Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2607

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
22-003788-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag. Geen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. In casu niet vast te stellen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden door het (meermalen) met kracht slaan/stompen tegen het hoofd. Het kennelijk met veel kracht op de vastgestelde wijze (meermalen) slaan tegen het gezicht levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Gelet op uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte ook aanvaarding daarvan. Naar het oordeel van het hof is het bij het slachtoffer vastgestelde gebroken jukbeen, de kaakfractuur en de schedelfractuur gelet op de aard van deze letsels, de noodzaak van medisch ingrijpen, alsmede het samenstel van die letsels aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Causaal verband tussen vuistslagen verdachte en hersenletsel. Veroordeling wegens zware mishandeling (art. 302 Sr). Verwerping beroep op putatieve noodweer. Uitvoerige strafmotivering. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en gelast de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Het hof merkt de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding en de revalidatiedaggeldvergoeding aan als vergoeding van immateriële schade en wijst de vordering ten aanzien van het gevorderde smartengeld toe tot een bedrag van € 15.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003788-18

Parketnummer: 09-827274-18 en 09-239714-15 (TUL)

Datum uitspraak: 30 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 september 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1984 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de door de benadeelde partij ingediende vordering en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en is beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 28 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven (meermalen) met de vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor deze (meermalen) met zijn hoofd op de grond is gekomen, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 mei 2018 te 's-Gravenhage aan
[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer kaak- en/of schedelbreuken en/of hersenletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] (meermalen) met de vuist tegen het hoofd te slaan, waardoor deze (meermalen) met zijn hoofd op de grond is gekomen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

(Partiële) vrijspraak


Mede gezien de uiteenlopende standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging hierover ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - op de dood van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) heeft gehad.

Het hof is van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte boos opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Vervolgens rijst de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Bij de beantwoording van die vraag dient het volgende te worden vooropgesteld.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van die kans, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedragingen bewust heeft aanvaard.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Het (meermalen) met kracht slaan/stompen tegen het hoofd van een rechtopstaand slachtoffer gaat – mede vanwege de kans op een ongelukkige val op/met het hoofd – gepaard met het risico dat diegene daarbij mogelijk dodelijk letsel oploopt. Het hof heeft zich verdiept in hetgeen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt met betrekking tot de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte het slachtoffer heeft geslagen. Het hof kan op grond hiervan echter niet vaststellen dat het risico op mogelijk dodelijk letsel in dit geval aanmerkelijk was. Naar het oordeel van het hof kan voorts niet gesteld worden dat – bijzondere omstandigheden daargelaten, waarvan in casu niet is gebleken – algemene ervaringsregels leren dat het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebracht.

Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven. De verdachte behoort derhalve van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het hof acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde met voorbedachte raad heeft begaan. In zoverre dient de verdachte eveneens te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2018 te 's-Gravenhage aan
[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer kaak- en/of schedelbreuken en/of hersenletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] (meermalen) met de vuist tegen het hoofd te slaan, waardoor deze (meermalen) met zijn hoofd op de grond is gekomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

opzet
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte (ook) geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte het slachtoffer meerdere malen hard heeft geslagen, maar dat dit onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Met toepassing van het hiervoor onder ‘(Partiële) vrijspraak’ beschreven beoordelingskader overweegt het hof hieromtrent als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen - waaronder de eigen waarneming met betrekking tot de camerabeelden die op de terechtzitting in hoger beroep zijn bekeken - gaat het hof hierbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.


