ingevolge artikel 5 van de Wet BIZ is van voldoende steun sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat:

a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,

b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en

c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet BIZ van onroerende zaken in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort het proces-verbaal tot vaststelling van de telling van het aantal stemmen met betrekking tot het instellen van een Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum [C] , gedagtekend 30 oktober 2015 en opgemaakt door notaris mr. [F] . In dit proces-verbaal is onder meer vermeld dat de draagvlakmeting heeft plaatsgevonden van 1 oktober 2015 tot en met 23 oktober 2015, dat alle stembiljetten die tot laatst vermelde datum door de gemeente zijn ontvangen, in de telling zijn betrokken en dat het volledige aantal stembiljetten op 27 oktober 2015 aan de notaris is overlegd. Het proces-verbaal bevat de resultaten van de draagvlakmeting.

2.9.

Tot de gedingstukken behoort tevens het jaarverslag 2016 van de Stichting BIZ, dat is vastgesteld en goedgekeurd in de bestuursvergadering van 13 maart 2017. In dit jaarverslag zijn de activiteiten vermeld die op grond van de Verordening in 2016 hebben plaatsgevonden, waaronder het instellen van wifi-hotspots, een twintigtal evenementen, het eerste deel van de plaatsing van een muziekinstallatie in het centrum van de gemeente en het plaatsen van plantenbakken. In het jaarverslag is voorts de financiële verantwoording hiervan verwerkt.

2.10.

De in 2.1 vermelde onroerende zaak is gelegen in de BI-zone waarbinnen op grond van de Verordening een BIZ-bijdrage wordt geheven en dient niet in hoofdzaak tot woning.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen.

“3. Niet in geschil is dat de onroerende zaken in de bedrijveninvesteringszone zijn gelegen en niet in hoofdzaak dienen tot woning, zodat is voldaan aan het belastbare feit dat uit artikel 1, eerste lid, van de Verordening volgt.

4. [Belanghebbenden] voeren aan dat zij tegen de invoering van de bedrijfsinvesteringszone zijn en de daaraan gekoppelde BIZ-bijdrage. [Belanghebbenden] hebben bij iedere gelegenheid aan [de Heffingsambtenaar] aangegeven dat het aanprijzen van het winkelgebied met banners en advertenties geen verandering zal brengen in de marktomstandigheden. Een BIZ-bijdrage is naar de mening van [belanghebbenden] een typische gebruikersaangelegenheid. Gebouweigenaren, zoals [belanghebbenden], zijn niet betrokken bij de exploitatie en zien ook geen waardevermeerdering als gevolg van de bedrijfsinvesteringszone. Zij wijzen daarbij op het feit dat de laatste jaren sprake is van huurverlagingen en kortere looptijden van de huur na verlengingen.
Daarnaast hebben zij nooit iets te maken gehad met citymarketing of de exploitatie van winkels op zich, zodat [belanghebbenden] nooit de keuze zouden maken voor een BIZ-heffing. Volgens [belanghebbenden] is de oprichting en de heffing van de BIZ-bijdrage dan ook in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bovendien wordt de heffingsmogelijkheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bestemd, namelijk de verbetering van de kwaliteit van het gebied, waartoe de gemeente op zichzelf al toe is gehouden vanwege het betalen van onroerendzaakbelasting. Omdat [de Heffingsambtenaar] enkel inzet op de marketing levert de heffing bovendien détournement de pouvoir op. Meer in algemene zin maakt de instelling van de BIZ en de heffing een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en (al dan niet als onderdeel daarvan) de contractsvrijheid en komt daarmee in strijd met de Grondwet en het Europees recht. Tenslotte heeft [de Heffingsambtenaar] geen inzage gegeven in de totstandkoming van de BIZ- Verordening, de samenstelling van het bestuur alsmede verantwoording van de (geplande) activiteiten, zodat de BIZ-Verordening met de daaraan gekoppelde heffing niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.1

Bij de totstandkoming van de Wet BIZ heeft de wetgever gekozen voor de mogelijkheid dat zowel gebruikers als eigenaren van onroerende zaken in de heffing betrokken kunnen worden (vergelijk bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2013/14, 33917, nr. 3, pagina 3 en verder). Deze keuze staat niet ter beoordeling van de rechter, zoals volgt uit artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. Los daarvan kunnen ook eigenaren profijt hebben van de in het kader van de BIZ ondernomen activiteiten.

