Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2542

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
BK-18/01089
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13883, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1817
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een tot het privévermogen behorend pand wordt aan de eigen BV verkocht. De Inspecteur stelt dat dit voor een te hoge prijs is gebeurd en daarom sprake is van een uitdeling. De Inspecteur legt daarom een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en een boete op. Het Hof oordeelt dat het hoger beroep van de Inspecteur ontvankelijk is omdat de motivering binnen de daarvoor gestelde termijn ter post is bezorgd. Op feitelijke gronden oordeelt het Hof dat het pand voor een te hoge prijs is verkocht en dat de BV en belanghebbende zich daarvan bewust moeten zijn geweest. Verder oordeelt het Hof dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Het feit dat belanghebbende door de Rechtbank in het gelijk is gesteld betekent niet zij een pleitbaar standpunt huldigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-10-2019
V-N Vandaag 2019/2332
FutD 2019-2782
V-N 2019/59.1.2
NTFR 2020/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01089

Uitspraak van 18 september 2019

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.P. de Ru )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 november 2018, nummer SGR 18/4160.

1 Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2012 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.202 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 112.500. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van € 14.062 en € 4.857 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag en de beide beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. Bij de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank als volgt beslist:

“De rechtbank:

­ verklaart het beroep gegrond;

­ vernietigt de uitspraak op bezwaar;

­ vernietigt de navorderingsaanslag;

­ vernietigt de boetebeschikking;

­ vernietigt de rentebeschikking;

­ bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

­ veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 750;

­ draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 46 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Partijen zijn verschenen. Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het geding tussen de erven [erflater] en de Inspecteur met nummer BK-18/01090. Al hetgeen in die zaak is aangevoerd en overgelegd, wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota ingediend. De Inspecteur heeft daarbij nadere stukken overgelegd. Voor zover die stukken betrekking hebben op de verzending van de gronden van het hoger beroep, heeft het Hof die in het geding toegelaten. De overige stukken zijn niet toegelaten en ter zitting aan de Inspecteur teruggegeven.

Van het ter zitting verhandelde is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was gedurende het jaar 2012 in gemeenschap van goederen gehuwd met wijlen [erflater] (de echtgenoot), die [datum overlijden] 2018 is overleden. Belanghebbende en haar echtgenoot waren beiden directeur en ieder voor 50 procent aandeelhouder van [bedrijfsnaam] BV (de BV). De statutaire doelomschrijving van de BV is het verwerven en vervreemden van deelnemingen in rechtspersonen, vennootschappen en ondernemingen, het samenwerken daarmee en het besturen daarvan.

2.2.

Op 14 januari 2008 kochten belanghebbende en haar echtgenoot het perceel grond met huis en toebehoren, plaatselijk bekend als [adres] , [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , [kadastrale gegevens] (het perceel). Het perceel was groot 1.008 m² en de koopprijs bedroeg € 660.000. In hetzelfde jaar hebben belanghebbende en haar echtgenoot nog aangrenzende grond aangekocht voor in totaal € 17.600, waarmee het perceel een totale oppervlakte kreeg van 1.190 m².

2.3.

De ontwikkeling van de WOZ-waarde van het perceel was als volgt:

per 1 januari 2008 € 680.000;

per 1 januari 2009 € 680.000;

per 1 januari 2010 € 680.000;

per 1 januari 2011 € 650.000;

per 1 januari 2012 € 615.000;

per 1 januari 2013 € 585.000.

2.4.

Vanaf 2010 heeft het perceel te koop gestaan. De vraagprijs was aanvankelijk € 1.020.000. In 2011 is de vraagprijs verlaagd tot € 950.000 en op 23 maart 2012 (de verkoopdatum) is het perceel voor € 850.000 aan de BV verkocht. Vanaf 17 november 2012 stond het perceel opnieuw te koop, nu voor een vraagprijs van € 675.000. Op 27 december 2016 is het perceel aan derden verkocht voor € 500.000.

2.5.

Op 2 maart 2013 heeft belanghebbende haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend en daarmee een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, aangegeven van € 51.635. Op 26 augustus 2014 heeft belanghebbende een herziene aangifte ingediend en daarmee een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, aangegeven van € 56.202. De aanslag, die is gedagtekend 14 november 2014, is conform de herziene aangifte opgelegd.