De verdachte heeft het slachtoffer in ieder geval twee rake vuistslagen tegen het gezicht gegeven. Om 19:46:00 uur komt de verdachte vanuit een zijstraat de Leyweg opgerend, waar onder meer het slachtoffer zich bevond. De verdachte remt iets af, maar blijft in beweging. De verdachte maakt dan een kleine bocht naar links. De verdachte haalt direct daarna uit en geeft het slachtoffer een vuistslag met zijn rechterhand. Het slachtoffer valt direct achterover op de straat. Het slachtoffer heft het hoofd iets omhoog en de verdachte haalt nog een keer uit. Niet duidelijk is of het slachtoffer door deze uithaal wordt geraakt. De verdachte loopt om 19:46:08 uur een paar meter naar achteren. Getuige [getuige] rent om 19:46:12 uur op de verdachte af. De verdachte gaat direct uit haar baan en lijkt haar daarbij weg te duwen. Om 19:46:13 uur krabbelt het slachtoffer op en gaat rechtop staan. Om 19:46:14 uur haalt de verdachte nogmaals uit en geeft het slachtoffer weer een vuistslag met de rechterhand. Het slachtoffer valt daarna wederom achterover op de straat en blijft liggen, waarna de verdachte vervolgens – op het oog volstrekt onverschillig over de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer - wegrent en niet meer terugkeert.


In een telefoongesprek dat de verdachte diezelfde avond met zijn broer voert zegt hij dat hij het slachtoffer ‘kankerhard’ sloeg. De verdachte zegt ook dat het slachtoffer ‘volgas achterover op de straatstenen’ belandde. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer wilde uitschakelen.

Naar het oordeel van het hof levert het – gelet op de verklaring van de verdachte en het vastgestelde letsel aan de kaak en het jukbeen van het slachtoffer, dat gelet op de wijze van vallen door het slachtoffer niet daardoor kan zijn ontstaan - kennelijk met veel kracht op de hiervoor vastgestelde wijze (meermalen) slaan tegen het gezicht naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Het hoofd is immers een bijzonder kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Krachtige mechanische geweldsinwerking op het hoofd kan tot ernstige breuken en (ernstig) hersenletsel leiden.

Voorts dienen de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dergelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken. Er is aldus sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Zwaar lichamelijk letsel


Ten aanzien van de vraag of de verdachte door meerdere keren met (veel) kracht te slaan tegen het gezicht van het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt overweegt het hof als volgt.

Uit de medische stukken en andere stukken in het dossier blijkt dat op 28 mei 2018 bij het slachtoffer het volgende letsel is geconstateerd: een gebroken jukbeen, een gebroken onderkaak en een breuk in het achterhoofdsbeen. Ook was sprake van een subdurale bloeding met subarachnoïdale componenten (het hof begrijpt: een bloeding ontstaan tussen de hersenen en de schedel), waarbij sprake was van een ‘midlijn shift tot 1,5 cm naar links’. Het slachtoffer is diezelfde dag in verband met deze bloeding met spoed geopereerd. Er werd een hemicraniotomie verricht. Na deze operatie was een tweede operatie vereist om het verwijderde stuk schedel terug te plaatsen. Het slachtoffer is daarnaast op 13 juni 2018 geopereerd vanwege het gebroken jukbeen. Ten aanzien van de kaakfractuur was operatief ingrijpen niet vereist. Het slachtoffer werd aangemeld voor verder herstel in GGZ Rivierduinen op een behandelplek voor Niet Aangeboren Hersenletsel.

Naar oordeel van het hof is het bij het slachtoffer vastgestelde gebroken jukbeen, de kaakfractuur en de schedelfractuur gelet op de aard van deze letsels, de noodzaak van medisch ingrijpen alsmede het samenstel van die letsels aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.