4.2

Dat [belanghebbenden] al onroerend zaakbelasting betalen, maakt niet dat geen BIZ-bijdrage kan worden geheven. De onroerend zaakbelasting is immers bestemd voor de algemene middelen van de gemeente, terwijl de BIZ-bijdrage een specifieke bestemmingsheffing is. [De Heffingsambtenaar] wijst er voorts terecht op dat de heffing wordt geheven in overeenstemming met de Wet BIZ en de Verordening, zodat geen sprake is van détournement de pouvoir.
Om dezelfde reden is ook geen sprake van strijd met het zelfbeschikkingsrecht en contractsvrijheid. Van strijd met de Grondwet en het Europees recht is evenmin gebleken.

5. Ter zitting hebben [belanghebbenden] hun standpunt dat de instelling van de BIZ heffing niet rechtsgeldig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen nader toegelicht en aangevoerd dat de procedure van de totstandkoming van de BIZ-bijdrage niet zorgvuldig is geweest. Zo hebben [belanghebbenden] geen stembiljet ontvangen.

Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [belanghebbenden] naar het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1175.

5.1

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet BIZ, treedt de verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet BIZ, stelt het college van burgemeester en wethouders iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken (draagvlakmeting). In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige.

Op grond van artikel 4, derde lid, van de Wet BIZ, zorgt het college van burgemeester en wethouders bij de toepassing van het tweede lid dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.

Op grond artikel 5, eerste lid, van de Wet BIZ, is van voldoende steun sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat:

a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,

b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en

c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.

5.2

Anders dan de situatie in het voormelde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch staat vast dat [belanghebbenden] door middel van een e-mail op de hoogte waren van het voornemen van [de Heffingsambtenaar] om de Verordening in werking te laten treden en een BIZ-zone in te stellen, zoals ter zitting door [belanghebbenden] verklaard. [Belanghebbenden] hebben de mogelijkheid gehad en genomen om zich (schriftelijk) uit te spreken voor of tegen de inwerkingtreding hiervan, omdat zoals zij zelf aangeven, “met betrekking tot het instellen van de BIZ ... bij elke gelegenheid [hebben] aangegeven dat in onze optiek het aanprijzen van het winkelgebied met banners en advertenties geen verandering zal brengen in de marktomstandigheden”.

Zelfs indien [belanghebbenden] worden gevolgd in hun stelling dat zij geen stembiljet hebben ontvangen, is de rechtbank is van oordeel dat deze mogelijke procedurele fout van onvoldoende gewicht is om van een zodanige schending van artikel 4 van de Wet BIZ te spreken dat de Verordening ten aanzien van [belanghebbenden] buiten toepassing moet worden gelaten. Niet aannemelijk is dat de Verordening anders had geluid of niet was ingevoerd, indien de mogelijke procedurele fout niet was gemaakt. De enkele, laatstelijk ter zitting ingenomen stelling van [belanghebbenden] dat niet alle stemgerechtigden een stembiljet hebben ontvangen is daartoe eveneens onvoldoende, daargelaten dat enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt.

