Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2541

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
BK-19/00238
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende claimt aftrek van onderhoudskosten eigen woning en van in het verleden gemaakte advocaatkosten. Verder acht belanghebbende de belastingheffing over het fictieve voordeel uit sparen en beleggen in strijd met artikel 1 EP. Verder stelt belanghebbende dat geen rechtsgeldige uitspraak op zijn bezwaar is gedaan en bij het toekennen van de heffingskortingen sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het Hof oordeelt dat de wet geen ruimte laat voor aftrek van de onderhoudskosten en de advocaatkosten en dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld en gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de uitspraak op bezwaar niet rechtsgeldig is gedaan. Verder oordeel het Hof dat, ook als voor dit jaar (2016) geoordeeld moet dat sprake is van schending van artikel 1 EP , sprake is van een rechtstekort, maar de rechter terughoudend moet zijn om daarin te voorzien (zie Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, 817, 911, 912, 946, 948 en 949). Verder oordeelt het Hof dat belanghebbende, gezien zijn vermogenspositie, niet is geconfronteerd met een individuele buitensporige last en de wetgever, voor wat betreft de heffingskortingen, in redelijkheid verschil kon maken in de heffingskorting voor alleenstaande en niet alleenstaande ouderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-10-2019
V-N Vandaag 2019/2167
FutD 2019-2587
FutD 2019-2588
V-N 2020/3.1.3
NTFR 2019/2551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00238

Uitspraak van 25 september 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: [A] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 januari 2019, nummer SGR 18/5288.

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2016 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van € 47.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (bisb) van € 912.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2018 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Vóór de zitting heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Dit stuk is gedagtekend 4 juli 2019 en is in kopie verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Partijen zijn verschenen.

1.7.

Na sluiting van het onderzoek is bij het Hof een e-mailbericht van belanghebbende met twee bijlagen binnengekomen. Het Hof vindt in dit bericht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren in 1949 en is gehuwd met [Y] , geboren in 1954. Belanghebbende en zijn echtgenote bewonen een eigen woning en hebben geen schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de woning. Per 1 januari 2015 had de woning een WOZ-waarde van € 280.000.

2.2.

Op 14 april 2017 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend. De aangifte vermeldt - voor zover hier van belang - € 47.883 aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en AOW, € 1.823 aan kosten voor onderhoud of verbouwing van de eigen woning, waarde van de bezittingen in box 3 van € 94.500, een heffingvrij vermogen van € 48.874 en het aan belanghebbende toe te rekenen gedeelte van de grondslag voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen van € 22.813.

2.3.

Met dagtekening 1 september 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag is vastgesteld zonder toepassing van aftrek van kosten voor onderhoud van de eigen woning.

2.4.

Op 5 september 2017 heeft belanghebbende tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens was het bezwaar af te wijzen en heeft hij belanghebbende gewezen op de mogelijkheid te worden gehoord.

2.5.

Bij brief van 24 november 2017 heeft belanghebbende zijn bezwaar nader gemotiveerd en daarbij ook bezwaar gemaakt tegen de geheven IB/PVV over het bisb en heeft hij aanspraak gemaakt op aftrek van € 10.000 aan advocaatkosten.

2.6.

Op 8 februari 2018 is belanghebbende door de Inspecteur gehoord. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft belanghebbende bij brief van 30 januari 2018 zijn aanspraak op de aftrek van de advocaatkosten uitvoerig toegelicht en daarbij aangevoerd dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen zijn ouders door verkeerd handelen van de Belastingdienst werd betrokken in een gerechtelijke procedure.

2.7.

Van de hoorzitting heeft de Inspecteur een verslag opgemaakt. Dit verslag is gedagtekend 12 juni 2018. Bij emailbericht van 9 juli 2018 heeft belanghebbende op het verslag gereageerd. In dit bericht stelt belanghebbende onder meer dat voor wat betreft de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting sprake is van foute regelgeving die leidt tot onrechtmatige belastingheffing. Belanghebbende maakt daarom aanspraak op een extra algemene heffingskorting van € 1.739, een extra ouderenkorting van € 1.117 en een alleenstaande ouderenkorting van € 436.

2.8.

Op 10 juli 2018 heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar op alle onderdelen ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank.

