Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2567

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
200.215.997/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring; geen sprake van ondubbelzinnig bezit; vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.997/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/512720/ HA ZA 16-703

arrest van 24 september 2019

inzake

1. [appellante 1] ,

2. [appellante 2] ,

3. [appellant 3] ,

4. [appellant 4] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna tezamen te noemen: [appellanten] ,

advocaat: mr. L.C. van den Berg te 's-Gravenhage,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf en Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Staat,

advocaat: mr. M. Vink te Utrecht.

Het geding

Bij exploot van 11 mei 2017 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 22 februari 2017 (hierna ook: het bestreden vonnis), waarbij zij vernietiging van dit vonnis hebben gevorderd en, kort gezegd, alsnog toewijzing van de vorderingen van [appellanten] in conventie. Bij memorie van grieven met één productie hebben [appellanten] zes grieven aangevoerd tegen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank in conventie. Bij memorie van antwoord in conventie, tevens houdende memorie van eis in reconventie, tevens houdende voorwaardelijke memorie van eis in reconventie met producties, heeft de Staat de grieven van [appellanten] (in conventie) bestreden en zijn eis in reconventie gewijzigd. [appellanten] zijn blijkens het hofrolsysteem in de gelegenheid gesteld hierop te reageren bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 22 februari 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Daarbij zal het hof tevens hetgeen partijen in hoger beroep in aanvulling daarop hebben gesteld, in aanmerking nemen.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

1.1.

[appellanten] zijn deelgenoten in de nalatenschap van de heer [erflater] (hierna: [de erflater] ). [de erflater] is op [dag] 2011 overleden.

1.2.

De Staat is in het Kadaster geregistreerd als eigenaar van de volgende percelen:

- Het terrein gelegen (nabij) de [adres] , kadastraal bekend als Gemeente Woudrichem, sectie H, nummer [nummer 1] , ter grootte van circa 2,15 hectare (hierna: perceel 1)

- Grasland gelegen aan de Maas te Woudrichem, kadastraal bekend als Gemeente Woudrichem, sectie I, nummer [nummer 2] (gedeeltelijk) ter grootte van 3,77 hectare (hierna: perceel 2)

- Grasland gelegen aan de Rijksdijk Poederoyen, kadastraal bekend als Gemeente Brakel, sectie M, nummer [nummer 3] , ter grootte van 2,67 hectare (hierna: perceel 3)

1.3.

Sinds het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw tot aan zijn overlijden heeft [de erflater] de percelen 1, 2 en 3 (hierna gezamenlijk: de percelen) onder andere gebruikt om zijn vee te weiden en om te hooien. Dit gebruik is door [appellanten] voortgezet.

1.4.

Op 22 mei 2012 heeft [appellant 3] aan de Staat geschreven dat [de erflater] door verjaring eigenaar is geworden van de percelen 1 en 2 en heeft hij de Staat gesommeerd de overgang van de eigendom van die percelen te doen inschrijven in het Kadaster. De Staat heeft bij brief van 30 augustus 2012 deze verzoeken gemotiveerd van de hand gewezen.

1.5.

Op 12 november 2012 heeft [appellante 1] schriftelijk het volgende verklaard:

“Mijn man [erflater] geboren [jaar] te [geboorteplaats] . Heeft al sinds, ongeveer 1970 de beschikking over de percelen grond, zoals aangetekend in de bijlage. De kades, weilanden, zijn gebruikt om te beweiden en te hooien. Al die tijd, zonder onderbreken, zijn deze percelen door mijn man gebruikt en onderhouden. Mijn man behandelde deze gronden alsof hij daar eigenaar van was zoals elk stuk grond wat hij bezat. Tot op heden heb ik altijd de administratie zelf bijgehouden.

Er is mij niets bekend van een overeenkomst, een betaling, vergoeding of iets degelijks.”

Andere familieleden en oud-werknemers van [de erflater] hebben verklaringen van vergelijkbare strekking afgelegd.

1.6.

Op 16 november 2012 heeft de [getuige 1] schriftelijk onder meer het volgende verklaard:

“Op [datum] 1980 ben ik bij Rijkswaterstaat, kanton Afgedamde Maas te Andel gaan werken. De heer [erflater] uit [woonplaats] heeft al die tijd de percelen ten noorden en ten zuiden van de [plaats] in gebruik gehad. (...)

De [erflater] heeft de percelen gebruikt voor begrazing en voor hooibouw. De onderhoudswerkzaamheden werden ook door [de erflater] zelf uitgevoerd, zoals de afrasteringen en onkruidbestrijding.

[de erflater] behandelde deze percelen alsof hij daar eigenaar van was. Er is mij niets bekend van een huurcontract/-overeenkomst. De afspraken daarvoor zijn voor mijn aantreden daar gemaakt.

