Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2615

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
200.250.427/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementspauliana. Is er sprake van onrechtmatige overdracht van onderneming voor faillissement?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.250.427/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/540082 / HA ZA 17/1001

arrest van 24 september 2019

in de zaak van

[naam 1] qq,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf A] B.V.,

wonende en kantoorhoudende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. B.F. van Noort,

tegen

1 Woody Brothers B.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. [naam 2] Beheer B.V.,

gevestigd te Den Haag,

3. [naam 3] Beheer B.V.,

gevestigd te Den Haag,

4. [geïntimeerde 4],

wonende te Den Haag,

5. [geïntimeerde 5],

wonende te Bergschenhoek (gemeente Lansingerland),

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: Woody Brothers c.s.,

advocaat: mr. J.H. Pelle.

1 Het geding

Bij exploot van 26 september 2018 is de curator in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 27 juni 2018. De curator heeft bij memorie van grieven acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, zijn eis verminderd en producties overgelegd.

Bij memorie van antwoord hebben Woody Brothers c.s. de grieven bestreden en producties overgelegd.

Tenslotte is arrest bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 een aantal feiten vastgesteld. De curator klaagt in zijn grief 1 dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.2 ten onrechte de feiten omtrent het overdragen van de administratie van [bedrijf A] onvolledig heeft vastgelegd nu - vanwege tegenstrijdige verklaringen - niet vaststaat wat de heer [geïntimeerde 5] met de administratie van [bedrijf A] B.V. (hierna: [bedrijf A]) heeft gedaan. Met grief 2 klaagt de curator dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 2.9 als feit heeft aangenomen dat hij bij een overleg over het opkopen van de voorraad door Woody Brothers aanwezig is geweest. Het hof zal hieronder rekening houden met deze grieven. Voor het overige zijn er tegen de feitenvaststelling geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.2.

[bedrijf A] was een groothandel in hout- en tuinmaterialen. Bij vonnis van 28 oktober 2014 heeft de rechtbank Den Haag [bedrijf A] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van appellant tot curator.

2.3.

Tot 22 september 2014 was Je-Al Holding B.V. (hierna: Je-Al) bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf A]. De heer [geïntimeerde 5] was op dat moment bestuurder en enig aandeelhouder van Je-Al. Bij overeenkomst van 16 augustus 2014 heeft Je-Al de aandelen in [bedrijf A] voor een bedrag van € 17.500,- verkocht aan Stichting Trustee Molenschot. Op 22 september 2014 zijn de aandelen geleverd.

2.4.

[bedrijf A] had op enig moment vestigingen in Rotterdam en in Den Haag. De vestiging in Den Haag was gevestigd in een pand aan de Westduinweg 226 te Den Haag. [bedrijf A] huurde dit pand tot september 2014 van Je-Al. Op of rond de overname van de aandelen in [bedrijf A] door Stichting Trustee Molenschot is de huurovereenkomst van [bedrijf A] met Je-Al voor het pand aan de Westduinweg 226 te Den Haag beëindigd.

2.5.

De voorraden waarover [bedrijf A] beschikte waren verpand aan Rabobank tot zekerheid van terugbetaling van een door Rabobank aan [bedrijf A] verleend krediet. In 2013 verplichtte Rabobank [bedrijf A] de lening te gaan aflossen. Uiteindelijk was [bedrijf A] hiertoe niet meer in staat, waarna het faillissement volgde.

2.6.

[geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] zijn de zonen van [geïntimeerde 5]. Beiden werkten in 2014 voor [bedrijf A].

2.7.

Op 17 september 2014 is Woody Brothers B.V. (hierna: Woody Brothers) opgericht door [naam 2] Beheer B.V. (hierna: [naam 2] Beheer) en [naam 3] Beheer B.V. (hierna: [naam 3] Beheer). [geïntimeerde 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 2] Beheer en [geïntimeerde 5] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 3] Beheer.

2.8.