5.3

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het ter zitting door [de Heffingsambtenaar] overgelegde opgemaakt proces-verbaal van 30 oktober 2015 door notaris mr. [F] . Hierin is - kort weergegeven - vastgelegd dat de gemeente Nissewaard hem de complete aantallen stembiljetten inzake de draagvlakmeting ter beschikking heeft gesteld om een telling daarvan tot stand te brengen en dat het resultaat van de stemming is:
- van de in totaal 548 aantal stemgerechtigden hebben 363 stemgerechtigden een stem uitgebracht (66,2%);
- van de 363 uitgebrachte stemmen hebben 259 stemgerechtigden voor de invoering van de bedrijfsinvesteringszone gestemd (71,3%), 101 stemgerechtigden hebben tegen gestemd (27,8%) en 3 stemgerechtigden hebben een ongeldige stem uitgebracht;

- van de in totaal 242 gebruikers-stemgerechtigden hebben 160 stemgerechtigden een stem uitgebracht (66,1%); van de 160 uitgebrachte gebruikers-stemmen hebben 123 stemgerechtigden voor de invoering van de BIZ gestemd (76,9%) en 37 tegen (23,1%);

- van de in totaal 306 eigenaars-stemgerechtigden hebben 203 stemgerechtigden een stem uitgebracht (66,3%); van de 203 uitgebrachte eigenaars-stemmen hebben 136 stemgerechtigden voor de invoering van de BIZ gestemd (67,0%) en 64 tegen (31,5%);
3 stemgerechtigden hebben een ongeldige stem uitgebracht.
- van de totaal uitgebrachte stemgerechtigden vertegenwoordigen de stemmen voor de invoering van de Bedrijfsinvesteringszone een totale WOZ-waarde van € 293.128.000,-,
de stemmen tegen vertegenwoordigen een waarde van € 54.047.000,-
Daarmee is sprake van voldoende steun, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet BIZ en is, voor zover [belanghebbenden] anders betogen, aan de vereisten van dit artikel voldaan.

5.4

Uit het vorenstaande volgt dat de Verordening rechtsgeldig tot stand is gekomen.

6. Ter zitting hebben [belanghebbenden] verder aangevoerd dat zij van mening zijn dat de door Stichting BIZ Stadscentrum [C] ondernomen activiteiten de aantrekkelijkheid van het gebied niet vergroten. De rechtbank volgt [belanghebbenden] hierin niet.

Uit het door [de Heffingsambtenaar] overgelegde jaarverslag van de Stichting BIZ Stadscentrum [C] blijkt dat er in 2016 diverse activiteiten door deze Stichting zijn ondernomen. Zo zijn er verschillende evenementen georganiseerd en zijn Wifi hotspots gerealiseerd.
Dit vergroot naar het oordeel van de rechtbank ontegenzeggelijk de aantrekkelijkheid van de BIZ-zone.

7. Ook hetgeen [belanghebbenden] overigens aanvoeren, leidt niet tot de conclusie dat van hen geen BIZ-bijdrage kon worden geheven.”

Geschil en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de aanslag terecht is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag.

4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf en ambtshalve

5.1.1.

De aanslag, waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt en vervolgens in beroep en in hoger beroep is gekomen, heeft de dagtekening 31 maart 2016. In de loop van de procedure in hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar een nieuwe aanslag BIZ-bijdrage Centrum voor het jaar 2016 aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van eveneens € 405. Deze aanslag heeft de dagtekening 27 december 2018.

5.1.2.

Het is het Hof gebleken dat de Verordening ten tijde van het opleggen van de aanslag van 31 maart 2016 nog niet verbindend was. Die aanslag dient derhalve te worden vernietigd. Reeds op deze grond is het hoger beroep gegrond.

5.1.3.