2.6.

De Inspecteur heeft bij de BV een boekenonderzoek uitgevoerd en daarvan op 5 april 2017 het controlerapport uitgebracht, dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de waarde van het perceel ten tijde van de verkoop aan de BV niet hoger was dan € 625.000. Het verschil tussen deze waarde en de verkoopprijs van € 850.000 is door de Inspecteur aangemerkt als een uitdeling van de BV aan belanghebbende en haar echtgenoot.

2.7.

Met dagtekening 2 december 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd en de boetebeschikking en de rentebeschikking gegeven.

3 Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank overwoog, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…)

10. In geschil is:

of er met de verkoop van [het perceel] door [belanghebbende] aan BV sprake is geweest van een winstuitdeling van BV aan [belanghebbende], en zo ja; of er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt; en of de vergrijpboete terecht aan [belanghebbende] is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

11. [De Inspecteur] stelt dat de waarde van [het perceel] op 23 maart 2012 € 225.000 lager was dan het bedrag dat BV aan haar aandeelhouders heeft betaald en dat dat bedrag moet worden gekwalificeerd als een uitdeling van winst aan de aandeelhouders. Het ligt op de weg van [de Inspecteur] om hetgeen hij stelt aannemelijk te maken.

Bij de beoordeling van dit standpunt van [de Inspecteur] stelt de rechtbank voorop dat alleen dan sprake is van een uitdeling van winst aan een aandeelhouder indien er een bewuste vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder als zodanig, leidend tot een verarming van de vennootschap, waarbij de onttrekking van vermogen plaatsvindt uit winst of winstreserves, dan wel uit binnen afzienbare tijd te behalen winst.

Zowel de BV als de aandeelhouder moeten zich ervan bewust zijn geweest dat laatstgenoemde in zijn hoedanigheid van aandeelhouder werd bevoordeeld door de BV.

12. [De Inspecteur] heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van € 625.000 verwezen naar het controlerapport waardeonderzoek. In dat rapport zijn kooptransacties opgenomen van percelen bouwgrond die (voor het merendeel) in de onmiddellijke omgeving zijn gelegen van [het perceel]. Het betreft verkopen aan de [adres 2] (verkocht op 29 juni 2016 voor € 402/m2), de [adres 3] (verkocht op 12 september 2014 voor € 450/m2), de [adres 4] (verkocht in 2015 voor € 514/m2), de [adres 5] (verkocht in 2015 voor € 514/m2) en [adres 6] (verkocht in 2014 voor € 438/m2). In dat rapport is voorts het standpunt ingenomen dat de meterprijs van [het perceel] op 23 maart 2012 € 525/m2 bedroeg mede ook gelet op de vraagprijzen van bouwrijpe kavels in het project aan de [adres 7] , uitgegeven sinds 2013 (van € 484 tot € 625/m2). Daarnaast heeft [de Inspecteur] verwezen naar een tabel van het Centraal Bureau voor de Statistiek waarin gemiddelde verkoopprijzen en gemiddelde WOZ-waarden en de verhouding daartussen zijn opgenomen, naar een tabel met gemiddelde prijzen per bouwkavel in Nederland en naar een ‘tool’ van het Kadaster waarmee aan de hand van de gemiddelde ontwikkeling van de huizenprijzen de waarde van [het perceel] berekend kan worden. Ter zitting heeft [de Inspecteur] nog gesteld dat de prijzen in het jaar 2012 zeker niet hoger waren dan in de jaren erna.

