Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:261

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
200.223.199
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst naar oud recht. Werknemer in ICT die lijdt aan Asperger. Heeft de werkgever voldoende re-integratie inspanningen verricht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.223.199/01

Zaaknummer rechtbank : 5555522 RL EXPL 16-32892

arrest van 29 januari 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: R. Patandin te Rotterdam,

tegen

AENOVA B.V.,

gevestigd te Delft,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aenova,

advocaat: mr. E. Bakhuis te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 29 augustus 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag, sector kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen gewezen vonnis van 30 mei 2017. Bij arrest van 7 november 2017 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Van de comparitie is proces- verbaal gemaakt. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Aenova de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 30 mei 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [appellant] , inmiddels 61 jaar oud, is in 1987 in dienst getreden bij ART. Zijn werkzaamheden bestonden destijds uit de ontwikkeling van elektronische componenten voor de toen net in opkomst zijnde pc's.

  2. In 1992 is ART opgesplitst en heeft Aenova het softwaregedeelte van ART voortgezet. [appellant] bleef in dienst bij ART.

  3. In september 1996 is [appellant] bij Aenova in dienst gekomen als software ontwikkelaar, waarbij het achtergebleven deel van ART eveneens is overgegaan naar Aenova. De arbeidsovereenkomst van [appellant] met ART is bij Aenova voortgezet. Bij Aenova werkte [appellant] laatstelijk als support­medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst van 32 uur per week tegen een bruto loon van € 2.608,29 per maand, exclusief vakantietoeslag.

  4. Medio 2005 heeft [appellant] zich ziek gemeld met burn-out klachten, nadat een project waar hij aan werkte was stopgezet en hij onvoldoende alternatief werk kreeg. Na een re-integratie traject met een kleine overzichtelijke opdracht, heeft [appellant] zich beter gemeld.

  5. Bij brief van 13 augustus 2008 heeft [psycholoog A] , psycholoog en psychotherapeut te Delft, aan de bedrijfsarts van Aenova onder meer het navolgende geschreven:

"N.a.v. uw verzoek om informatie over [appellant] (..):

[appellant] zal op korte termijn binnen de GGZ worden onderzocht op de aanwezigheid van een stoornis in het autistisch spectrum.

[appellant] zie ik de laatste jaren zeer incidenteel. Hij heeft in die jaren betere en moeilijkere periodes gekend. Toen ik hem voorjaar 2008 zag, was hij duidelijk niet in goede doen. Wat ik U kan melden: Bij [appellant] zie ik kenmerken van een stoornis in het autistisch spectrum. Mensen met een stoornis in het autistisch spectrum hebben veel moeite met het structureren van hun werkzaamheden: snel afleidbaar, verliezen van het overzicht, blijven haken op details o.a. [appellant] kan baat hebben bij een rustige overzichtelijke werksituatie en bij duidelijk omschreven opdrachten. Bij mensen met een stoornis in het autistisch spectrum kan het goed werken als ze regelmatig (1x in de week bv) met iemand kort de vorderingen van de werkzaamheden kunnen doorspreken. Door deze externe structurering kan vastlopen worden voorkomen of beperkt. Mensen met een stoornis in het autistisch spectrum hebben veel moeite met het nemen van initiatief in sociale situaties. (..)”

Op 22 juli 2009 heeft [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld vanuit de Zweedse vestiging van Aenova waar hij op dat moment werkzaam was. De werkgever heeft daarop de benodigde re-integratie activiteiten ontwikkeld. De bedrijfsarts schrijft hierover op 6 november 2009:

“ [appellant] heeft een enkele taak opgepakt. Ook is coaching vanuit het werk opgestart. Er is zeer regelmatig overleg met werkgever om de stand van zaken te evalueren.”

Bij brief van 7 december 2009 schrijft [arbeidsdeskundige B] van Arboned:

“Op 7 december 2009 is bij uw medewerker [appellant] zo’n check (=arbeidskundige check) uitgevoerd. Gezien de resultaten hiervan is er op dit moment geen reden voor een aanvullende arbeidskundige actie.”

