Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2609

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
22-000058-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belaging van twee verbalisanten en een medewerkster van Veilig Thuis. Deze slachtoffers zijn in verband met een (anonieme) zorgmelding over de zoon van de verdachte naar de woning van de verdachte gegaan. Gegeven die zorgmelding was er aanleiding om een onderzoek naar het welzijn van de zoon in te stellen. Toen zij bij de woning van de verdachte waren aangekomen, heeft de verdachte zich opstandig en intimiderend opgesteld, onder meer door hen te filmen. Kort daarna heeft de verdachte een aldus gemaakt filmpje op Facebook gedeeld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts krijgt de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000058-19

Parketnummer: 09-817009-17 en 09-186392-16

Datum uitspraak: 30 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1981 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-817009-17 onder 1, 2 en 3 alsmede bij dagvaarding met parketnummer 09-186392-16 onder 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 dagen, subsidiair 60 dagen hechtenis eveneens met aftrek van voorarrest.
Ook is beslist op de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen en is telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging


Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de bij beide inleidende dagvaardingen aan de verdachte ten laste gelegde feiten gevoegd. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zijn in het navolgende de ten laste gelegde feiten doorgenummerd.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 09-817009-17

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2016 tot en met 30 december 2016 te Leiden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

a. a) een medewerkster van Veilig Thuis, geregistreerd onder nummer [1] ([persoon]) en/of
b) een agent van politie, geregistreerd met/onder stamnummer [2] en/of
c) een agent van politie, geregistreerd met/onder stamnummer [3] in elk geval van een ander,

met het oogmerk die medewerkster van Veilig Thuis en/of die agent(en) van politie, in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (telkens) (meermalen)

- foto's en/of film filmpjes van de onder de a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) te maken (terwijl zij/hij aan het werk was/waren) en/of
- berichten over de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden en/of
- een of meer foto's van de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden en/of
- een of meer filmpjes waarin de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) te zien zijn op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2016 2016 tot en met 30 december 2016 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van een medewerkster van Veilig Thuis, geregistreerd onder nummer [1] ([persoon]) heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op Facebook berichten te plaatsen met de navolgende tekst(en)
- "Dames en heren maak kennis met [persoon]. Dit is een Marokkaanse landverraadster ze werkt voor de grootste falende instelling van Nederland 'jeugdzorg' zij assisteert de politie als zij een jongen/meisje weg MOETEN halen bij hun Marokkaanse ouders!!" en/of
- "Ik denk dat ik weet waarom ze de hele tijd aan haar neus zit ik heb gehoord dat ze dat heb ik van een anonieme tip";

3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 september 2016 tot en met 23 september 2016 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever 1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op Facebook berichten te plaatsen met de navolgende tekst(en)
- "Jij baart kinderen verder verwaarloos jij hun [aangever 1]" en/of
- "Iedereen mag weten dat jij een slechte moeder bent" en/of
- "Klopt het dat jij niet voor je kinderen kan zorgen" en/of
- "Klopt het dat jij bij GGZ in behandeling staat";

parketnummer 09-186392-16

4.
hij op of omstreeks 9 september 2016 te Leiden opzettelijk beledigend een ambtenaar, [aangever 2] (brigadier politie Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, via (zijn/ verdachtes) facebook account, als begeleidende tekst bij een filmpje waarop genoemde verbalisant te zien is, de woorden heeft toegevoegd: "Die kankerjoden dachten even dat ze mijn zoon zomaar konden meenemen nou egt niet nu niet nooit niet!!!!, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de op te leggen straf, en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2016 tot en met 30 december 2016 te Leiden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

a. a) een medewerkster van Veilig Thuis, geregistreerd onder nummer [1] ([persoon]) en/of
b) een agent van politie, geregistreerd met/onder stamnummer [2] en/of
c) een agent van politie, geregistreerd met/onder stamnummer [3] in elk geval van een ander,

met het oogmerk die medewerkster van Veilig Thuis en/of die agent(en) van politie, in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden en/of vrees aan te jagen, door (telkens) (meermalen)

- foto's en/of een film filmpjes van de onder de a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) te maken (terwijl zij/hij aan het werk was/waren) en/of
- berichten over de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden en/of
- een of meer foto's van de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden en/of
- een of meer filmpjes waarin de onder a) en/of b) en/of c) genoemde perso(o)n(en) te zien zijn op Facebook te plaatsen en/of via internet openbaar te maken en/of te verspreiden;

2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2016 2016 tot en met 30 december 2016 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van een medewerkster van Veilig Thuis, geregistreerd onder nummer [1] ([persoon]) heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op Facebook berichten te plaatsen met de navolgende tekst(en)
- "Dames en heren maak kennis met [persoon]. Dit is een Marokkaanse landverraadster ze werkt voor de grootste falende instelling van Nederland 'jeugdzorg' zij assisteert de politie als zij een jongen/meisje weg MOETEN halen bij hun Marokkaanse ouders!!" en/of
- "Ik denk dat ik weet waarom ze de hele tijd aan haar neus zit ik heb gehoord dat ze dat heb ik van een anonieme tip";

3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 september 2016 tot en met 23 september 2016 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever 1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op Facebook berichten te plaatsen met de navolgende tekst(en)
- "Jij baart kinderen verder verwaarloos jij hun Mariëlle [aangever 1]" en/of
- "Iedereen mag weten dat jij een slechte moeder bent" en/of
- "Klopt het dat jij niet voor je kinderen kan zorgen" en/of
- "Klopt het dat jij bij GGZ in behandeling staat";

4.
hij op of omstreeks 9 september 2016 te Leiden opzettelijk beledigend een ambtenaar, [aangever 2] (brigadier politie Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, via (zijn/ verdachtes) facebook account, als begeleidende tekst bij een filmpje waarop genoemde verbalisant te zien is, de woorden heeft toegevoegd: "Die kankerjoden dachten even dat ze mijn zoon zomaar konden meenemen nou egt niet nu niet nooit niet!!!!, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 (ten aanzien van de personen genoemd onder b en c) bewezen verklaarde levert op:


belaging, meermalen gepleegd.