13. Met de in het controlerapport waardeonderzoek opgenomen vraagprijzen van de bouwrijpe kavels in het project [adres 7] en de daarin opgenomen verkooptransacties maakt [de Inspecteur] niet aannemelijk dat de waarde van [het perceel] op 23 maart 2012 € 625.000 of lager was en dat de verkoopprijs van € 850.000 op 23 maart 2012 derhalve (aanzienlijk) te hoog was. Het gaat daarbij om vraag- en verkoopprijzen in de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 die op zich niet zoveel zeggen over de waarde van [het perceel] op 23 maart 2012 maar daarentegen wel de daling van de prijzen in de jaren daarna bevestigen. Met de verwijzing naar het feit dat [het perceel] acht maanden na 23 maart 2012 te koop is aangeboden voor een substantieel lagere prijs en op 27 december 2016 voor € 500.000 is verkocht en dat de WOZ-waarde op 1 januari 2012 € 615.000 bedroeg, maakt [de Inspecteur] evenmin de door hem voorgestane waarde aannemelijk. De algemene prijsindexen waar [de Inspecteur] naar verwijst zijn ook niet maatgevend voor de waarde van [het perceel] per 23 maart 2012. Met het standpunt dat [belanghebbende] als onderbouwing van de verkoopprijs een staffel heeft overgelegd van haar (aankoop)kosten met betrekking tot [het perceel] en dat [belanghebbende] dus van mening is dat elke geïnvesteerde euro leidt tot verhoging van de waarde, wat daarvan ook zij, maakt [de Inspecteur] evenmin aannemelijk dat de overdrachtsprijs op 23 maart 2012 niet de waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigde maar (aanzienlijk) te hoog was en [belanghebbende] zich daar ook van bewust moet zijn geweest. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking [genomen] dat [het perceel] in 2008 is aangekocht voor € 660.000, waarna voor € 18.700 twee aanpalende percelen zijn gekocht en tevens een verbouwing heeft plaatsgevonden. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat voorafgaand aan de verkoop aan BV [het perceel] in 2010 en 2011 (met bouwvergunning) voor respectievelijk € 1.020.000 en € 950.000 te koop heeft gestaan en dat de taxateur van [belanghebbende] voorafgaand aan de verkoop aan BV aan de notaris per email van 21 maart 2012 heeft bevestigd dat een transactieprijs van € 850.000 was te billijken. Ter zitting heeft de taxateur dat wederom bevestigd en verklaard dat hij voordat de transactie had plaatsgevonden heeft gekeken naar wat er op de markt beschikbaar was aan vergelijkbare percelen en naar verkopen daarvan en dat hij gelet daarop € 850.000 een reële waarde vond. Dat destijds geen (uitgebreid) taxatierapport is opgemaakt, doet daar niet aan af.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat als al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een bevoordeling van [belanghebbende] (als aandeelhouder) [de Inspecteur] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bewuste bevoordeling. Gelet hierop heeft [de Inspecteur] de navorderaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking ten onrechte opgelegd en is het beroep reeds daarom gegrond. Gelet hierop behoeven de overige standpunten van [belanghebbende], zoals het ontbreken van een nieuw feit en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel geen behandeling meer.

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 750. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, de onderhavige zaak beschouwd als een samenhangende zaak met de zaak met kenmerk SGR 18/4315 ten name van de erven [erflater] . De beroepen zijn nagenoeg gelijktijdig ingediend tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren en op dezelfde dag ter zitting behandeld. Die behandeling betrof hetzelfde geschilpunt, te weten of er met betrekking tot de verkoop van [het perceel] aan BV sprake was van een uitdeling van winst in het onderhavige jaar. De rechtbank stelt de vergoeding voor deze twee zaken daarom vast op in totaal (naar boven afgerond) € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op een hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 249 (bezwaar) en € 501 (beroep), een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaak en een wegingsfactor 1 voor samenhang). Aan [belanghebbende] komt derhalve toe € 750. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.”

4 Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur ontvankelijk is in het hoger beroep en zo ja, of de navorderingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Aangaande de ontvankelijkheid van het hoger beroep is meer specifiek geschil of in één geschrift tegen meer dan één uitspraak beroep kan worden ingesteld en of de motivering van het beroepschrift tijdig is ingediend. Aangaande de hoogte van de navorderingsaanslag en de belastingrente is in geschil of het perceel voor een te hoge prijs aan de BV is verkocht en daarom sprake is geweest van een uitdeling door de BV aan belanghebbende en zo ja, of daarbij sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Aangaande de boete is in geschil of het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Voor de standpunten van partijen en de daarvoor aangevoerde gronden wordt verwezen naar de stukken.