3 Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“3.1. [Belanghebbende] stelt dat hij op verzoek de door hem gemaakte kosten van € 1.823 in verband met het nieuwe dakleer voor zijn eigen woning in zijn aangiftebiljet heeft ingevuld, omdat in het aangiftebiljet en in de toelichting daarop naar kosten voor onderhoud of verbouwing van de eigen woning wordt gevraagd. Zowel het aangifteformulier als de toelichting daarop deden volgens [belanghebbende] niet anders verwachten dan dat aftrek van de kosten in lijn is met de belastingwet. [Belanghebbende] verzoekt om aftrek van die kosten.

3.2.

In artikel 3.120 van de Wet IB 2001 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning genoemd. De in 3.1 hiervoor vermelde kosten vallen daar niet onder. [De Inspecteur] heeft er op gewezen dat het gedeelte van de vraag en de toelichting waar [belanghebbende] zich op beroept, zien op het grotere geheel van de vraag en toelichting die over de eigenwoningschuld gaan. Aan [belanghebbende] kan worden toegegeven dat dat uit de vraag en toelichting niet heel duidelijk blijkt, maar tot met de wet strijdige aftrek van onderhoudskosten leidt dit niet. Bij de vermelding van de zin "Kosten voor onderhoud of verbouwing van de eigen woning" in het aangiftebiljet en de toelichting daarop gaat het om algemene informatie ter vergemakkelijking van het invullen van de aangifte. Van in rechte te beschermen vertrouwen kan slechts sprake zijn indien [belanghebbende] in gerechtvaardigd vertrouwen afgaande op die informatie iets gedaan of nagelaten zou hebben dat hem - afgezien van de te betalen belasting - in een ongunstiger positie zou hebben gebracht dan zonder het afgaan op die informatie het geval zou zijn (vergelijk Hof Den Bosch, ECLI:NL:GHSHE:2018:2790). Dat is hier niet gebleken.

4. De wet biedt ook geen mogelijkheid tot aftrek van de advocaatkosten van € 10.000 die [belanghebbende] heeft gemaakt. Deze kosten zijn niet aan een bron van inkomen toe te rekenen en vallen evenmin onder een andere wettelijke bepaling die aftrek mogelijk maakt.

5. De rechtbank is verder van oordeel dat de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2016, evenals voor het jaar 2015 (zie uitspraak van Hof Den Haag van 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018 :3126), niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (artikel 1 EP EVRM). Voor zover [belanghebbende] zich op het standpunt stelt dat de vermogensrendementsheffing (€ 273) tot een last leidt die zich bij [belanghebbende] sterker laat voelen dan in het algemeen en in zoverre op grond van artikel 1 EP EVRM als een individuele en buitensporige last achterwege moet blijven, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] geen omstandigheden heeft aangevoerd die tot die conclusie leiden. Dat [belanghebbende] de fictief berekende rente feitelijk niet heeft ontvangen, maakt het oordeel niet anders.

5.1.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [de Inspecteur] een aangiftebiljet voor 2016 aan de echtgenote van [belanghebbende] heeft gestuurd, omdat in artikel 2.17, derde lid, van de Wet 1B 2001 is opgenomen dat de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen geacht wordt bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren voor zover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen. [Belanghebbende] heeft volgens [de Inspecteur] slechts de helft van de grondslag aangegeven.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de algemene heffingskorting en de ouderenkorting op grond van de Wet 1B 2001 juist berekend. [Belanghebbende] heeft geen recht op alleenstaande ouderenkorting omdat hij in het onderhavige jaar gehuwd was. De rechter moet rechtspreken op grond van de wet. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen te beoordelen. Van strijd met enig verdragsrechtelijke bepaling is de rechtbank niet gebleken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] bij het doen van uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig gehandeld. Dat er geruime tijd tussen de hoorzitting en het hoorverslag is verstreken, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de aanslag.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

4 Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

4.1

In hoger beroep is in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende heeft – kort weergegeven – de volgende standpunten ingenomen:

- er is geen rechtsgeldige uitspraak op bezwaar gedaan omdat er, toen de Inspecteur op het bezwaar besliste, nog geen definitief verslag van de hoorzitting was;

- de onderhoudskosten van de eigen woning van € 1.823 moeten in aftrek worden toegelaten;

- de advocaatkosten moeten in aftrek worden toegelaten, onder meer omdat de broer van belanghebbende de advocaatkosten ook in aftrek kon brengen;

- de Inspecteur heeft ten onrechte gesteld dat slechts de helft van de rendementsgrondslag is aangegeven;

- de vermogensrendementsheffing is in strijd met artikel 1 EP; en

- met de regeling van de heffingskortingen is sprake van leeftijdsdiscriminatie.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag juist is en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat de onderhoudskosten van de woning en de advocaatkosten niet aftrekbaar zijn, dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het forfaitaire rendement van 4% ziet op alle vermogensbestanddelen en dus ook op spaartegoeden en dat blijkens de aangifte belanghebbende en zijn echtgenote er niet voor gekozen hebben het voordeel uit sparen en beleggen geheel aan belanghebbende toe te rekenen. Met betrekking tot de heffingskortingen stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de wet niet voorziet in de door belanghebbende gehuldigde standpunten.