Het onder 1 (ten aanzien van de persoon genoemd onder a) en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van belaging en smaadschrift.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:


smaadschrift.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen staf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.


De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belaging van twee verbalisanten en een medewerkster van Veilig Thuis. Deze slachtoffers zijn in verband met een (anonieme) zorgmelding over de zoon van de verdachte naar de woning van de verdachte gegaan. Gegeven die zorgmelding was er aanleiding om een onderzoek naar het welzijn van de zoon in te stellen. Toen zij bij de woning van de verdachte waren aangekomen, heeft de verdachte zich opstandig en intimiderend opgesteld, onder meer door hen te filmen. Kort daarna heeft de verdachte een aldus gemaakt filmpje op Facebook gedeeld. Gedurende enkele maanden is de verdachte doorgegaan met het opnieuw delen van de film en van foto’s, voorzien van beledigende teksten en daarbij opgeroepen om de beelden en de berichten verder te delen.

De verdachte heeft tevens berichten op Facebook geplaatst over de medewerkster van Veilig Thuis en zijn ex-partner, waardoor hun eer en goede naam is aangerand. Ook heeft de verdachte een verbalisant beledigd door een filmpje waarin de verbalisant te zien is te delen op Facebook, voorzien van een beledigende tekst.

Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 4 september 2019, waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens een strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten. Het uittreksel geeft aanleiding tot toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een door de klinisch psycholoog dr. R.A.R. Bullens op 5 mei 2017 opgemaakte Pro Justitia rapportage. In dit rapport valt te lezen dat bij de verdachte sprake is van een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. Er is sprake van prikkelbaar en agressief gedrag. De verdachte is impulsief in zijn reacties en kan roekeloos met zijn eigen en andermans veiligheid omgaan. De deskundige adviseert om bij een bewezenverklaring de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt het advies inzake de toerekenbaarheid, dat naar zijn oordeel door de deskundige deugdelijk is onderbouwd, over.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een ter zake van de verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Fivoor van 20 juni 2018. Deze reclasseringsinstelling heeft de verdachte in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis begeleid. Er is gedurende die periode ingezet op het vergroten van zijn copingvaardigheden om de kans op recidive te verlagen. Gedurende de schorsing heeft de verdachte goed meegewerkt en zich telkens gemeld. Omdat bij de verdachte geen sprake was van hulpvragen en het beter leek te gaan, is verdere behandeling achterwege gebleven. Nu de verdachte ook beschikt over voldoende beschermende factoren - met name het vaderschap - beoordeelt de reclassering het recidiverisico als laag. De voorzetting van hulp en begeleiding door de reclassering wordt niet nodig geacht.

Door en namens de verdachte is verzocht een eventueel op te leggen taakstraf fors te matigen. De verdachte is tussentijds in een andere strafzaak tot een taakstraf van beperkte duur veroordeeld. Met betrekking tot die taakstraf heeft de reclassering gelet op zijn persoonlijke omstandigheden een modaliteit gevonden waarbij de verdachte elke week slechts voor korte duur kan werken, zodat het zich laat aanzien dat een taakstraf van langere duur een erg lange uitvoeringstijd zal kennen, hetgeen onwenselijk is.


Gelet op het voorgaande acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf niet passend en geboden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden zoals hierboven weergegeven aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, teneinde de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarnaast dient een taakstraf te worden opgelegd. Met de raadsman is het hof van oordeel dat een te lange taakstraf niet passend is. Het hof zal de hoogte van de op te leggen taakstraf daarom enigszins matigen. Het hof gaat er niet bij voorbaat van uit dat de reclassering uitsluitend projecten kan aanbieden - die aansluiten bij de beperkingen van de verdachte – waarbij hij slechts een enkel uur per week kan werken, zodat de duur van de taakstraf niet, zoals verzocht, in nog forsere mate wordt bekort.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [3]

In het onderhavige strafproces heeft [3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.040,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot € 250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [3], eveneens te vermeerderen met wettelijke rente. De verdachte mag het bedrag in maandelijkse termijnen voldoen.

Vordering tot schadevergoeding [2]

In het onderhavige strafproces heeft [2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.040,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot € 250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.


Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [2], eveneens te vermeerderen met wettelijke rente. De verdachte mag het bedrag in maandelijkse termijnen voldoen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 550,00. De rechtbank heeft deze vordering tot een bedrag van € 150,00 toegewezen.

Aangezien de benadeelde partij zich niet opnieuw heeft gevoegd in hoger beroep is deze vordering slechts aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 150,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot € 150,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.


Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 150,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], eveneens te vermeerderen met wettelijke rente. De verdachte mag het bedrag in maandelijkse termijnen voldoen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 261, 266, 267 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis;

Vordering van de benadeelde partij [3]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [3], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in
5 (vijf) maandelijkse termijnen, elk groot € 50,00 (vijftig euro);

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 december 2016;

vordering van de benadeelde partij [2]


wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;


bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in
5 (vijf) maandelijkse termijnen, elk groot € 50,00 (vijftig euro);

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 december 2016;

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1], ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;


bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in
3 (drie) maandelijkse termijnen, elk groot € 50,00 (vijftig euro);

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 september 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. J.W. van den Hurk en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S.J. de Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2019.