Er zijn nooit ongeregeldheden, ongemakken of iets dergelijks geweest met betrekking tot het gebruik.”

1.7.

Tijdens een bespreking op 13 maart 2013 hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat [de erflater] door verjaring tevens eigenaar is geworden van perceel 3. De Staat heeft [appellanten] bij brief van 25 april 2013 erop gewezen dat zij perceel 3 zonder recht of titel in gebruik hebben, dat de Staat zich alle rechten en weren voorbehoudt en dat de brief voor zover nodig tevens een eventuele verjaring beoogt te stuiten.

1.8.

In zijn e-mail van 25 augustus 2014, schrijft de [getuige 2] onder meer:

“Periode gebied [plaats] : van [periode] vm. dienstkring Gorinchem

(…)

De situatie aan de noordwestzijde van de [plaats] betreft een kade die deel uit maakt van de voorhaven van de [plaats] .

(…)

De kade betreft een Waterstaatswerk welke is aangelegd t.b.v. de veiligheid tegen overstroming van het achterland. Het is vanuit RWS niet noodzakelijk om de grasmat te maaien t.b.v. de veiligheid.

RWS is wel verplicht om de veiligheid tegen overstroming te garanderen en zal als die in het geding is zorg moeten dragen om schade aan de kade te herstellen.

(…)

Het is echter zo dat voor 1999 ook weldegelijk het onderhoud was geregeld d.m.v. onderhoudscontracten.

(…)

Er is door RWS onderhoud aan de oever verricht en er zijn er snoeiwerkzaamheden verricht om de zichtlijnen t.b.v. de veiligheid van de scheepvaart te garanderen.

(…)

[de erflater] verrichte ter plaatse voornamelijk onderhoudswerk aan wegen en terreinen op en om de [plaats] , terwijl andere aannemers werkten aan het onderhoud van de oevers en het technisch onderhoud van de brug en de [plaats] .

Ik kan mij niet herinneren dat er door wie dan ook toezeggingen zijn gedaan waaruit kan worden afgeleid dat aan [erflater] toestemming is gegeven de percelen in gebruik te nemen.”

1.9.

In zijn e-mail van 3 september 2014 schrijft de [getuige 3] onder meer het volgende:

“Functies: (...) Kantonnier [periode]

(...)

Van de twee percelen aan de westzijde van de Maas en Waalvoorhaven is mij bekend dat deze werden beheerd door [de erflater] door middel van begrazing van schapen en paarden. Ook werden de twee percelen gemaaid en werden de afrasteringen op orde gehouden.

Dat was voor en tijdens mijn kantonniersperiode en was bij mijn vertrek nog zo.

Van een contract of overeenkomst en hoe het ooit ontstaan is, is mij niets bekend. Het werd keurig onderhouden en dus riep het ook geen vragen op. [de erflater] hield de percelen geheel zelfstandig bij. De verhouding was in mijn kantonnierstijd altijd prima en volgens mij daarvoor ook.”

1.10.

Bij brief van 24 september 2014 heeft de [getuige 4] onder meer het volgende verklaard:

“Datum indiensttreding RWS: [maand] 1980

Functies:

- [functies]

(…)

In de periode tussen 1999 tot en 2010 is het [plaats] onderhouden in opdracht van Rijkswaterstaat dienst Zuid Holland. (…) Het onderhoud van het complex en aangrenzende percelen geschiedde door periodiek openbare aanbestedingen te houden waarop opdrachtnemers konden inschrijven. In de periode waarin ik werkzaam was als hulpkantonnier te Andel, werden

enkele contracten via opdrachtbriefjes opgedragen aan de [bedrijf erflater] te [woonplaats] en daar kreeg de [bedrijf erflater] ook voor betaald.

(...)

Bij mijn indiensttreding liepen er al paarden en pony's op de percelen welke eigendom waren van Rijkswaterstaat (Staat der Nederlanden). Ik wist toen niet beter dan dat mijn toenmalige collega kantonnier [naam 1] heeft toegestaan dat de [erflater] zijn paarden en pony's daar stonden.

(...)

In de contractperiode, waarbij [bedrijf erflater] geen onderhoudsaannemer was, heeft Rijkswaterstaat verschillende onderhoudsaannemers gehad. Hiervan was ik het aanspreekpunt. Als deze onderhoudsaannemers voor de opgedragen werkzaamheden toegang tot de percelen nodig hadden, heb ik altijd om toestemming gevraagd aan de [familie erflater] of dienstwerknemer [naam 2] . Ik heb altijd alle toestemming gekregen om de werkzaamheden uit te laten voeren.

De verhouding tussen RWS en aannemer [naam erflater] is altijd goed en collegiaal geweest.”