4.4.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een biww van € 36.060 (€ 47.883 -/- € 1.823 -/- € 10.000) en een bisb van nihil en met toekenning van een algemene heffingskorting van € 2.196 (€ 457 + € 1.739), een ouderenkorting van € 1.187 (€ 70 + € 1.117) en een alleenstaande ouderenkorting van € 436.

4.5.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

5 Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat er geen rechtsgeldige uitspraak op bezwaar is gedaan omdat, toen de Inspecteur op het bezwaar besliste, geen definitief verslag van de hoorzitting was opgemaakt, stelt het Hof voorop dat een ondeugdelijk verslag van de hoorzitting of het geheel ontbreken daarvan niet verhindert dat een rechtsgeldige uitspraak op het bezwaar is gedaan. Op grond van artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet van het horen een verslag wordt gemaakt en op grond van artikel 9, vijfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) moet de belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld op het verslag te reageren, maar aan de inhoud van het verslag zijn geen nadere eisen gesteld en ook is niet vereist dat het verslag wordt aangepast als de belanghebbende te kennen geeft het met de inhoud van het verslag niet eens te zijn. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat een termijn van vier maanden tussen de hoorzitting en de toezending van het verslag erg lang is. Dat neemt echter niet weg dat belanghebbende de gelegenheid heeft gekregen om op het verslag te reageren en dat ook heeft gedaan. Verder is er geen rechtsregel die verhindert dat na ontvangst van de reactie op het verslag onverwijld uitspraak op het bezwaar wordt gedaan. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat de Inspecteur dermate kort na zijn reactie op het verslag uitspraak heeft gedaan, dat het niet mogelijk is dat de Inspecteur daarmee rekening heeft gehouden. De Inspecteur heeft erkend dat dit uit de uitspraak op bezwaar niet expliciet blijkt, maar daaraan toegevoegd dat de inhoud van belanghebbendes reactie op het verslag geen aanleiding gaf en geeft tot wijziging van zijn standpunt. Verder overweegt het Hof dat de reactie op het verslag behoorde tot de gedingstukken in de procedure bij de Rechtbank; in de uitspraak van de Rechtbank is geen aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat de Rechtbank de reactie niet bij haar oordeel heeft laten meewegen. Dit standpunt van belanghebbende faalt derhalve.

5.2.

Met betrekking tot de kosten van onderhoud van de eigen woning overweegt het Hof dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Wet IB 2001 geen ruimte biedt voor aftrek van deze kosten. Met hetgeen belanghebbende op dit punt heeft aangevoerd, heeft hij – naar het Hof begrijpt – tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel willen doen. Dit beroep faalt. Er zijn geen feiten gesteld noch anderszins gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende een toezegging heeft gedaan over de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten dan wel dat belanghebbende aan het doen of nalaten van de Inspecteur het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat deze zich op het standpunt heeft gesteld dat de onderhoudskosten op het biww in mindering konden worden gebracht. Voor zover belanghebbende meent dat de Belastingdienst in het aangiftebiljet en/of op andere wijze informatie heeft verstrekt waaruit belanghebbende redelijkerwijs kon opmaken dat de door hem in zijn aangifte opgevoerde onderhoudskosten aftrekbaar waren, volgt het Hof belanghebbende ook daarin niet, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, afgaande op die informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moet betalen, maar daarenboven schade lijdt. De Inspecteur heeft de onderhoudskosten dus terecht niet in aftrek toegelaten.

5.3.

