Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2603

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
22-004462-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld. Veroordeling wegens mishandeling echtgenote door haar een kopstoot te geven. Overwegingen over betrouwbaarheid verklaringen van aangeefster en dochter. Partiële vrijspraak voor zover aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de mishandeling heeft begaan tegen ‘zijn levensgezel’ als bedoeld in artikel 304 Sr. Het begrip ‘levensgezel’ ziet blijkens de wetsgeschiedenis op twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden (zie HR 29 oktober 2013, NJ 2013, 523). Echtgenoten worden daarmee uitgesloten van het begrip ‘levensgezel’. Aangezien de verdachte en de aangeefster elkaars echtgenoten waren dient de verdachte dan ook in zoverre van de beschuldiging vrijgesproken te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004462-17

Parketnummer: 09-143074-17

Datum uitspraak: 16 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 oktober 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1967 te [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 februari 2018 en 16 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de door de benadeelde partij ingediende vordering en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juli 2017 te Waddinxveen zijn levensgezel, [aangeefster], heeft mishandeld door die voorgenoemde [aangeefster] een kopstoot te geven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt tot een andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging.


Partiële vrijspraak

De verdachte is ten laste gelegd dat hij de mishandeling heeft begaan tegen ‘zijn levensgezel’ als bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het begrip ‘levensgezel’ ziet blijkens de wetsgeschiedenis op twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden (vergelijk Hoge Raad 29 oktober 2013, NJ 2013, 523). Echtgenoten worden daarmee uitgesloten van het begrip ‘levensgezel’. Uit de inhoud van het dossier volgt dat de verdachte en [aangeefster] op 28 juli 2017 elkaars echtgenoten waren. Gelet hierop dient de verdachte dan ook in zoverre van de beschuldiging vrijgesproken te worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 juli 2017 te Waddinxveen zijn levensgezel, [aangeefster], heeft mishandeld door die voorgenoemde [aangeefster] een kopstoot te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster inconsistenties en onjuistheden bevatten, waardoor deze onbetrouwbaar dienen te worden geacht en niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen van de dochter ondersteunen de verklaringen van aangeefster weliswaar, maar ook haar verklaringen vertonen inconsistenties en onvoldoende duidelijk is in hoeverre deze verklaringen in vrijheid zijn afgelegd. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op zichzelf is het juist dat de verklaringen van aangeefster ten aanzien van enkele details niet in overeenstemming zijn met andere onderdelen van het dossier. Dit maakt echter nog niet dat haar gehele verklaring als vals of onbetrouwbaar ter zijde dient te worden geschoven. In grote lijnen heeft aangeefster immers consistent verklaard. De omstandigheid dat zij anders dan haar dochter de hal noemt als de locatie waar verdachte haar een kopstoot gaf en niet de exacte positie van haar dochter op dat moment kan noemen, is onvoldoende om haar verklaringen in alle opzichten als onbetrouwbaar aan te merken. Deze onduidelijkheden zijn naar het oordeel van het hof niet van belang en bovendien alleszins te verklaren door de hectiek van het gebeurde. De aangeefster en haar dochter waren onaangekondigd in de woning van de verdachte, terwijl de verdachte en aangeefster in scheiding lagen. Als gevolg van dit bezoek ontstond ruzie in de kleine en besloten ruimten van de woning, welke ruzie naar de overtuiging van het hof uiteindelijk heeft geresulteerd in het bewezen verklaarde.

Daarbij komt dat de verklaringen van aangeefster voor het overige wel steun vinden in de verklaringen van de dochter. Zij verklaart ten overstaan van de raadsheer-commissaris dat zij zag dat het hoofd van haar moeder naar achter klapte. Dat gebeurde toen het hoofd van haar vader naar voren bewoog. De verklaringen van de aangeefster vinden daarnaast ook steun in de audio-opname die door de verdachte is gemaakt van de ruzie in de woning en in de foto van aangeefster waarop letsel aan haar lip is te zien. Het verweer wordt daarom verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat het voorgaande mutatis mutandis ook geldt voor de verklaringen van de dochter van de verdachte ten opzichte van die van aangeefster. Ook zij is voor wat betreft de kern van haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris gebleven bij hetgeen zij voordien bij de politie had verklaard en ook ten aanzien van haar geldt dat het hof in hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd geen reden ziet haar verklaring – voor zover die tot het bewijs wordt gebezigd – als onbetrouwbaar te beschouwen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een kopstoot te geven aan zijn inmiddels ex-echtgenote. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar voorts pijn en letsel bezorgd.


Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 4 september 2019 waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een soortgelijk strafbaar feit, waarbij echter wordt vastgesteld dat dit feit zeer oud is. Het uittreksel geeft aanleiding tot toepassing van artikel 63 Sr.

Het hof heeft gelet op de straf die pleegt te worden opgelegd bij mishandeling door een kopstoot met enig lichamelijk letsel ten gevolge, die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een taakstraf voor de duur van 120 uren genoemd. Gelet hierop ziet het hof – bij afwezigheid van persoonlijke of andere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden – anders dan de raadsvrouw heeft bepleit geen aanleiding tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf. Anders dan de advocaat-generaal en de politierechter ziet het hof evenmin aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk strafdeel dient er met name toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 336,43. De materiële schade bestaat uit de kosten voor medicatie (pijnstillers) tot een bedrag ter hoogte van € 36,43. De immateriële schade wordt gesteld op een bedrag ter hoogte van € 300,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot € 300,00. Namens de benadeelde partij is immers ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat de materiële schade ziet op een ander voorval, waarna de vordering tot het hiervoor genoemde bedrag is teruggebracht.


De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]


wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 juli 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. J.W. van den Hurk en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S.J. de Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 september 2019.