1.11.

Ter comparitie van 2 december 2016 heeft [getuige 4] onder meer verklaard:

“25 Ongeveer 20 jaar geleden is een hekwerk geplaatst met een slot op perceel 3. Dit hekwerk is geplaats naast het fietspad. Er stond eerst een rij bomen, die zijn weggehaald om fietspad te aan te leggen. Er is in dezelfde tijd een dijk gebouwd in de buurt van perceel 3. Daarvoor was perceel 3 onderdeel van de primaire waterkering.

(…)

27. De Staat heeft onderhoud gepleegd op perceel 3. Dit onderhoud had ten doel om de constructie van de dijken in stand houden. Dit was voor de veiligheid.

28. Als Dunea een vergunning kreeg om een kabel te leggen, dan werden die

werkzaamheden uitgevoerd. Alles ging in goede harmonie, als er werkzaamheden

werden uitgevoerd, werden de pony's er af gehaald.

(…)

30. Ik heb nooit begrepen dat [de erflater] eigenaar wilde worden. Dat heeft hij denk ik ook nooit gewild. Ik wil benadrukken dat altijd alles in goede harmonie is gebeurd. Er zijn nooit problemen geweest met [de erflater] . Als wij er bij wilden, dan kon dat altijd.”

1.12.

Tijdens diezelfde comparitie verklaarde de [getuige 2] onder meer:

“ [de erflater] heeft zich nooit gedragen als eigenaar. Ik denk dat [de erflater] het nooit heeft gewild dat wij nu voor de rechter staan.”

1.13.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis aangenomen dat sprake is van bruikleenovereenkomsten ten aanzien van de percelen. De Staat heeft die bruikleenovereenkomsten van de percelen bij brief van 26 oktober 2017 opgezegd tegen 26 oktober 2018, en [appellanten] verzocht de percelen voor die datum te ontruimen.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. In eerste aanleg hebben [appellanten] in conventie, samengevat, gevorderd:

(i) te verklaren voor recht dat [appellanten] door middel van extinctieve verjaring eigenaar zijn geworden van (delen) van de percelen;

(ii) de Staat te veroordelen om medewerking te verlenen aan de inschrijving van [appellanten] als eigenaren van de percelen in de openbare registers;

(iii) te bepalen dat bij gebreke van de onder (ii) bedoelde medewerking de uitspraak op grond van artikel 3:301 BW in de plaats kan treden van een op te maken (notariële) akte;

(iv) de Staat te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3. [appellanten] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [de erflater] vanaf het begin van de jaren ’70 de percelen in bezit heeft genomen, onder andere door het daarop laten grazen van zijn schapen, paarden en pony's, door die percelen te omheinen en de percelen en omheiningen te onderhouden als ware hij eigenaar. Dit bezit heeft gedurende meer dan 20 jaar onafgebroken voortgeduurd. [de erflater] is als gevolg daarvan door extinctieve verjaring eigenaar geworden van de percelen. De eigendom van de percelen komt thans toe aan [appellanten] , als rechtsopvolgers van [de erflater] .

4. In reconventie heeft de Staat, samengevat, gevorderd:

(i) te verklaren voor recht dat [appellanten] onrechtmatig jegens de Staat handelen en hebben gehandeld door perceel 3 zonder geldige titel te gebruiken;

(ii) [appellanten] te veroordelen perceel 3 te ontruimen, met machtiging aan de Staat om die ontruiming zo nodig zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van [appellanten] ;

(iii) [appellanten] te veroordelen in de proceskosten.

5. De Staat heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd, dat ten aanzien van perceel 3 geen sprake is van bezit door [de erflater] dan wel [appellanten] gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar. Voor zover [appellanten] op dit moment bezitter van perceel 3 zouden zijn, heeft de Staat hiervoor geen toestemming gegeven, en gebruiken [appellanten] dat perceel zonder recht of titel.

6. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Zij was van oordeel dat een overeenkomst van bruikleen tot stand is gekomen tussen [de erflater] en de Staat, zodat [appellanten] als bruikleners van de percelen moet worden aangemerkt, en zij daarvan dus (slechts) houder zijn. Van wijziging van het houderschap in de zin van artikel 3:111 BW is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.

7. In reconventie oordeelde de rechtbank dat ook ten aanzien van perceel 3 een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen tussen [de erflater] en de Staat. [appellanten] gebruiken perceel 3 dus niet zonder recht of titel. De rechtbank heeft de vorderingen van de Staat om die reden eveneens afgewezen.

De vorderingen en de grieven in hoger beroep

8. In hoger beroep hebben [appellanten] , zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd, alsmede toewijzing van de vorderingen van [appellanten] in conventie en afwijzing van de vorderingen van de Staat in reconventie. Ten slotte hebben zij gevorderd de Staat te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met rente en nakosten.