Namens de verdachte is nog aangevoerd dat ten aanzien van het vastgestelde hersenletsel niet kan worden vastgesteld dat dit is ontstaan door toedoen van de verdachte en hij hiervan dient te worden vrijgesproken. Het slachtoffer is eerder gediagnosticeerd met een ernstige stoornis in alcoholgebruik. Er is geen onderzoek uitgevoerd door een forensisch arts naar het bestaan van een causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het geconstateerde hersenletsel.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt vast dat namens de verdachte enkel is gewezen op het bestaan van de mogelijkheid dat het bij het slachtoffer geconstateerde hersenletsel is ontstaan als gevolg het overmatig gebruik van alcohol. Op grond van de medische stukken in het dossier en hetgeen overigens uit de bewijsvoering blijkt, is het hof van oordeel dat het redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht dat het geconstateerde hersenletsel een andere, directe, oorzaak heeft gehad dan het handelen van de verdachte. De vuistslagen van de verdachte kunnen daarentegen zonder meer een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het hersenletsel hebben geleid, terwijl dat letsel ook met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt. De gedragingen van de verdachte zijn naar hun aard geschikt om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard dat zij het vermoeden wettigen dat zij hebben geleid tot het vastgestelde hersenletsel, terwijl het "alcoholmisbruik" ook door de verdediging in de kern is gepresenteerd als een mogelijke, niet uit te sluiten oorzaak. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een beroep op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces toekomt en dat hij dientengevolge ter zake van het ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd – kort gezegd – dat de verdachte verkeerde in de veronderstelling dat zijn vriendin werd aangevallen door meerdere personen. De verdachte is, toen hij haar om hulp hoorde roepen, naar haar toegerend. Hij zag dat zijn vriendin door het slachtoffer werd geduwd en vastgepakt. De verdachte heeft tegen het slachtoffer geroepen dat hij los moest laten, hetgeen hij niet deed. Door de bij de verdachte ontstane paniektoestand en uit impuls heeft de verdachte vervolgens het slachtoffer met de vuist tegen het hoofd geslagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Onder putatieve noodweer wordt verstaan het geval waarbij sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich (of een ander) moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.


Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte een beroep op putatieve noodweer(exces) toekomt gaat het hof op basis van de zich in het dossier bevindende stukken – waaronder de camerabeelden die op de terechtzitting in hoger beroep zijn bekeken - en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 mei 2018 om 19:43:24 uur is op de Leyweg te Den Haag een ruzie gaande tussen de vriendin van de verdachte ([vriendin]) en een andere vrouw ([getuige]). [vriendin] en [getuige] duwen elkaar. Er wordt over en weer geslagen en aan de haren getrokken. De verdachte is daarbij aanwezig en komt tussenbeide. Het lukt hem niet om de ruzie tussen [vriendin] en [getuige] te sussen, evenmin om het fysieke contact tussen beide te beëindigen. Om 19:44:09 uur loopt de verdachte, samen met zijn zoontje, weg. De verdachte loopt naar een zijstraat van de Leyweg en blijft daar staan. De verdachte heeft dan vrij zicht op beide vechtende vrouwen. [vriendin] en [getuige] blijven gebukt tegenover elkaar staan en hebben elkaar vast bij elkaars haren. Om 19:45:03 uur staan [vriendin] en [getuige] rechtop tegenover elkaar en komt het slachtoffer aangelopen.

Het slachtoffer komt om 19:45:32 uur bij [vriendin] en [getuige] staan. Een andere man komt op dat moment ook bij hen staan. Om 19:45:51 uur komt de partner van het slachtoffer, [partner], aanlopen. Terwijl in de tussenliggende seconden sprake is van enig geduw over en weer tussen [vriendin] en het slachtoffer, staat de partner van het slachtoffer om 19:46:00 tussen haar man en [vriendin] in, die aldus een lichaamsbreedte uit elkaar staan. Het slachtoffer en [vriendin] hebben elkaar op dat moment niet vast. Het slachtoffer staat op dat moment kaarsrecht. Op datzelfde moment, nog steeds om 19:46:00 uur, komt de verdachte vanuit de zijstraat de Leyweg opgerend. De verdachte remt iets af, maar blijft in voorwaartse richting in beweging. De verdachte maakt dan een korte bocht naar links. De verdachte haalt direct daarna uit en geeft het slachtoffer een vuistslag met zijn rechterhand. Het slachtoffer valt direct achterover op de straat. Het slachtoffer heft het hoofd iets omhoog en de verdachte haalt nog een keer uit. Niet duidelijk is of het slachtoffer door deze uithaal wordt geraakt. De verdachte loopt om 19:46:08 uur een paar meter naar achteren. [getuige] rent om 19:46:12 uur op de verdachte af. De verdachte gaat direct uit haar baan en lijkt haar daarbij weg te duwen. De afstand tussen het slachtoffer en [vriendin] bedraagt op dat moment enkele meters. Het slachtoffer en [vriendin] hebben elkaar dan niet vast. Om 19:46:13 uur krabbelt het slachtoffer op en staat rechtop. Terwijl hij dat doet begeeft de verdachte zich met versnelde pas in zijn richting. Om 19:46:14 uur haalt de verdachte nogmaals uit en geeft het slachtoffer weer een vuistslag. Pas als de verdachte uithaalt beweegt de linkerarm van het slachtoffer iets omhoog. Het slachtoffer valt daarna achterover op de straat en blijft liggen.