4.2.

De Inspecteur concludeert primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Subsidiair en meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot gegrondverklaring van het hoger beroep en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.202 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 86.200 (½ x (€ 850.000 -/- € 677.600)) of € 82.500 (½ x (€ 850.000 -/- € 685.000)), met dienovereenkomstige vermindering van de boete en de belastingrente.

4.3.

Belanghebbende concludeert, primair, tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, subsidiair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en meer subsidiair tot gegrondverklaring, waarbij evenwel de boetebeschikking wordt vernietigd.

5. Beoordeling van het hoger beroep

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1.

Uit artikel 26b (in samenhang met artikel 27h, tweede lid) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) volgt dat het mogelijk is tegen meer dan één uitspraak beroep in te stellen bij één beroepschrift. Het Hof merkt daarbij nog op dat het betoog van belanghebbende dat op grond van artikel 8:104, eerste lid, aanhef en letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts tegen één uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld, berust op een onjuiste lezing van deze bepaling. Het woord “een” aan het begin van letter a is niet het telwoord één, maar het onbepaald lidwoord.

5.2.

Het hogerberoepschrift bevatte niet de gronden van het hoger beroep. Bij brief van 14 december 2018 heeft het Hof de Inspecteur verzocht dit verzuim uiterlijk op 11 januari 2019 te herstellen. De brief met de gronden van het hoger beroep is gedagtekend 11 januari 2019 en bij het Hof binnengekomen op 15 januari 2019. Belanghebbende betoogt dat de gronden van het hoger beroep aldus niet tijdig zijn ingediend en het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, letter d, van de Awb dient een bezwaar- of beroepschrift de gronden van het bezwaar of beroep te bevatten. Bevat het bezwaar- of beroepschrift de gronden niet, dan kan het bezwaar of beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het woord “kan” in de aanhef van artikel 6:6 van de Awb duidt erop dat dit geen dwingendrechtelijke bepaling is en overschrijding van de gestelde termijn tot verzuimherstel niet onder alle omstandigheden tot niet‑ontvankelijkverklaring behoeft te leiden. Het Hof constateert dat uit de brief van het Hof van 14 december 2018 niet ondubbelzinnig volgt dat de gronden binnen de daarin genoemde termijn moeten zijn ontvangen, maar dat die brief ruimte laat voor de mogelijkheid dat het Hof hierbij de voor het instellen van het hoger beroep zelf geldende gematigde verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb toepast. Het Hof zal deze onduidelijkheid niet voor rekening van de appellerende partij, in casu de Inspecteur, laten komen en derhalve aan de hand van de gematigde verzendtheorie beoordelen of het herstel van het verzuim tijdig heeft plaatsgevonden. Met de ter zitting ingediende stukken en de daarbij gegeven toelichting heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat laatstgenoemde brief op 11 januari 2019, dus binnen de door het Hof gestelde termijn, ter post is bezorgd. Verder staat vast dat die brief binnen een week na afloop van de termijn door het Hof is ontvangen, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.

De navorderingsaanslag

5.3.

De Inspecteur stelt dat het perceel op 23 maart 2012 voor een te hoge prijs aan de BV is verkocht en dat het verschil tussen de verkoopprijs en de waarde van het perceel ten tijde van de verkoop moet worden aangemerkt als een uitdeling door de BV aan belanghebbende en haar echtgenoot. Het Hof overweegt dat van een uitdeling sprake is als er een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder die leidt tot verarming van de vennootschap, en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich daarvan bewust zijn. Daarom moet worden beoordeeld of het perceel bij de verkoop aan de BV een waarde had van € 850.000 en, zo die waarde beduidend lager was, of zowel de BV als belanghebbende zich daarvan bewust was.

5.4.