9. Met de grieven I en II bestrijden [appellanten] dat er een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat en [appellanten] In grief III betogen [appellanten] dat er door hen wel degelijk bezitsdaden zijn gepleegd. Met grief IV stellen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat er geen wijziging is geweest van het houderschap door het sluiten van de huurovereenkomst In grief V betogen [appellanten] dat de rechtbank ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het door hen bijgebrachte bewijs en aan hun bewijsaanbod. Grief VI bevat een slotgrief. Samengevat komen de grieven erop neer dat er wel degelijk sprake is geweest van bezitsdaden, waardoor [appellanten] krachtens verjaring eigenaar zijn geworden van de percelen. Van gebruiksovereenkomsten is volgens [appellanten] geen sprake geweest.

10. De Staat heeft de grieven bestreden, geconcludeerd tot verwerping van het beroep en zijn eis in reconventie gewijzigd. De Staat vordert thans, samengevat, in reconventie onvoorwaardelijk en zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) te verklaren voor recht dat de Staat de bruikleenovereenkomsten voor de percelen bij brief van 26 oktober 2017 rechtsgeldig heeft opgezegd;

b) [appellanten] te veroordelen de percelen per 26 oktober 2018, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en te ontruimen, met machtiging aan de Staat om, indien [appellanten] daarmee in gebreke zouden blijven, die ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van [appellanten] ;

c) [appellanten] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van het geding.

11. Daarnaast vordert de Staat voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof van oordeel is dat [appellanten] eigenaren zijn van de percelen, uitvoerbaar bij voorraad:

a) te verklaren voor recht dat [appellanten] onrechtmatig jegens de Staat handelen en hebben gehandeld door de percelen zonder geldige titel in gebruik te hebben en te houden vanaf 1970 tot heden;

b) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot het vergoeden van de door de Staat geleden schade, door de percelen in eigendom terug te leveren aan de Staat, althans door betaling van de marktwaarde van de percelen, nader op te maken bij staat;

c) [appellanten] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van het geding.

12. De Staat heeft ter bestrijding van de grieven van [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat aan het gebruik van de percelen door [appellanten] een bruikleenovereenkomst, althans een ander obligatoir gebruiksrecht, ten grondslag ligt. Volgens de Staat is er bovendien geen sprake van ondubbelzinnig bezit, en evenmin van inbezitneming door [de erflater] .

Daarnaast heeft de Staat zijn reconventionele vorderingen gewijzigd, zoals hierboven onder 10 is samengevat. Hij is van oordeel dat deze vorderingen beoordeeld moeten worden, gelet op de devolutieve werking van het appel. Aan zijn onvoorwaardelijke vorderingen in reconventie heeft de Staat ten grondslag gelegd dat hij de bruikleenovereenkomsten van de percelen wenst te beëindigen en dat aannemelijk is dat [appellanten] daaraan niet zullen meewerken. Aan zijn voorwaardelijke reconventionele vorderingen heeft de Staat ten grondslag gelegd dat hem voor het geval [appellanten] door verjaring eigenaar van de percelen zouden zijn geworden een vordering uit onrechtmatige daad toekomt, omdat [appellanten] in dat geval de percelen zonder recht of titel in bezit hebben genomen en gehouden, terwijl zij wisten dat de percelen eigendom waren van de Staat.

13. [appellanten] voeren als verweer tegen deze reconventionele vorderingen aan dat de Staat niet, althans niet kenbaar, incidenteel appel heeft ingesteld. De reconventionele vorderingen zijn daarom in hoger beroep niet aan de orde. In elk geval kunnen de reconventionele vorderingen niet worden uitgebreid tot de percelen 1 en 2, omdat zij in eerste aanleg alleen betrekking hadden op perceel 3, en [appellanten] hierdoor een instantie zou worden ontnomen. Voor het geval het hof daarover anders zou oordelen, hebben zij de toewijsbaarheid van die vorderingen inhoudelijk bestreden.

De beoordeling van het hoger beroep

Beoordeling van de grieven van [appellanten]

14. Deze zaak draait om de vraag of [appellanten] door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de percelen. Het hof zal hierna eerst het juridisch kader voor de beantwoording van deze vraag schetsen. Vervolgens zal het beoordelen of [appellanten] eigenaar van de percelen 1 en 2 zijn geworden. Daarna zal het diezelfde vraag voor perceel 3 beantwoorden.