De Verordening is op 9 september 2016 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 in werking getreden (zie 2.3). Naar het oordeel van het Hof was voor belanghebbende de heffing van de BIZ-bijdrage over het jaar 2016 in redelijkheid voorzienbaar gelet op het feit dat de Verordening reeds op 22 september 2015 bekend gemaakt is in het gemeenteblad. Aangezien de aanslag van 27 december 2018 ter vervanging dient van de niet rechtsgeldige aanslag van 31 maart 2016, heeft het ingestelde hoger beroep op grond van het bepaalde in artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op de aanslag van 27 december 2018. Dit impliceert dat de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar geacht worden mede betrekking te hebben op de aanslag van 27 december 2018.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

5.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan haar verzoek om alle gegevens te verstrekken met betrekking tot de totstandkoming van de BIZ, de samenstelling van het bestuur en de verantwoording ten aanzien van de (geplande) activiteiten. Voor zover belanghebbende daarmee beoogt te stellen dat de Heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, overweegt het Hof het volgende. De Heffingsambtenaar heeft (in de loop van de procedure) de in onderdeel 2 vermelde stukken overgelegd. Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat er nog stukken zijn die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, en die door hem nog niet in het geding zijn gebracht (vgl. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237,ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2). Reeds daarom faalt de klacht.

De BIZ-heffing

5.3.1.

Belanghebbende betoogt dat de aanslag niet op een verbindende verordening berust. Zij voert daartoe aan dat de procedure van totstandkoming van de BIZ-bijdrage niet rechtsgeldig is geweest omdat zij geen stembiljet heeft ontvangen.

5.3.2.

Het Hof stelt voorop dat de wetgever het essentieel heeft geacht dat alle ondernemers in de potentiële BIZ in de gelegenheid worden gesteld om hun voorkeur voor het instellen van een BI-zone uit te spreken. Een van de uitgangspunten van de Wet BIZ is daarom dat een BI-zone alleen kan worden ingesteld als er aantoonbaar draagvlak is onder de ondernemers in de BI-zone (de draagvlakmeting). Dit uitgangspunt is uitgewerkt in de artikelen 4 en 5 van de Wet BIZ.

5.3.3.

Op de Heffingsambtenaar rust de last te bewijzen dat, ten aanzien van belanghebbende, voldaan is aan de eis van art. 4, lid 2, van de Wet BIZ, waarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige in de gelegenheid dient te stellen zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding van de Verordening uit te spreken.

5.3.4.

In het geval een belastingplichtige stelt een door een bestuursorgaan niet aangetekend verzonden stuk niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen of aangeboden, dan wel dat dit stuk de geadresseerde anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van het stuk op dat adres. Dit betekent dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het stuk niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt de belastingplichtige erin voormeld vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien het bestuursorgaan daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat het stuk op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en evenmin dat het stuk hem anderszins heeft bereikt, dan ligt het op de weg van het bestuursorgaan - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden. Vgl. HR 15 december 2006, nr. 41 882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112.

5.3.5.

De Heffingsambtenaar stelt dat in het kader van de draagvlakmeting aan belanghebbende (evenals aan de vennootschap [D] B.V. (kenmerk BK-17/00643) per bijdrageplichtig object een stembiljet per gewone post is gezonden, alle aan het adres [G] , [Z] . De Heffingsambtenaar heeft als bewijs voor zijn stelling de verzendlijst overgelegd die specifiek voor de verzending van de stembiljetten is opgesteld en aan de hand waarvan de stembiljetten zijn verzonden (brief van 12 december 2017). De Heffingsambtenaar heeft daarop - samengevat - de volgende toelichting gegeven. De verzendlijst bevat de namen en het postadres van alle eigenaren en gebruikers van niet-woningen waarvoor de BIZ-bijdrage kan worden geheven met voor elk bijdrageplichtig object een afzonderlijk volgnummer. De verzendlijst is mede aan de hand van de gegevens uit het BAG-register (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) opgesteld. Het in de aanslag opgenomen object van belanghebbende (zie 3.1) staat op de verzendlijst vermeld onder het volgnummer E 163.

5.3.6.