[appellant] was op 10 mei 2010 weer volledig arbeidsgeschikt.

Op 15 maart 2011 heeft [appellant] zich opnieuw ziekgemeld, waarna wederom een re-integratietraject volgde; dit keer is echter geen herstel meer gevolgd.

Op 6 maart 2012 is door [arbeidsdeskundige B] van Arboned geconcludeerd dat [appellant] niet geschikt is voor het eigen werk. Zij schrijft onder meer:

“Betrokkene is in de afgelopen jaren regelmatig langdurig uitgevallen met dezelfde klachten en beperkingen als waar hij nu voor is uitgevallen. In de vorige arbeidsongeschiktheidsperiode (2009/2010) is hij gestructureerd in een passende werkomgeving gere-integreerd in één onderdeel van zijn functie. Daarna zou hij het volledige takenpakket weer oppakken, maar door veranderingen in de werksituatie is hij weer volledig uitgevallen. De beperkingen zijn gelegen in persoonlijk en sociaal functioneren. Het “zo zijn” van betrokkene heeft hem in de loop der jaren geleerd om hiermee om te gaan en heeft hij goede strategieën bedacht om zijn beperkingen mee te compenseren. Door de nieuwe ontwikkelingen, de veelvuldige veranderingen die gestaag door zullen gaan in de automatisering, is het voor hem niet goed mogelijk daarop te anticiperen, waardoor het huidige werk bij deze werkgever als niet passend wordt beschouwd. Het eigen werk is niet passend te maken door voorzieningen of aanpassingen. (..)”

  1. Op 17 april 2012 adviseren [casemanager C] en de [bedrijfsarts D] van Arboned om een re-integratiebureau in te zetten in verband met het 2e spoor advies van de arbeidsdeskundige.

  2. Op verzoek van [appellant] heeft Aenova vervolgens bureau Voorzet ingeschakeld voor zijn verdere re-integratie, omdat dit bureau is gespecialiseerd in autisme. Op verzoek van bureau Voorzet is [appellant] 8 weken vrijgesteld van arbeid.

  3. Op 6 juli 2012 heeft [arbeidsdeskundige E] van het UWV een ‘deskundigenoordeel re-integratie inspanningen van de werkgever’ opgemaakt, naar aanleiding van een aanvraag daartoe van [appellant] van 18 juni 2012. De re-integratie inspanningen van Aenova zijn toen als voldoende beoordeeld. Weliswaar startte het 2e spoortraject niet binnen de voorgeschreven 6 weken, maar dat was het gevolg van de problematiek van [appellant] en de tijd die het kostte om een bureau (bureau Voorzet) te vinden dat hem zou begeleiden. Volgens het UWV is in het onderzoek duidelijk geworden dat de werkgever alles wat in redelijkheid gevraagd kan worden gedaan heeft en zijn er geen re-integratiekansen gemist. Aenova kon volgens de arbeidsdeskundige een deugdelijke grond aanvoeren waarom er tijdelijk niet intensief met [appellant] was gecommuniceerd.

  4. Ook in het door Aenova verzochte deskundigenoordeel van arbeidsdeskundige M.S. Hulsman van 22 oktober 2012 is vermeld dat de re-integratie inspanningen van Aenova voldoende zijn geweest.

  5. Op 16 september 2013 heeft de heer [F] – de zwager van [appellant] en voormalig aandeelhouder van Aenova – onder meer het volgende geschreven:

“(..) In overleg tussen mij en de heer [G] is geregeld dat [appellant] naar Zweden zou komen om zich hier te vestigen in de functie van technisch ondersteuner om installaties te doen. Ik kan bevestigen dat [appellant] in Delft uitsluitend supportwerkzaamheden uitvoerde, klanten bezocht om installaties te doen en problemen bij klanten oploste. Dat zou ook zijn functie in Zweden worden. (..)

Bovendien was de heer [G] stellig in de mededeling dat [appellant] nooit op een plaats bij Software ontwikkelaars hoefde te rekenen. Dat kreeg hij overigens nooit zelf te horen van de heer [G] .”