Woody Brothers heeft in september 2014 een huurovereenkomst gesloten met Je-Al voor de huur van het pand aan de Westduinweg 226 te Den Haag. Op 1 oktober 2014 heeft zij in dit pand een bedrijf gevestigd.

2.9.

Op 27 september 2014 heeft Woody Brothers een overeenkomst gesloten met een bedrijf genaamd Monda Diva Trading. Dit bedrijf had Woody Brothers voorraad afkomstig van [bedrijf A] aangeboden. Woody Brothers heeft deze voorraad gekocht voor een bedrag van € 30.000,-. Op 30 september 2014 heeft Woody Brothers dit bedrag aan Monda Diva Trading betaald. Monda Diva Trading heeft de door haar aan Woody Brothers verkochte voorraad echter nooit geleverd omdat Rabobank als pandhouder hierop inmiddels beslag had gelegd.

2.10.

Nadat het faillissement van [bedrijf A] was uitgesproken, heeft Woody Brothers overlegd met Rabobank over het opkopen van de voorraad waarop Rabobank beslag had gelegd. De curator was bij de gesprekken met Rabobank niet direct betrokken omdat hij geen rechten had op de voorraad. De gesprekken hebben niet tot een akkoord geleid.

2.11.

Rabobank heeft op enig moment onder meer Woody Brothers gedagvaard. Deze procedure is geëindigd in een schikking waarbij met Woody Brothers is overeengekomen dat zij een bedrag van € 45.000,- aan Rabobank zou betalen. Een groot deel daarvan (€ 35.000,-) zag op een vordering van Rabobank inzake huurpenningen voor het pand aan de Westduinweg 226 te Den Haag.

2.12.

In 2015 is de onderneming van Woody Brothers verhuisd naar een pand aan de Kranenburgweg 175 te Den Haag.

3 Het geschil

3.1.

De curator heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven – gevorderd een verklaring voor recht dat Woody Brothers de onderneming van [bedrijf A] op onrechtmatige wijze heeft overgenomen door niet te betalen voor de goodwill van [bedrijf A], met veroordeling van Woody Brothers tot vergoeding aan de boedel van de dientengevolge geleden schade, primair begroot op een bedrag van € 960.000,00 dan wel subsidiair nader op te maken bij staat; en een verklaring voor recht dat de (indirect) bestuurders van Woody Brothers, de in de inleidende dagvaarding vermelde gedaagden sub 2 tot en met 5, onrechtmatig jegens [bedrijf A] en haar gezamenlijke schuldeisers hebben gehandeld door de onderneming van [bedrijf A] op onrechtmatige wijze over te nemen via de door hen beheerste vennootschap Woody Brothers, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden sub 2 tot en met 5 tot vergoeding aan de boedel van de dientengevolge geleden schade, primair begroot op een bedrag van € 960.000,00 dan wel subsidiair nader op te maken bij staat.

Meer subsidiair vorderde de curator een verklaring voor recht dat de aan de bedrijfsoverdracht ten grondslag liggende rechtshandelingen op grond van de artikelen 42 juncto 45 Faillissementswet paulianeus zijn verricht, de vernietiging van deze rechtshandelingen en de veroordeling van Woody Brothers c.s. tot betaling van de door de boedel geleden schade, zijnde € 960.000,00 dan wel (meer meer subsidiair) nader op te maken bij staat, en - ten aanzien van alle vorderingen - met veroordeling van Woody Brothers c.s. in de proceskosten.

De curator heeft - kort gezegd - aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Woody Brothers de onderneming van [bedrijf A] vlak voor het faillissement van [bedrijf A] heeft overgenomen en voortgezet (met dezelfde activiteiten op dezelfde locatie en dezelfde klantenbasis) zonder een vergoeding te betalen voor de goodwill van [bedrijf A]. Hierdoor zijn de boedel en de gezamenlijke schuldeisers benadeeld. Ook de (indirect) bestuurders van Woody Brothers hebben hierdoor onrechtmatig gehandeld jegens [bedrijf A]. De door de boedel geleden schade bestaat uit het mislopen van een vergoeding voor de goodwill en werd door de curator in eerste aanleg begroot op € 960.000,00.