Het hof stelt op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden allereerst vast dat hetgeen in het verweer omtrent de feitelijke toedracht door de verdachte naar voren is gebracht – dat het slachtoffer [vriendin] hardhandig vasthield en niet reageerde op zijn roep haar los te laten – niet aannemelijk is geworden. Het hof oordeelt voorts dat het enkele (weg-)duwen van [vriendin] door het slachtoffer in de gegeven situatie geen wederrechtelijke aanranding oplevert. Het bestaan van een noodweersituatie is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat het niet noodzakelijk was voor de verdachte om Blom te beschermen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, - die was er immers niet – terwijl ook niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan. Verdachte heeft vanuit zijn relatief rustige positie in de zijstraat kunnen waarnemen hoe de situatie op de Leyweg zich ontwikkelde.


Naar het oordeel van het hof was in de hierboven genoemde feiten en omstandigheden voorts geen sprake van een geval waarin de verdachte verontschuldigbaar dwaalde, omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij een ander moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Aangezien naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verkeerde in een situatie van verschoonbare dwaling omtrent de noodzaak tot verdediging van [vriendin], dient het beroep op putatief noodweer(exces) te worden verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde of van de verdachte uitsluiten. Derhalve is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.


kwalificatie

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door het slachtoffer meermalen met kracht met de vuist tegen het gezicht te slaan. Als gevolg van de vuistslagen heeft het slachtoffer hersenletsel en meerdere botbreuken in het gezicht opgelopen. Het revalidatietraject dat het slachtoffer moet doorlopen duurt tot op de dag van vandaag.

De bruutheid en het gemak waarmee de verdachte fors geweld heeft uitgeoefend acht het hof verontrustend. De aanleiding voor de vuistslagen blijft ook na de behandeling van de zaak in hoger beroep onduidelijk, hoewel bij de verdachte ontstane woede en frustratie dat het hem niet lukte het gevecht tussen twee vrouwen, waarvan er een zijn vriendin is, te beëindigen een grote rol lijken te hebben gespeeld. Het slachtoffer was geen bekende van de verdachte en probeerde een handgemeen tussen twee vrouwen op straat, waarbij hij niet betrokken was, te sussen.

Het hof houdt voorts rekening met de omstandigheid dat het feit zich heeft afgespeeld op de openbare weg, terwijl er veel omstanders, waaronder een aantal jonge kinderen, aanwezig waren. Feiten als de onderhavige zijn zeer schokkend voor omstanders en versterken de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, ook wegens feiten met een geweldscomponent. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

In eerste aanleg is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest opgelegd. Deze straf is aanzienlijk hoger dan de straf die pleegt te worden opgelegd bij zware mishandeling, zoals opgenomen in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Naar het oordeel van het hof is de hoogte van deze straf echter in het bijzonder gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dat is gepleegd en de gevolgen daarvan een passend vertrekpunt. Hoewel het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank, geven deze omstandigheden en de gevolgen daarvan het hof geen aanleiding de op te leggen straf ten opzichte van de rechtbank aanmerkelijk te matigen. Daarbij verdient opmerking dat er geen aanzienlijk verschil bestaat tussen het strafmaximum ter zake zware mishandeling (8 jaar) en de ter zake van een poging tot doodslag maximaal op te leggen gevangenisstraf (10 jaar).