Juridisch kader

15. Op grond van artikel 3:105 BW verkrijgt degene die een goed bezit op het moment dat de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed, ook al is hij te kwader trouw. De verjaringstermijn van een rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende vangt op grond van artikel 3:314 lid 2 BW aan op de dag nadat de niet-rechthebbende bezitter is geworden, en wordt voltooid op het moment dat het bezit gedurende twintig jaar onafgebroken heeft voortbestaan. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of [appellanten] door verkrijgende verjaring eigenaar van de percelen zijn geworden is dus of, en zo ja wanneer, [de erflater] bezitter van de percelen is geworden en gebleven.

16. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. De vraag of iemand bezitter is geworden, moet op grond van artikel 3:107 jo. 3:108 BW worden beantwoord naar verkeersopvattingen, en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Het bezit dient ondubbelzinnig te zijn. Ondubbelzinnig bezit is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Indien er – in het bijzonder voor de rechthebbende – concrete aanwijzingen bestaan dat de feitelijke macht over een goed wordt uitgeoefend op grond van een beperkt zakelijk of persoonlijk recht daartoe, is van ondubbelzinnig bezit geen sprake.

De eigendom van de percelen 1 en 2

17. [appellanten] hebben gesteld dat zij eigenaar van de percelen 1 en 2 zijn geworden, omdat [de erflater] die percelen in bezit heeft genomen en dat bezit 20 jaar onafgebroken heeft voortgeduurd. Ter bestrijding van die stelling heeft de Staat onder meer aangevoerd dat het eventuele bezit van [de erflater] van de percelen 1 en 2 niet ondubbelzinnig was. Volgens de Staat verkeerde hij in de veronderstelling dat [de erflater] de percelen gebruikte op grond van een al dan niet vermeend recht daartoe. Deze veronderstelling was volgens de Staat objectief gerechtvaardigd, mede omdat [de erflater] richting de Staat nooit enige eigendomspretenties heeft laten blijken, ook niet op momenten waarop dit wel op zijn weg had gelegen.

18. Uit de hiervoor in r.o. 1.8, 1.9, 1.10, 1.11 en 1.12 geciteerde getuigenverklaringen van medewerkers van Rijkswaterstaat blijkt naar het oordeel van het hof inderdaad dat Rijkswaterstaat veronderstelde dat [de erflater] de feitelijke macht over de percelen 1 en 2 uitoefende op grond van een al dan niet vermeend gebruiksrecht, en niet als eigenaar. [getuige 4] en [getuige 2] verklaren dit laatste ook uitdrukkelijk. [getuige 4] , verklaart bovendien dat hij “toen niet beter [wist] dan dat mijn toenmalige collega kantonnier [naam 1] heeft toegestaan dat de [erflater] zijn paarden en pony's daar stonden.”

19. Naast [getuige 4] verklaren ook alle andere medewerkers van Rijkswaterstaat dat hen niets bekend is over de met [de erflater] gemaakte afspraken, omdat die voor hun tijd zijn gemaakt. Zij zagen hierin destijds kennelijk geen aanleiding om [de erflater] te sommeren het gebruik van de percelen te beëindigen, omdat de samenwerking prettig verliep en de Staat alle noodzakelijke werkzaamheden ongehinderd kon uitvoeren. In die opstelling ligt naar het oordeel van het hof geen aanwijzing dat [de erflater] eigendomspretenties had, laat staan kenbare eigendomspretenties.

19. De verklaring van [getuige 1] dat “ [de erflater] deze percelen [behandelde] alsof hij daar eigenaar van was”, kan aan het voorgaande onvoldoende afdoen. Het gaat hierbij immers om een subjectieve indruk. [getuige 1] wist blijkens diens verklaring niet precies welke afspraken over het gebruik van de percelen door [de erflater] waren gemaakt, en heeft zich dat gelet op de goede samenwerking kennelijk ook nooit afgevraagd. De omstandigheid dat [de erflater] de percelen gebruikte voor begrazing en hooien en kennelijk daartoe de percelen afrasterde en onkruidbestrijdingswerkzaamheden verrichtte, houdt naar het hof begrijpt direct verband met de aard van het gebruik, althans de Staat mocht hiervan uitgaan. Als dat anders zou zijn, is de enkele verklaring van [getuige 1] in het licht van de overige door de Staat overgelegde verklaringen bovendien onvoldoende voor de conclusie dat de Staat zich ervan bewust zou zijn geweest dat [de erflater] eigendomspretenties had.

21. Het feit dat (familieleden en oud-werknemers van) [appellanten] hebben verklaard dat zij niet beter wisten dan dat de percelen hun eigendom waren, en dat zij zich ook altijd als zodanig hebben gedragen, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het gaat immers niet om de intentie waarmee iemand de feitelijke macht over een goed uitoefent, maar om de voor derden, en in het bijzonder de rechthebbende, kenbare feiten waaruit al dan niet de pretentie van eigendom blijkt.