Meer subsidiair stelde de curator dat de aan de overdracht van de onderneming en goodwill van [bedrijf A] aan Woody Brothers ten grondslag liggende rechtshandelingen paulianeus zijn verricht omdat deze onverplicht en om niet waren, waardoor de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld terwijl de wetenschap van deze benadeling aan de zijde van [bedrijf A] vaststaat omdat de overdracht heeft plaatsgevonden toen het faillissement al aangevraagd was.

3.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de curator afgewezen en de curator veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

De curator kan zich met dit vonnis niet verenigen. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn (verminderde) vorderingen alsnog toewijst, in de zin dat de schade door de curator in appel wordt begroot op een bedrag van € 142.245,00, met veroordeling van Woody Brothers c.s. in de kosten van beide instanties.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Met zijn grieven 3 tot en 8 legt de curator het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

4.2.

De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat Woody Brothers c.s. onrechtmatig jegens de boedel van [bedrijf A] hebben gehandeld door de onderneming met de goodwill van [bedrijf A] over te nemen zonder daar enige vergoeding voor te betalen. Hij voert hiertoe de volgende feiten en omstandigheden aan.

Woody Brothers is kort voor het faillissement van [bedrijf A] opgericht door twee voormalig werknemers van [bedrijf A], die tevens de zonen zijn van de (indirect) bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf A]. Vervolgens zijn de activiteiten van [bedrijf A] (kort voor faillissement) gestaakt en is Woody Brothers een onderneming gestart met dezelfde activiteiten op de locatie waar eerst [bedrijf A] was gevestigd. Daarmee heeft zij de klanten van [bedrijf A] overgenomen en zich aldus de goodwill van [bedrijf A] toegeëigend. Als gevolg hiervan zijn de boedel en de schuldeisers van [bedrijf A] benadeeld doordat er een actief uit de boedel is gegaan zonder dat daar een vergoeding voor is ontvangen. De schade bestaat uit het mislopen van een (marktconforme) koopsom voor de goodwill.

4.3.