Op 10 december 2013 heeft psychiater [H] een diagnostische beoordeling betreffende [appellant] geschreven, waarin onder meer is vermeld:

“Eerdere diagnostiek:

Diagnose “stoornis van Asperger”

Anamnese:

Bij drukte wordt [appellant] snel overspoeld door emoties. Veranderingen maken hem zeer onrustig. Momenteel is hij geagiteerd, en wordt hij overspoeld door vele problemen die op hem afkomen. Naar ik verneem speelt er momenteel een arbeidsconflict, en is de betreffende werkkring door [appellant] jarenlang ervaren als zeer weinig structuur biedende, enerverend en onveilig.

Evaluatie:

[appellant] is een doorgaans vriendelijke, sensitieve man, met een autismespectrum stoornis (in casu ‘de stoornis van Asperger’). Hij kampt met emotieregulatieproblematiek – bij drukte of veranderingen verliest hij het overzicht en raakt hij zeer gespannen. Symptomen zoals beschreven zijn bekend bij mensen met autismespectrum problematiek, met name ook de stoornis van Asperger. Mensen met ‘Asperger’ kunnen in principe goed functioneren in functies die bij hun talenten passen, mits hen voldoende structuur, regelmaat en veiligheid wordt geboden. Mijn stellige indruk is, dat deze elementen ontbraken in de werkomgeving waar [appellant] jarenlang werkzaam was. Mijns inziens is [appellant] door deze omstandigheid, en de daaruit voortvloeiende ervaringen ernstig getraumatiseerd, en is zijn zelfgevoel door een en ander ernstig aangetast. Desalniettemin zie ik thans geen belemmeringen voor [appellant] om – na een periode van herstel – weer deel te nemen aan het arbeidsproces, mits de arbeidsomstandigheden niet conflicterend zijn met diens autismespectrum problematiek. Met name het bieden van structuur en het communiceren over de functie/werkzaamheden door de werkgever aan [appellant] is hier bij essentieel.”

Bij brief van 7 februari 2014 heeft Aenova, na verkregen toestemming van het UWV d.d. 31 januari 2014, de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd met ingang van 1 juli 2014 wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Aenova heeft geen ontslagvergoeding aan [appellant] betaald.

2. [appellant] vordert, na vermeerdering van eis in hoger beroep, betaling van € 63.180,56 bruto wegens kennelijk onredelijk ontslag als bedoeld in artikel 7:681 aanhef en sub b (oud) BW, omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te zwaar zijn in vergelijking met het belang van Aenova bij het ontslag, mede gelet op het ontbreken van voorzieningen om de gevolgen van het ontslag voor [appellant] te verzachten, alsmede omdat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] aan Aenova te wijten is en Aenova zich tijdens de arbeidsongeschiktheid ernstig verwijtbaar jegens [appellant] heeft gedragen door onvoldoende rekening te houden met zijn autisme.

3. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] tot veroordeling van Aenova van een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag afgewezen.

4. Tegen dit oordeel richten zich de acht grieven van [appellant] , die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Samengevat betoogt [appellant] dat zijn arbeidsongeschiktheid aan Aenova te wijten is, evenals zijn niet geslaagde re-integratie in 2011. Aenova heeft, anders dan de rechtbank veronderstelt, niet alle suggesties van de deskundigen opgevolgd. Verder heeft de rechtbank in onvoldoende mate alle omstandigheden gewogen en komt zij ten onrechte tot de conclusie dat het ontslag van [appellant] niet kennelijk onredelijk is.

5. Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 BW (oud) geldt als uitgangspunt dat aan de hand van de omstandigheden van het geval zoals als deze zich hebben voorgedaan, tezamen en in onderling verband beschouwd, moet worden vastgesteld of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van de opzegging komt het aan op de vraag of het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Daarbij geldt voorts als uitgangspunt dat een werknemer die wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen geen recht heeft op een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, ook niet als sprake is van een lang dienstverband, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die toch een vergoeding rechtvaardigen (ECLI:NL:HR:2008:BC2206). Die bijzondere omstandigheden kunnen er onder meer in bestaan dat de werkgever zich niet als goed werkgever heeft gedragen, doordat hij binnen de grenzen van de redelijkheid niet al het mogelijke heeft gedaan met het oog op de re-integratie van de werknemer.