22. Naar het oordeel van het hof was de veronderstelling van de Staat dat [de erflater] geen eigendomspretenties had objectief gerechtvaardigd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

23. Het voor hun functie als waterstaatwerk noodzakelijke onderhoud aan de percelen 1 en 2 is, blijkens de uit de in r.o. 1.8 en 1.10 geciteerde verklaringen van medewerkers van Rijkswaterstaat en de door de Staat overgelegde stukken met betrekking tot meer recent door hem verstrekte onderhoudsopdrachten, steeds door of in opdracht van de Staat verricht. [de erflater] heeft hieraan altijd meegewerkt. Dit wijst erop dat de Staat eigenaar is gebleven van die percelen. [appellanten] hebben weliswaar betwist dat het onderhoud aan de percelen door de Staat zou zijn verricht, maar zij hebben die betwisting onderbouwd door erop te wijzen dat zij het maaien en onkruidvrij houden van de percelen en het onderhoud aan de afscheidingen zelf, en voor eigen rekening hebben verricht. Het hof leest in die betwisting dus niet de bestrijding dat de Staat het overige, voor haar noodzakelijke onderhoud aan de percelen zelf heeft verricht, of voor eigen rekening heeft laten verrichten.

24. Uit de getuigenverklaringen en de door de Staat overgelegde onderhoudsopdrachten blijkt bovendien dat de Staat voor het verrichten van onderhoud onder meer het bedrijf van [de erflater] , dat aanvankelijk werd gedreven als eenmanszaak en waarvan [de erflater] later directeur was, heeft ingeschakeld en betaald. [de erflater] – althans zijn bedrijf, aan welke rechtspersoon in de gegeven omstandigheden de kennis van [de erflater] moet worden toegerekend – heeft de onderhoudsopdrachten van de Staat zonder protest aanvaard, en daar later zelfs actief op ingeschreven. Indien [de erflater] de percelen 1 en 2 voor zichzelf hield, had het voor de hand gelegen dat hij ook het volledige onderhoud daarvan voor eigen rekening uitvoerde, en zich dus niet liet betalen voor het onderhoud van hetgeen hij als zijn eigendom beschouwde. Uit het feit dat (het bedrijf van) [de erflater] wel in opdracht en voor rekening van de Staat onderhoudswerkzaamheden aan de percelen 1 en 2 heeft uitgevoerd, mocht de Staat dan ook afleiden dat [de erflater] zichzelf niet als bezitter van die percelen beschouwde.

25. Voor zover het onderhoud in opdracht van de Staat door anderen dan (het bedrijf van) [de erflater] werd verricht, staat bovendien vast dat [de erflater] deze aannemers altijd zonder protest toegang tot de percelen heeft gegeven. De Staat mocht ook hieruit afleiden dat [de erflater] ervan uit ging dat de Staat eigenaar was van de percelen en dat hij dat eigendomsrecht niet betwistte.

26. [appellanten] stellen hier tegenover dat [de erflater] (en na diens dood [appellanten] zelf) het maaien van de percelen 1 en 2, het plaatsen van diverse hekken op die percelen, en het onderhoud aan die hekken, zelf en voor eigen rekening heeft (hebben) verricht. Daaruit volgt volgens hen dat [de erflater] zich heeft opgesteld als bezitter of eigenaar van de percelen 1 en 2. De Staat heeft op zichzelf niet betwist dat [de erflater] de hiervoor genoemde handelingen heeft verricht, maar wel dat daaruit blijkt dat [de erflater] zich heeft opgesteld als bezitter of eigenaar van de percelen 1 en 2. Het hof is van oordeel dat de hiervoor geschetste handelwijze van [de erflater] goed verenigbaar is met de positie van houder (zie ook r.o. 20). Voor de Staat is het maaien van de percelen immers niet noodzakelijk. [de erflater] had hierbij daarentegen wel belang, omdat hij het daarvan afkomstige hooi kennelijk mocht behouden. De hekken dienen ertoe om de paarden, pony’s en schapen van [de erflater] op de percelen 1 en 2 te kunnen weiden. Daarbij past dat [de erflater] zelf voor het onderhoud van die hekken verantwoordelijk was. Als [de erflater] eigendomspretenties had gehad, zou daarbij hebben gepast dat hij ook het overige onderhoud aan de percelen voor zijn rekening nam. Dit is echter niet gebeurd. De Staat hoefde uit de opstelling van [de erflater] dan ook niet af te leiden dat hij het eigendomsrecht van de Staat betwistte.