Woody Brothers c.s. hebben gemotiveerd betwist dat Woody Brothers de onderneming en goodwill van [bedrijf A] heeft overgenomen dan wel zich goodwill heeft toegeëigend. Er was volgens hen geen goodwill. De onderneming van [bedrijf A] was kort voor het faillissement gestaakt. Door de Rabobank waren de voorraden en inventaris weggehaald. De maanden voor het faillissement vonden er nauwelijks meer activiteiten plaats, omdat er door leveranciers geen leveringen meer aan [bedrijf A] werden gedaan. Woody Brothers begon aldus met niets. Zij beschikte niet over voorraden en inventaris. Evenmin beschikte zij over de klanten van [bedrijf A] omdat die in de maanden daarvoor hun heil al elders hadden gezocht, bij bedrijven die wel konden leveren. Woody Brothers ontplooide in september 2014 nog geen enkele activiteit. Bovendien zijn de activiteiten van Woody Brothers (kleinschaliger, specialistisch timmerwerk) anders dan die van [bedrijf A] (groothandel op het gebied van hout en bouwmaterialen), waardoor de klantenkring van Woody Brothers een andere is dan die van [bedrijf A], aldus steeds Woody Brothers c.s.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. De curator baseert zijn onrechtmatige daadvordering op de stelling dat Woody Brothers zich de goodwill van [bedrijf A] heeft toegeëigend door het voortzetten van dezelfde activiteiten op dezelfde locatie met dezelfde klantenbasis, zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Uit de toelichting bij zijn grieven begrijpt het hof dat de curator met de goodwill van [bedrijf A] doelt op het klantenbestand van [bedrijf A] dat is gebonden aan de locatie van de onderneming. Het is dan aan de curator om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit afgeleid kan worden dat Woody Brothers het klantenbestand van [bedrijf A] heeft overgenomen c.q. daarover feitelijk de beschikking heeft gekregen door dezelfde activiteiten op dezelfde locatie als [bedrijf A] te starten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Woody Brothers c.s. is het hof van oordeel dat de curator zijn vordering op dit punt (overnemen c.q. toe-eigenen klantenbestand) - ook in appel - onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Redengevend hiervoor is het volgende.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf A] haar onderneming vlak voor faillissement heeft gestaakt. Vaststaat dat de voorraden en inventaris door de Rabobank op dat moment reeds waren weggehaald. Eveneens staat als onweersproken vast dat er in de maanden daarvoor nauwelijks activiteiten meer plaatsvonden, omdat er geen leveringen meer werden gedaan aan [bedrijf A]. In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden lag het op de weg van de curator om nader te onderbouwen dat en hoe Woody Brothers het voormalig klantenbestand van [bedrijf A] heeft overgenomen c.q. zich deze heeft toegeëigend. Het enkele feit dat Woody Brothers op dezelfde locatie haar activiteiten is gestart waar [bedrijf A] was gevestigd is daarvoor, anders dan de curator heeft gesteld, onvoldoende. In dat verband is van belang dat Woody Brothers c.s. onweersproken hebben gesteld dat Woody Brothers in september 2014 nog helemaal geen activiteiten ontplooide en dat de klanten van [bedrijf A] hun heil inmiddels elders hadden gezocht, bij bedrijven die wel beleverd werden en dus konden verkopen. Ook hebben Woody Brothers c.s. tijdens de comparitie in eerste aanleg - onbetwist - verklaard dat Woody Brothers per 1 februari 2015 reeds is verhuisd naar een ander adres, dat zij toen opnieuw voorraad zijn gaan inkopen om het pand vol te krijgen en dat de zaak vanuit die periode eigenlijk weer is begonnen. Daar komt bij dat door de curator evenmin (gemotiveerd) is betwist dat Woody Brothers zich bezighoudt met de verkoop van andere materialen dan [bedrijf A] en daardoor ook een ander klantenbestand heeft. Ook de door de curator overgelegde gespreksbevestigingen aan een aantal ondernemingen, waarin de curator bevestigt dat zij klant waren van [bedrijf A] en omstreeks september 2014 klant zijn geworden van Woody Brothers, vormen een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat Woody Brothers het klantenbestand van [bedrijf A] heeft overgenomen. Niet alleen zijn deze gespreksbevestigingen door de curator zelf opgesteld en niet voorzien van een handtekening of bevestiging van de betreffende klanten, maar ook kan daaruit - in het licht van de gemotiveerde betwisting van Woody Brothers c.s. en het beperkte aantal gespreksbevestigingen - niet afgeleid worden dat Woody Brothers zich het voormalig klantenbestand van [bedrijf A] heeft toegeëigend.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat Woody Brothers de goodwill c.q. het klantenbestand van [bedrijf A] heeft overgenomen of zich deze feitelijk heeft toegeëigend. Voor zover de vordering van de curator jegens Woody Brothers daarop is gebaseerd, wordt deze daarom afgewezen. In het verlengde daarvan dienen ook de vorderingen van de curator tegen de (indirect) bestuurders van Woody Brothers bij gebrek aan feitelijke grondslag te worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de meer subsidiaire vordering op grond van artikel 42 Faillissementswet nu ook deze vordering is gebaseerd op de gestelde overname van de goodwill van [bedrijf A] door Woody Brothers. De conclusie is dat de grieven falen.

4.7.

Gelet op het gebrek aan een voldoende feitelijke onderbouwing wordt het bewijsaanbod van de curator gepasseerd

4.8.

Nu de grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2018;

- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woody Brothers c.s., tot op heden begroot op € 5.270,- aan verschotten (griffierecht) en € 3.161 aan salaris advocaat (1 punt in tarief V).

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, D. Aarts en J.A. van Dorp, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.