6. De stellingen van [appellant] dat Aenova kan worden verweten dat hij arbeidsongeschikt is geraakt en dat zijn re-integratie door toedoen van Aenova is mislukt treffen geen doel. Het hof overweegt als volgt.

  1. [appellant] lijdt aan (de stoornis van) Asperger. Deze stoornis is er in belangrijke mate de oorzaak van dat [appellant] zich bij herhaling arbeidsongeschikt heeft gemeld.

  2. Op zich is het juist dat een werkomgeving met voldoende structuur en regelmaat nodig is om met Asperger goed te kunnen functioneren. De vraag is of Aenova hiermee voldoende rekening heeft gehouden.

  3. Terecht voert [appellant] aan dat [psycholoog A] al in 2008 een mededeling deed aan de bedrijfsarts van Aenova dat hij kenmerken vertoonde van autisme en dat daarnaar door de GGD nader onderzoek zou worden gedaan. Daarbij heeft de psycholoog ook duidelijk aangegeven wat voor een goed functioneren van iemand met een stoornis in het autistisch spectrum nodig is. De kennis van de bedrijfsarts brengt mee dat Aenova met de beperkingen van [appellant] als gevolg daarvan bekend moet worden geacht, ook als de bedrijfsarts heeft verzuimd de beperkingen van [appellant] aan Aenova te communiceren (het verzuim van de bedrijfsarts wordt volgens vaste rechtspraak in een dergelijke situatie toegerekend aan de werkgever) en ondanks dat [appellant] pas in augustus 2011 zelf aan Aenova heeft meegedeeld dat hij lijdt aan Asperger.

  4. Het hof is van oordeel dat Aenova in de loop der jaren binnen de grenzen van wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht rekening heeft gehouden met de beperkingen van [appellant] . Aenova werkt in de ICT. Door de groei van Aenova en softwareontwikkelingen zijn er in de loop van de jaren verschillende veranderingen doorgevoerd. Zo is er in de zomer van 2010 een verandering van werkmethode doorgevoerd: er wordt vanaf dat moment projectmatig in teamverband gewerkt in een drieweekse cyclus, waarbij teamoverleg, communicatie en het uitvoeren van taken voor telkens drie weken centraal staan, waarbij werknemers van elkaar afhankelijk zijn wat betreft inzet en kunde (het zogenaamde scrummen). Deze wijze van sturing en uitvoering van de werkzaamheden stond op gespannen voet met de voor [appellant] noodzakelijke duidelijke structuur en regelmaat. De gewenste structuur en regelmaat kon Aenova [appellant] gelet op de aard van haar (relatief kleine) onderneming echter niet steeds aan [appellant] bieden en dit kon redelijkerwijs ook niet van haar worden verlangd, zoals ook blijkt uit de bevindingen van de verschillende arbeidsdeskundigen (zie r.o. 1 onder h, k en l). Het hof gaat er in niet in mee dat [appellant] van Aenova in dit opzicht mocht verlangen dat zij nog meer voor hem had kunnen en moeten doen, anders dan wat zij heeft gedaan (zoals hem een eigen werkruimte aanbieden en de begeleiding die zij in de loop der tijd aan hem heeft geboden, ook door bureau Voorzet), . Daarbij is van belang dat Aenova een kleine werkgever is met een beperkt aantal werknemers. Van haar mag niet worden verwacht dat zij de werkwijze van haar organisatie geheel afstemt op hetgeen voor [appellant] het meest wenselijk was. Daar zou het bieden van de door [appellant] verlangde structuur en regelmaat wel op neerkomen.Uit het hierboven onder 1 gegeven feitenoverzicht blijkt verder dat Aenova wel degelijk zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening heeft gehouden met hetgeen [appellant] nodig had. Zo is bijvoorbeeld sinds 2009 coaching vanuit het werk opgestart en was er regelmatig overleg.