Anders dan de rechtbanken de advocaat-generaal, ziet het hof wel aanleiding tot oplegging van een voorwaardelijk strafdeel. Met de reclassering acht het hof het raadzaam dat de verdachte gedurende de op te leggen proeftijd door de reclassering wordt begeleid. In het kader van die begeleiding kan de reclassering de verdachte intensiever en langer begeleiden dan het geval zal zijn als de verdachte het penitentiair programma waaronder hij zou vallen bij de oplegging van uitsluitend een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou volgen. Dit acht het hof gegeven de persoonlijke omstandigheden van de verdachte raadzaam. Het hof zal voorts ook de overige bijzondere voorwaarden, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van 14 augustus 2018, verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel. Uit het reclasseringsadvies van 25 juni 2019 leidt het hof af dat de reclassering nog steeds achter dit advies staat.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daarom zullen de op te leggen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De verdachte heeft zich zonder invoelbare aanleiding schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict. Uit het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof voorts af dat de verdachte zich in het verleden ook reeds bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan delicten met een geweldscomponent. De kans op recidive wordt door de reclassering in de hiervoor genoemde rapportages ingeschat als hoog, terwijl dat ook geldt voor de kans op letselschade. Dat risico wordt naar het oordeel van het hof nog vergroot door de houding van de verdachte. De verdachte lijkt verstoken te zijn van werkelijk inzicht in de ernst en ontoelaatbaarheid van zijn handelen. Daarnaast staat de verdachte ambivalent tegenover hulpverlening, zo volgt uit het meest recente rapport van de Reclassering Fivoor. Het hof acht het hoogst onwenselijk dat de verdachte na zijn vrijlating enige tijd verstoken is van de met het oog op de inperking van het recidivegevaar wenselijk geachte begeleiding en behandeling.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.676,16.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.676,61.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 17.676,61, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, behoudens de materiële schade bestaande uit de vervangingskosten voor een T-shirt
(€ 12,50) en het in rekening gebrachte eigen risico (€ 180,13).

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.369,63
materiële schade is geleden, bestaande uit de vervangingskosten voor een T-Shirt, het in rekening gebrachte eigen risico en de kosten voor huishoudelijke hulp. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof merkt op dat de gevraagde vergoeding voor de kosten om medische informatie in te winnen worden aangemerkt als proceskosten en als zodanig zullen worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is voorts aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot € 15.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof merkt de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de revalidatiedaggeldvergoeding aan als vergoeding van immateriële schade en heeft deze als materiële schade opgevoerde vergoedingen bij de vaststelling van de hoogte van het toegewezen bedrag aan immateriële schade (volledig) meegenomen.

Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 46,04, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 16.369,13 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Den Haag van 9 juni 2016 onder parketnummer 09-239714-15 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeling in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal melden bij GGZ Reclassering Fivoor (op het adres: Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag) en zich zal blijven melden zo frequent en zo lang als GGZ Reclassering Fivoor dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Fact LVB van de forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke instelling, waarbij tevens een kortdurende klinische opname (voor de duur van maximaal 7 weken) ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek tot de mogelijkheden behoort’, zo frequent en zo lang als GGZ Reclassering Fivoor dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich zal houden aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zo lang als GGZ Reclassering Fivoor dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal laten begeleiden door Humanitas om praktische zaken te regelen en zich te houden aan de regels en afspraken die door Humanitas samen met betrokkene zijn opgesteld, zo lang als Humanitas dit noodzakelijk acht;

beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]


wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 16.369,13 (zestienduizend driehonderdnegenenzestig euro en dertien eurocent) bestaande uit € 1.369,13 (dertienhonderdnegenenzestig euro en dertien eurocent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 46,04;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 16.369,13 (zestienduizend driehonderdnegenenzestig euro en dertien eurocent) bestaande uit € 1.369,13 (dertienhonderdnegenenzestig euro en dertien eurocent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 116 (honderdzestien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 mei 2018;


Vordering tenuitvoerlegging

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Den Haag van 9 juni 2016 met parketnummer 09-239714-15, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.


Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. J.W. van den Hurk en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S.J. de Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2019.