27. Ten slotte heeft de Staat er naar het oordeel van het hof terecht op gewezen dat [de erflater] na de grote overstroming van perceel 1 en 2 in 1995 zelf geen actie heeft ondernomen om de schade aan deze percelen te herstellen, maar dit aan de Staat heeft overgelaten. Ook hieruit mocht de Staat afleiden dat [de erflater] zichzelf niet als bezitter of eigenaar van de percelen 1 en 2 beschouwde.

27. Het hof komt tot de slotsom dat [de erflater] zich niet voor de Staat kenbaar als bezitter van de percelen 1 en 2 heeft gedragen, en dat van ondubbelzinnig bezit om die reden geen sprake is. Dat betekent dat [appellanten] moeten worden aangemerkt als houders van die percelen. De vraag of aan dit houderschap een recht of titel ten grondslag ligt, en zo ja welk(e), kan, gelet op de vorderingen van [appellanten] in het midden blijven. De grieven I en II – waarin [appellanten] het oordeel van de rechtbank bestrijden dat er sprake zou zijn van een bruikleenovereenkomst – kunnen dus niet tot een ander oordeel over de eigendom van de percelen 1 en 2 leiden. Grief III, waarin [appellanten] betogen dat [de erflater] wel degelijk als bezitter van de percelen 1 en 2 is opgetreden, kan gelet op het voorgaande ten aanzien van die percelen niet slagen.

27. In grief IV betogen [appellanten] dat [de erflater] perceel 2 al meer dan twintig jaar voor 1 januari 1993, maar in elk geval vanaf 1 mei 1994, voor zichzelf is gaan houden, zodat hij daarvan op 1 januari 1993, althans op 1 mei 2014 eigenaar is geworden. Deze grief wordt verworpen op grond van hetgeen hiervoor ten aanzien van de grieven I-III is overwogen. Het feit dat [de erflater] op 1 mei 1994 een huurovereenkomst heeft gesloten, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat tussen partijen niet langer in geschil is dat die huurovereenkomst niet op perceel 2 zag.

27. In grief V betogen [appellanten] dat de rechtbank het door hen aangedragen bewijs en hun bewijsaanbod ten onrechte zou hebben gepasseerd. [appellanten] hebben aangeboden te bewijzen dat [de erflater] de percelen in bezit heeft genomen en deze heeft gebruikt alsof hij daarvan eigenaar was. Het hof heeft hiervoor echter geoordeeld dat de feitelijke handelwijze van [de erflater] – die op zichzelf door de Staat niet bestreden is – niet kwalificeert als ondubbelzinnig bezit van de percelen door [de erflater] , en daarom ook niet kan leiden tot de verkrijging van de eigendom daarvan. Het door [appellanten] aangeboden bewijs kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat [appellanten] eigenaar zijn geworden van de percelen. Het hof passeert dat bewijsaanbod om die reden als niet ter zake dienend.

31. Het schriftelijk door [appellanten] in het geding gebrachte bewijs is in het voorgaande, voor zover relevant, besproken, en kan niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellanten] leiden. Grief V wordt daarom verworpen.

32. Grief VI is ten slotte een veeggrief en hoeft niet afzonderlijk te worden besproken.

De eigendom van perceel 3

33. [appellanten] stellen dat [de erflater] perceel 3 – evenals de percelen 1 en 2 – begin jaren ’70 van de vorige eeuw in bezit heeft genomen, en daarvan gedurende 20 opeenvolgende jaren bezitter is gebleven. Om die reden zouden [appellanten] als rechtsopvolgers van [de erflater] thans ook eigenaar zijn van perceel 3. [appellanten] hebben erop gewezen dat de Staat stelt dat hij pas van het gebruik van perceel 3 door [appellanten] op de hoogte is geraakt door de brief van 29 maart 2013. In reactie op die brief heeft hij [appellanten] laten weten dat zij dit perceel zonder recht of titel gebruikten. [appellanten] concluderen hieruit dat aan hun gebruik van perceel 3 voor 29 maart 2013 geen bruikleenovereenkomst of andere vorm van door de Staat toegestaan gebruik ten grondslag kan hebben gelegen. Daarmee staat volgens [appellanten] vast dat hun gebruik van perceel 3 als bezit kwalificeert, en dat zij dus eigenaar zijn geworden van perceel 3.

34. Anders dan [appellanten] stellen, volgt uit het feit dat de Staat niet op de hoogte was van het gebruik van perceel 3 door [de erflater] en daarvoor dus ook geen toestemming kon geven, naar het oordeel van het hof niet dat [appellanten] de feitelijke macht over dat perceel ‘dus’ uitoefenen als bezitter. Het is immers ook denkbaar dat [de erflater] perceel 3 als houder heeft gebruikt, zonder dat daaraan een recht of titel ten grondslag lag.