De waarde van een onroerende zaak is de prijs die de meestbiedende gegadigde, na de beste voorbereiding en onder de voor de onroerende zaak gunstigste omstandigheden, voor de onroerende zaak wil betalen. De Inspecteur stelt dat de waarde van het perceel op de verkoopdatum niet hoger was dan € 625.000, terwijl belanghebbende vasthoudt aan de verkoopprijs van € 850.000. Uit hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd, leidt het Hof af dat de verkoopprijs onder meer was gebaseerd op de in 2.2 vermelde aankoopprijzen, vermeerderd met aankoop- en financieringskosten en kosten van verbetering en herstel. In de stukken wordt meerdere keren de namens belanghebbende en haar echtgenoot opgemaakte prijsopstelling aangetroffen die uitkomt op een totale verkrijgingsprijs van € 877.200. Het Hof constateert dat wanneer uit deze opstelling de kosten van aankoop, financiering en tijdelijk beheer worden weggelaten, dit resulteert in een totale verkrijgingsprijs van ongeveer € 725.000. Verder is het van algemene bekendheid dat uitgaven voor herstel en verbetering en het verkrijgen van een bouwvergunning de waarde van een onroerende zaak niet in gelijke mate doen stijgen. De Inspecteur heeft er terecht op gewezen dat de economische crisis, met de daarmee gepaard gaande waardedalingen van onroerende zaken, al begon in 2008. Het Hof acht daarom niet aannemelijk dat het perceel op de verkoopdatum een waarde had van ruim boven genoemde € 725.000. Veeleer is aannemelijk dat de waarde, in lijn met de ontwikkelingen in de markt in de voorafgaande periode, op de verkoopdatum beduidend lager was dan € 725.000.

5.5.

Het e‑mailbericht van 21 maart 2012 van [bedrijfsnaam 2] Makelaars te [vestigingsplaats] aan de notaris voor wie de transportakte is verleden, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. In het e-mailbericht is verklaard: “Gezien de vraagprijs van euro 950.000,- k.k., is een transactieprijs van euro 850.000,- k.k. niet opmerkelijk in deze markt.” Uit de stukken komt echter naar voren dat onder de gelding van de vraagprijs van € 950.000 nooit een bod is uitgebracht (evenmin als onder de eerdere vraagprijs van € 1.020.000). Belanghebbende heeft wel gesteld dat er in 2010 en 2011 aan belangstelling geen gebrek was, maar heeft dit niet met enig bewijs(stuk) gestaafd. Voor het overige wordt in het e-mailbericht slechts aangegeven dat het object is gekocht voor € 660.000, waarna door aankoop van grond het achtergelegen deel van het perceel “goed bereikbaar” is geworden, en dat een bouwvergunning is verleend voor een veel grotere woning. Deze omstandigheden bieden naar het oordeel van het Hof (zie ook 5.4) volstrekt onvoldoende onderbouwing van een waarde van € 850.000.

5.6.

Het taxatierapport van hetzelfde makelaarskantoor leidt evenmin tot een ander oordeel. Dit rapport is pas in 2016 opgemaakt en bevat de gegevens van twee vergelijkingsobjecten, namelijk een bouwkavel aan de [adres 8] in [vestigingsplaats] ter grootte van 1.400 m² en een bouwkavel aan de [adres 9] in [vestigingsplaats] . Naar het oordeel van het Hof zijn beide objecten niet goed bruikbaar als vergelijkingsobject voor het bepalen van de waarde van het perceel. De kavel aan de [adres 8] is volgens belanghebbende op 14 februari 2012 verkocht voor € 1.000.000, maar uit de stukken blijkt dat die verkoop uiteindelijk niet is doorgegaan. De verkoop van de kavel aan de [adres 9] vond al plaats in 2008, wat, te meer gezien de daarop volgende marktontwikkelingen als gevolg van de financiële crisis, te ver verwijderd is van de verkoopdatum om daar de waarde op de verkoopdatum van af te kunnen leiden.

5.7.

Verder neemt het Hof in aanmerking dat het perceel acht maanden na de verkoop aan de BV te koop is gezet voor € 675.000, maar ook voor die prijs niet werd verkocht.

Op grond van al het vorenstaande acht het Hof niet aannemelijk dat op de verkoopdatum een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest voor het perceel € 850.000 te betalen.

5.8.