  5. Aenova heeft de nodige re-integratie-activiteiten verricht en gezocht naar voor [appellant] werkbare en passende oplossingen. die tegemoet kwamen aan de behoeften van [appellant] . Meerdere arbeidsdeskundigen hebben geoordeeld dat die inspanningen voldoende waren. Uit het logboek dat werd bijgehouden van de re-integratie van [appellant] (productie 42 bij memorie van grieven) blijkt ook dat er regelmatig, serieus en inhoudelijk contact was tussen Aenova en [appellant] . Op verzoek van [appellant] is door Aenova ook het in autisme gespecialiseerde bureau Voorzet ingeschakeld en uit de rapportage van dit bureau blijkt dat zij regelmatig met [appellant] heeft gesproken, gemaild en hem heeft geïnformeerd en dat zij hem heeft ondersteund bij de re-integratie in het 2e spoor.

Dat [appellant] na zijn periode van arbeidsongeschiktheid in 2009/2010 is gere-integreerd en ongeveer een jaar heeft gefunctioneerd, duidt evenmin op tekortschieten van Aenova als het gaat om de gepleegde re-integratie inspanningen. Dat de re-integratie in zijn oude functie na zijn ziekmelding in 2011 is mislukt, is blijkens het hierboven geciteerde rapport van J.M. Zuijdervliet-Droog van 6 maart 2012 verklaarbaar uit de ontwikkelingen in de automatisering waarop [appellant] door zijn beperkingen niet voldoende kon anticiperen. Daarvan valt echter niemand een verwijt te maken, ook Aenova niet.

De klacht van [appellant] dat het ontbreken van een duidelijke functieomschrijving er mede debet aan is dat hij arbeidsongeschikt is geraakt, is naar het oordeel van het hof niet terecht. [appellant] had aanvankelijk geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. Toen de (nieuwe) eigenaar van Aenova dat gewaar werd, is aan [appellant] alsnog een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden met als functie softwareontwikkelaar. Het functieprofiel kon [appellant] nader lezen op het intranet van Aenova. Dat [appellant] zelf al eerder aan de bel had getrokken omdat hij geen schriftelijke arbeidsovereenkomst had, is gesteld noch gebleken. Softwareontwikkelaar was ook de functie die [appellant] ambieerde. Desalniettemin heeft hij er zelf voor gekozen de overeenkomst niet te ondertekenen, naar eigen zeggen omdat dit niet overeenstemde met de feitelijke situatie. [appellant] had het aanbod echter ook als een handreiking van Aenova en een opstap naar de door hem geambieerde functie kunnen zien.
Dat hij deze arbeidsovereenkomst kreeg aangeboden op een moment dat hij al langere tijd niet meer als softwareontwikkelaar had gewerkt, maakt niet dat aan Aenova in dit opzicht een relevant verwijt te maken valt.

De diagnostische beoordeling van psychiater [H] leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft geen grieven ingebracht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verklaring van psychiater [H] alleen informatie inhoudt die afkomstig is van [appellant] . Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat deze psychiater kennis heeft genomen van het (re-integratie)dossier van [appellant] en/of de adviezen van de arbeidsdeskundigen en de re-integratie inspanningen van Aenova.

Ten aanzien van de klachten over onvoldoende communicatie en het onvoldoende betrekken van zijn jobcoach bij de gesprekken overweegt het hof het volgende. Uit het door [appellant] en Aenova bijgehouden logboek van de re-integratiecontacten blijkt dat er regelmatig contact was. Dat Aenova blijkens productie 22 bij het inleidend verzoekschrift afhoudend heeft gereageerd op de aanwezigheid van de coach bij een onderzoek van de arbeidsdeskundige, is naar het oordeel van het hof ongelukkig geweest. . [appellant] wijst verder nog op een ongedateerde e-mail van Aenova waarin Aenova schrijft: “Verder wordt mijn gesprek met de heer [I] verkeerd verwoord of geïnterpreteerd. Ik stop dus met de communicatie met de heer [I] om verdere misverstanden te voorkomen.” In deze e-mail (productie 27 bij het inleidend verzoekschrift) reageert Aenova echter uit kennelijke frustratie op de reactie van [appellant] op de bijstelling van het plan van aanpak en zijn verzet tegen het 2e spoor traject. Uit de door Aenova bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde productie 19 blijkt dat zij [appellant] wel ruimte heeft gegeven om zijn jobcoach [I] bij voorkomende gesprekken te betrekken. De inzet op de begeleiding door bureau Voorzet door Aenova werd bovendien wel degelijk voortgezet, blijkens de opdracht van Aenova van 21 mei 2012 aan Voorzet tot begeleiding van [appellant] tot 31 mei 2013. Het handelen van Aenova in het kader van haar re-integratie inspanningen voor wat betreft de rol van de jobcoach is gelet op het voorgaande weliswaar niet steeds vlekkeloos geweest, maar in het totaal van de gepleegde re-integratie inspanningen en de inzet van bureau Voorzet gedurende lange tijd op kosten van Aenova, leidt dit niet tot de conclusie dat Aenova tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen jegens [appellant] ..