Het Hof oordeelt als volgt. Het debat tussen partijen heeft zich in de loop van de procedure in hoger beroep toegespitst op de vraag of de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat het stembiljet op het adres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden. De Heffingsambtenaar heeft daartoe de hiervoor onder 5.3.5 bedoelde verzendlijst overgelegd. Naar het oordeel van het Hof voldoet de door de Heffingsambtenaar in het geding gebrachte verzendadministratie niet aan de daaraan te stellen eisen, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat en op welke datum het stembiljet is verzonden (vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL:HR:2019:1175). Dit betekent dat de Heffingsambtenaar niet voldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat de verzending van het stembiljet naar belanghebbende daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het hiervoor overwogene doet evenwel niet af aan de door de Rechtbank in r.o. 5.2 van haar uitspraak vastgestelde en in hoger beroep niet bestreden feiten dat belanghebbende (i) op de hoogte was van het voornemen om de Verordening in werking te laten treden en een BI-zone in te stellen en dat zij (ii) de mogelijkheid heeft gehad en genomen zich schriftelijk uit te spreken tegen de inwerkingtreding hiervan. Hieruit volgt dat is voldaan aan de in artikel 4, lid 2, Wet BIZ neergelegde eis, aangezien noch de Wet BIZ, noch de Verordening voorschriften bevat voor de wijze waarop de draagvlakmeting dient te worden uitgevoerd. Meer in het bijzonder is niet bepaald dat daaraan enkel kan worden voldaan door middel van het invullen van een stembiljet. Uit het voorgaande volgt dat aannemelijk is geworden dat belanghebbende zich schriftelijk heeft uitgesproken tegen inwerkingtreding van de Verordening. Zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat er wel procedurevoorschriften gelden en voor zover belanghebbendes stem niet is meegeteld, geldt dat de draagvlakmeting niet tot een andere uitkomst had geleid. Tussen partijen is immers niet in geschil dat uit het proces-verbaal van de notaris (zie 2.8) volgt dat sprake is van ruim voldoende steun onder de bijdrageplichtigen als bedoeld in artikel 5 van de Wet BIZ. Gelet op het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat de aanslag berust op een (ook jegens belanghebbende) verbindende verordening.

5.4.

Belanghebbende stelt dat het onbegrijpelijk is dat eigenaren in de heffing worden betrokken omdat zij niet zijn betrokken bij de exploitatie en zij ook geen waardevermeerdering zien van de BIZ-activiteiten.

Het Hof overweegt daartoe het volgende. De wetgever heeft blijkens artikel 1, lid 3, van de Wet BIZ de gemeentelijke wetgever de mogelijkheid gegeven om zowel de gebruiker als de eigenaar van een in het BIZ-gebied gelegen belastingobject in de heffing van BIZ te betrekken. De raad van de gemeente Nissewaard heeft ingevolge artikel 2 van de Verordening van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemeene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

5.5.

Belanghebbende stelt dat de activiteiten en voorzieningen die in het kader van de BIZ zijn voorzien geen bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van het centrum, zodat ze niet uit de BIZ-bijdrage bekostigd kunnen worden.

Het Hof overweegt hiertoe het volgende. De BIZ-bijdrage is een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone (artikel 1, lid 2, Wet BIZ). De BIZ-heffing dient derhalve zowel het gezamenlijke belang van de ondernemers als het algemene belang. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de in het Businessplan genoemde activiteiten voldoen aan de eisen die artikel 1, lid 2, Wet BIZ daaraan stelt. Daarnaast overweegt het Hof dat de BIZ-bijdrage weliswaar een belasting is, maar geïnitieerd wordt door ondernemers uit een bepaald gedeelte van de gemeente (het BIZ-gebied) die de regie daarvan dragen. De opbrengst wordt ingezet voor die activiteiten in het BIZ-gebied waar een meerderheid van de betrokken ondernemers voorstander van is. Gelet op de omstandigheid dat de BIZ-bijdrage een bestemmingsheffing is, hoeft in de relatie met de belastingplichtige, anders dan belanghebbende meent, geen sprake te zijn van een rechtstreekse tegenprestatie in de vorm van een verleende dienst of een voorziening waarvan de belastingplichtige gebruik maakt.

5.6.