Het in 5.4 tot en met 5.7 overwogene brengt het Hof tot het oordeel dat het perceel aan de BV is verkocht voor een prijs die aanzienlijk uitgaat boven de waarde van het perceel op de verkoopdatum, met als gevolg dat de verkoop heeft geleid tot een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouders. Aangaande de vraag of de BV en de aandeelhouders zich van de vermogensverschuiving bewust zijn geweest, overweegt het Hof het volgende. Vanaf in elk geval 2009 was sprake van een negatieve marktontwikkeling en die was ten tijde van de verkoop aan de BV al lang algemeen bekend. Daarnaast was het belanghebbende en haar echtgenoot in 2010 en 2011 niet gelukt het perceel te verkopen, ook niet na een substantiële verlaging van de vraagprijs. Gelet hierop mochten zij niet aannemen dat de waarde van het perceel was toegenomen ten opzichte van de aankoopprijs in 2008, laat staan in de mate waarvan zij zijn uitgegaan bij de transactie met de BV. Daarbij hadden belanghebbende en haar echtgenoot met de WOZ-waarde van het perceel, die na 2010 een dalende lijn vertoonde en per waardepeildatum 1 januari 2012 nog slechts € 615.000 bedroeg, een concrete aanwijzing dat de op 23 maart 2012 overeengekomen waarde niet overeenkwam met de werkelijke waarde op dat moment. De door [bedrijfsnaam 2] op verzoek van de notaris gegeven onderbouwing daarvan in zijn e-mail van 21 maart 2012 is, zoals geoordeeld in 5.5, onvoldoende. Van een daadwerkelijk aan de transactieprijs van € 850.000 ten grondslag liggende taxatie is niet gebleken. Belanghebbende moet zich er daarom van bewust zijn geweest dat de verkoopprijs van € 850.000, nog geen vier maanden na genoemde waardepeildatum, beduidend hoger was dan de waarde van het perceel op dat moment. Ook het feit dat het perceel reeds acht maanden na de verkoop weer te koop stond en nu voor een vraagprijs van € 675.000, duidt erop dat belanghebbende moet hebben geweten dat verkoop aan een onafhankelijke derde voor een prijs in de orde van grootte van € 850.000 niet haalbaar was. Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende en haar echtgenoot en daarmee ook de BV, waarvan zij immers bestuurder waren, zich van de vermogensverschuiving bewust waren.

5.9.

Na het in 5.8 gegeven oordeel moet de omvang van de vermogensverschuiving worden onderzocht. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van het perceel op de verkoopdatum heeft de Inspecteur een waardeonderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek bevat onder meer gegevens van gerealiseerde verkopen van bouwkavels in [vestigingsplaats] in de jaren 2013 tot en met 2016. Verder heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en van het Kadaster inzake de ontwikkeling van prijzen van huizen en bouwkavels. Anders dan de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur hiermee de door hem voorgestane waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit de in haar uitspraak gegeven motivering komt naar voren dat de Rechtbank elke door de Inspecteur gebruikte informatiebron afzonderlijk op haar merites heeft beoordeeld. Het Hof is evenwel van oordeel dat de informatie uit de door de Inspecteur geraadpleegde bronnen in onderlinge samenhang moet worden bezien en dan blijkt dat de informatie uit de ene bron door informatie uit een andere bron wordt ondersteund. Wordt deze informatie ook bezien in samenhang met de WOZ‑waarde per 1 januari 2012 van € 615.000, de vrij kort na de verkoopdatum gehanteerde vraagprijs van € 675.000 en de uiteindelijke verkoop in 2016 aan derden voor € 500.000, dan is naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat de waarde van het perceel op de verkoopdatum niet hoger was dan € 625.000. De Inspecteur heeft de omvang van de vermogensverschuiving daarom terecht vastgesteld op € 225.000 (€ 850.000 -/- € 625.000) en, omdat belanghebbende voor 50 procent aandeelhouder is van de BV, terecht aangenomen dat belanghebbende daarmee een inkomen uit aanmerkelijk heeft genoten van € 112.500 (50% van € 225.000). Of ter zake van dit inkomen terecht de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de Inspecteur beschikte over een zogenoemd nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