i. De stelling van [appellant] dat Aenova onvoldoende de aanwijzingen van de arbeidsdeskundigen heeft gevolgd, vindt geen steun in de al eerder aangehaalde conclusie van meerdere arbeidsdeskundigen dat de re-integratie inspanningen van Aenova voldoende zijn geweest. Uit de door Aenova overgelegde verslag van Bureau Voorzet blijkt verder dat dit bureau intensief betrokken is geweest bij de re-integratie van [appellant] in het 2e spoor. Die rapportages beschrijven dat [appellant] veel moeite had met dit re-integratie traject, ten eerste omdat hij het niet eens was met de inzet van het 2e spoor (reden waarom hij een deskundigenoordeel van het UWV aanvroeg) en ten tweede omdat dit traject voor hem veel onzekerheid mee bracht (versterkt door zijn autisme, onzekerheid over zijn WIA-uitkering en communicatieproblemen als gevolg van zijn verhuizing naar Sittard). Het door [appellant] verkregen deskundigenoordeel bevestigde echter dat de werkgever voldoende re-integratie inspanningen deed. De overige omstandigheden kunnen de werkgever niet worden verweten. In de rapportages van Bureau Voorzet valt ook geen verwijt aan Aenova te lezen.

Het door [appellant] overgelegde advies van [J] van [J] Verzuim Beheer VOF, legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te kunnen komen. Volgens [J] volgt uit geen enkel document dat re-integratie in spoor 1 niet mogelijk zou zijn. Dat klopt echter niet met het door [appellant] zelf bij dagvaarding als productie 23 overgelegde rapport van [arbeidsdeskundige B] van 6 maart 2012 en is evenmin te rijmen met de deskundigenoordelen van het UWV, waarin is geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van Aenova voldoende waren

7. Volgens [appellant] heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met na te noemen omstandigheden voor de bepaling of de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk was. [appellant] noemt de duur van zijn dienstverband, dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd, zijn (gebrek aan) opleiding, dat hij zijn best heeft gedaan om te re-integreren, dat er een verband is tussen zijn arbeidsongeschiktheid en het werk, de goede financiële positie van Aenova, de slechte financiële situatie van [appellant] , de slechte kansen van [appellant] op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat Aenova geen voorziening heeft getroffen om de gevolgen van het ontslag voor [appellant] te verzachten.

8. Het hof kan [appellant] hierin niet volgen. Als eerder overwogen geldt als uitgangspunt bij kennelijk onredelijk ontslag ex art. 7:681 BW (oud) dat een werknemer die wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen geen recht heeft op een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, ook niet als sprake is van een lang dienstverband, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die toch een vergoeding rechtvaardigen. De door [appellant] genoemde omstandigheden zijn niet zo bijzonder dat zij het ontslag kennelijk onredelijk maken.

9. De slotsom is dat van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] kennelijk onredelijk is niet is gebleken.

Dit betekent dat de grieven falen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

10. Het bewijsaanbod van [appellant] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 30 mei 2017;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Aenova tot op heden begroot op € 1.952,- aan verschotten en € 3.918,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, C.J. Frikkee en R.S. van Coevorden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.