Belanghebbende stelt voorts dat de activiteiten en voorzieningen die in het kader van de BIZ zijn voorzien bijna allemaal behoren tot de reguliere overheidstaak, zodat ze niet uit de BIZ-bijdrage bekostigd kunnen worden.

Het Hof overweegt hiertoe het volgende. De gemeente draagt zorg voor de inrichting, het beheer en het onderhoud van de gehele openbare ruimte alsook de handhaving van het gewenste gebruik van de openbare ruimte. De gemeente [C] heeft een Service Level Agreement (SLA) opgesteld waarin zij zich verbindt tot het leveren van de in 2.5 bedoelde diensten ten aanzien van het beheer en onderhoud van de publieke ruimte. Vanuit dit basisniveau kan de BIZ Stichting vervolgens zelf beoordelen of en in hoeverre zij aanvullend verantwoordelijkheid wenst te nemen voor activiteiten gelegen in haar BIZ-gebied. Alle activiteiten die boven het basisniveau door de BIZ Stichting nodig worden geacht, zijn dus aanvullend op de activiteiten van de gemeente en kunnen daarmee onderdeel uitmaken van een van de doelstellingen van de BIZ Stichting. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het Businessplan opgenomen activiteiten en voorzieningen tevens zijn voorzien in de SLA.

5.7.

Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat ondernemers buiten het BIZ-gebied die meeprofiteren van de activiteiten en voorzieningen die in het kader van de BIZ zijn voorzien, niet in de BIZ-heffing worden betrokken. Het Hof stelt dienaangaande voorop dat het aan de gemeentelijke wetgever is om een afgebakend gebied aan te wijzen waarop zich de activiteiten richten ter bevordering van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van dat gebied. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat genoemde activiteiten zich mede richten op een gebied buiten het BIZ-gebied, zodat zijn stelling reeds hierom faalt.

5.8.

Belanghebbende stelt voorts dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat onroerende zaken met een publieke functie zijn uitgezonderd van de BIZ-heffing. Ingevolge artikel 9, lid 1, letter j van de Verordening wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 1, lid 5 Wet BIZ in verbinding met artikel 220d, lid 1, letter i van de Gemeentewet, ingevolge welke bepalingen het de gemeentelijke wetgever is toegestaan om onroerende zaken buiten de heffingsmaatstaf te laten. Naar het oordeel van het Hof is de keuze van de gemeentelijke wetgever om de waarde van belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking te laten niet van iedere redelijke grond ontbloot. Ook deze stelling van belanghebbende faalt derhalve.

5.9.

Voor zover belanghebbende stelt dat de BIZ-bijdrage een inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de contractsvrijheid en daarom strijdig is met de Grondwet, faalt die stelling omdat zij miskent dat het de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet niet vrij staat om wetten in formele zin te toetsen op haar grondwettigheid.

5.10.

Voor zover belanghebbende stelt dat de BIZ-bijdrage strijdig is met het vrije verkeer van personen en van kapitaal als bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), heeft belanghebbende niet aan haar stelplicht voldaan omdat die stelling niet is onderbouwd.

5.11.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de aanslag van 31 maart 2016 gegrond (zie 5.1.2) en voor zover het is gericht tegen de aanslag van 27 december 2018 ongegrond (zie 5.1.3 tot en met 5.10).

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, aangezien belanghebbende niet een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan en gesteld noch gebleken is dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling door de Rechtbank betaalde griffierecht van € 334 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag van 31 maart 2016;

- verklaart het beroep gegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze geacht wordt betrekking te hebben op de aanslag van 27 december 2018;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag van 31 maart 2016;

- bevestigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze geacht wordt betrekking te hebben op de aanslag van 27 december 2018;

- vernietigt de aanslag van 31 maart 2016;

- verstaat dat de vernietigde aanslag van 31 maart 2016 wordt vervangen door de aanslag van 27 december 2018; en

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 334 aan griffierecht vergoedt.

De uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, E.M. Vrouwenvelder en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 18 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.