5.10.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag van de gang van zaken rondom de verkoop van het perceel aan de BV op de hoogte was en dus niet beschikte over een nieuw feit. Het Hof overweegt daarover het volgende. De aanslag is vastgesteld op basis van de herziene aangifte IB/PVV van belanghebbende. De Inspecteur was niet gehouden de aangifte voor de vennootschapsbelasting van de BV te raadplegen, tenzij de aangifte van belanghebbende daartoe aanleiding gaf. Aangezien het perceel niet voorkomt in de aangifte van belanghebbende (het perceel is alleen vermeld in de aangifte IB/PVV van de echtgenoot en wel als tweede woning in box 3) bleek uit die aangifte niet van verkoop van het perceel aan de BV. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, blijkt uit niets dat de Inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslag beschikte over de transportakte met betrekking tot de verkoop van het perceel aan de BV. Er bestond voor de Inspecteur dus geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, zodat hij beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

5.11.

Op grond van al het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

De boete en de belastingrente

5.12.

De Inspecteur heeft belanghebbende een vergrijpboete opgelegd omdat het volgens de Inspecteur aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de (primitieve) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Indien het aan (voorwaardelijk) opzet van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan aan de belastingplichtige, op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR en paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete worden opgelegd ter grootte van 50 procent van de nageheven belasting. De bewijslast dat het beboete feit zich heeft voorgedaan ligt bij de Inspecteur.

5.13.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in het bewijs dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet had op het onjuist (laten) doen van de aangifte voor het onderhavige jaar. Vast staat dat belanghebbende een aangifte en later een herziene aangifte IB/PVV heeft ingediend zonder daarin een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang aan te geven, terwijl zij zich, zoals de Inspecteur heeft gesteld en het Hof in 5.8 heeft geoordeeld, bewust was van de bevoordeling als gevolg van de verkoop van het perceel aan de BV tegen een te hoge prijs. Dit brengt tevens mee dat belanghebbende bij het doen van de aangifte bewust en in strijd met de werkelijkheid niet heeft vermeld dan wel laten vermelden dat het uit deze transactie voorvloeiende voordeel haar gedeeltelijk ten goede is gekomen. Daarmee heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aldus te weinig belasting zou worden geheven. De omstandigheid dat de aangifte is verzorgd door haar vader, [naam] , die werkt voor het administratie- en belastingadvieskantoor [naam kantoor] te [plaats] , brengt hierin geen verandering, aangezien het verwijt aan belanghebbende persoonlijk wordt gemaakt. Hierbij is van belang dat uit de stukken blijkt dat de aangiften, voordat deze worden ingediend, met belanghebbende worden besproken. Met inachtneming van de in 5.12 aangehaalde bepalingen heeft de Inspecteur belanghebbende dus terecht een boete van 50 procent opgelegd. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens een wanverhouding tussen de boete en het beboete feit, zijn gesteld noch gebleken.

5.14.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij “gebaseerd op de uitspraak van de Rechtbank (…) meent vast te stellen dat er sprake is van een pleitbaar standpunt en dat om die reden geen sprake kan zijn van een vergrijpboete”. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De Rechtbank heeft geoordeeld dat met de verkoop van het perceel aan de BV geen sprake was van een bewuste bevoordeling van de aandeelhouders en de navorderingsaanslag en de boete daarom ten onrechte waren opgelegd. Op grond van een andere waardering van het bijgebrachte bewijs komt het Hof tot het oordeel dat wél sprake is geweest van een bewuste bevoordeling en, door daarvan geen melding te maken in de aangifte, het beboete feit zich heeft voorgedaan. De waardering van de feiten en de bewijsmiddelen door de Rechtbank heeft in hoger beroep dus geen stand gehouden. Hetgeen de Rechtbank bewezen heeft geacht kan daarom niet meebrengen dat belanghebbendes standpunt pleitbaar was (zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7194, BNB 2012/25, r.o. 3.3.2).

5.15.

Tegen de belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht.

Slotconclusie

5.16.

Op grond van het vorenstaande dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard en dient de uitspraak op bezwaar te worden bevestigd.

6 Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Het Hof:

­ verklaart het hoger beroep gegrond;

­ vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

­ bevestigt de uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, I. Obbink-Reijngoud en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen. De beslissing is op 18 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.