35. Daarmee ligt de vraag voor hoe het gebruik van perceel 3 door [appellanten] moet worden gekwalificeerd. Het hof is van oordeel dat op grond van de hiervoor bij de beoordeling van de eigendom van de percelen 1 en 2 genoemde feiten en omstandigheden, ook ten aanzien van perceel 3 moet worden aangenomen dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit.

36. Blijkens de in rov. 1.11 geciteerde verklaring ter comparitie van [getuige 4] heeft [de erflater] de Staat altijd vrije toegang verleend tot perceel 3. Ten aanzien van perceel 3 heeft de Staat bovendien onweersproken gesteld dat hij begin jaren ’90 op dat perceel een nieuw fietspad heeft aangelegd, een rij bomen heeft verwijderd en een nieuw hekwerk heeft geplaatst, zonder dat [de erflater] daartegen heeft geprotesteerd of op een andere manier duidelijk heeft gemaakt dat hij zichzelf als eigenaar van dat perceel beschouwde. Indien [de erflater] bezitter /eigenaar van perceel 3 zou zijn geweest, had dat wel op zijn weg gelegen. Ook om die reden komt het hof tot de conclusie dat van ondubbelzinnig bezit van [appellanten] geen sprake is, of is geweest.

37. De grieven I tot en met III, en V en VI falen dus ook met betrekking tot perceel 3.

Beoordeling van de gewijzigde vorderingen van de Staat (in reconventie)

38. Het hof stelt voorop dat de Staat geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen in het dictum van het bestreden vonnis. De Staat heeft deze afwijzing evenmin met klachten (grieven) bestreden. Dit betekent dat de rechtsstrijd in hoger beroep zich niet uitstrekt tot de reconventie (de vorderingen van de Staat). Anders gezegd, de reconventionele procedure van de Staat is in hoger beroep niet ontsloten. Het hof komt daarom ook niet toe aan de gewijzigde vorderingen van de Staat in hoger beroep. Ter toelichting wijst het hof nog op het volgende.

38. Anders dan de Staat meent, was het instellen van incidenteel appel nodig, om zijn reconventionele vorderingen in hoger beroep te kunnen beoordelen. De reconventionele vorderingen zijn door de rechtbank immers in het dictum van haar vonnis afgewezen. De stelling van de Staat dat de reconventionele vorderingen aan de orde zouden moeten komen gelet op de devolutieve werking van het appel, is onjuist. De procedure in conventie en die in reconventie zijn immers te beschouwen als twee aparte procedures, die afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Alleen in de procedure in conventie is appel ingesteld, zodat het hof alleen de in die procedure voorliggende vorderingen kan beoordelen.

Hetgeen is aangevoerd in reconventie geldt bovendien niet – en zeker niet zonder meer – als verweer in conventie. Voor zover er al sprake zou zijn van een verweer in conventie, kan dit ten slotte hooguit leiden tot afwijzing van de vorderingen in conventie, maar niet tot toewijzing van de vorderingen in reconventie.

40. De reconventionele vorderingen van de Staat kunnen kortom in dit hoger beroep niet worden beoordeeld.

41. Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Het hof heeft in dit arrest geoordeeld dat [appellanten] de percelen niet in bezit hebben of hebben gehad, maar dat zij daarvan houder zijn. Of dat houderschap op een rechtsverhouding met de Staat berust, heeft het hof in het midden gelaten. Indien dat wel het geval zou zijn, is het hof van oordeel dat de Staat gerechtigd is die rechtsverhouding te beëindigen. Indien het gebruik niet op een rechtsverhouding met de Staat berust, betekent dat dat [appellanten] de percelen zonder recht of titel gebruiken. In beide gevallen zullen [appellanten] de percelen op verzoek van de Staat binnen een redelijke termijn moeten ontruimen.

42. [appellanten] zijn in elk geval sinds de brief van 26 oktober 2017, waarin de Staat de door de rechtbank vastgestelde bruikleenovereenkomst heeft opgezegd, ervan op de hoogte dat de Staat hun gebruik van de percelen wenst te beëindigen, en hebben daarmee dus rekening kunnen houden. Het hof is om die reden van oordeel dat van [appellanten] kan worden gevergd dat zij de percelen op korte termijn ontruimen.

Slotsom

43. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de vorderingen van [appellanten] terecht zijn afgewezen, zodat het vonnis, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, zal worden bekrachtigd.

43. Het hof zal [appellanten] als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding in hoger beroep. De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van [appellanten] in reconventie, nu deze nodeloos zijn gemaakt.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2017, voor zover gewezen in conventie;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 716,- aan griffierechten en € 1074,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum waarop dit arrest is gewezen;

- veroordeelt de Staat in de kosten van [appellanten] in hoger beroep (in reconventie), aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 537,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A. Dupain en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.