Aangaande de advocaatkosten volgt het Hof de Rechtbank in haar oordeel dat deze kosten niet in aftrek kunnen worden toegelaten omdat ze niet aan een bron van inkomen zijn toe te rekenen en de Wet IB 2001 ook anderszins niet in aftrek van deze uitgaven voorziet. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur door het niet in aftrek toelaten van deze uitgaven het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, faalt die stelling. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur een begunstigend beleid heeft gevoerd waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken of dat de ongelijke behandeling voortkomt uit een oogmerk van begunstiging. Evenmin is gesteld of gebleken dat de Inspecteur in ten minste twee gevallen de advocaatkosten wel in aftrek heeft toegelaten. Van bevoordeling in een meerderheid van vergelijkbare gevallen is dus geen sprake.

5.4.

Met betrekking tot de stelling dat de Inspecteur ten onrechte heeft gesteld dat belanghebbende slechts de helft van het voordeel uit sparen en beleggen heeft aangegeven overweegt het Hof dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende bij vraag 23e van het aangiftebiljet een “grondslag voor berekening voordeel sparen en beleggen” heeft aangegeven van € 45.626 en bij vraag 23f bij “deel van de grondslag voor berekening voordeel sparen en beleggen dat u zelf aangeeft” een bedrag heeft vermeld van € 22.813. De Inspecteur heeft daaruit terecht geconcludeerd dat belanghebbende en zijn echtgenote ervoor kozen dat aan ieder van hen de helft van het voordeel uit sparen en beleggen zou worden toegerekend. Ook deze stelling faalt daarom.

5.5.

Aangaande de belastingheffing over het forfaitair rendement van 4% van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen stelt het Hof voorop dat dit wettelijk is geregeld in artikel 5.2 van de Wet IB 2001. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur, bij het vaststellen van het in de aanslag begrepen bedrag aan belasting over het voordeel uit sparen en beleggen, laakbaar en wederrechtelijk heeft gehandeld, faalt die stelling. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de aanslag op dit punt conform de wettelijke bepalingen is vastgesteld en dat de Inspecteur daarbij heeft gehandeld naar de hem bij de wet opgedragen taken en daarbij is gebleven binnen de hem daartoe verleende bevoegdheden.

5.6.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de vermogensrendementshefffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP). Belanghebbende heeft daarvoor onder meer gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, 817, 911, 912, 946, 948 en 949. Bij die arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat wanneer het nominaal rendement over het vermogen lager is dan 1,2 procent – en daarmee lager is dan de belasting die ter zake van het desbetreffende vermogen wordt geheven –, dit zich niet verdraagt met het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals bepaald in artikel 1 EP. Zo al in dit geval, dat handelt over het belastingjaar 2016, kan worden geoordeeld dat sprake is van schending van artikel 1 EP, dan gaat naar het oordeel van de Hoge Raad in voornoemde arresten een zodanige schending gepaard met een rechtstekort op stelselniveau waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Omdat deze keuzes niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet zijn af te leiden, past de rechter ten opzichte van de wetgever, naar het oordeel van de Hoge Raad, terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort. Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

Zo al sprake is van een rechtstekort, dan ziet het Hof, met inachtneming van het zojuist aangehaalde arrest van de Hoge Raad, daarom geen mogelijkheid daarin te voorzien, tenzij de desbetreffende belastingheffing een voor belanghebbende buitensporige last vormt.

5.7.

Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van een individuele en buitensporige last neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende en zijn echtgenote begin 2016 beschikten over een schuldenvrije eigen woning en een banktegoed van € 94.500. Naar het oordeel van het Hof vormt onder deze omstandigheden een over het vermogen geheven belasting van € 912 geen voor belanghebbende buitensporige last. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

5.8.

Aangaande de heffingskorting is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de algemene heffingskorting en de ouderenkorting in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen zijn berekend en dat belanghebbende, omdat hij gehuwd is, geen recht heeft op alleenstaandeouderenkorting. Daaraan voegt het Hof toe dat de wetgever bij de totstandkoming van de wettelijke bepalingen van de betreffende heffingskortingen binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven. Zo kon de wetgever in redelijkheid verschil maken in de heffingskorting voor alleenstaande en niet alleenstaande ouderen. Omdat van een belastingplichtige die ouder is dan 65 jaar geen premie AOW wordt geheven, is het niet onredelijk aan diegene een lagere gecombineerde heffingskorting te verlenen dan aan iemand die die premie wel verschuldigd is. Van leeftijdsdiscriminatie, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, is dus geen sprake.

5.9.

Op grond van al het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

6 Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, G.J. van Leijenhorst en R.P.C.W.M. Brandsma, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen. De beslissing is op 25 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.