Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2503

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
200.245.230/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering uit onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst verjaard. Geen ruimte om de opzegging nog te toetsen aan de algemene bepalingen van art. 6:74 BW als de vordering op grond van art. 7:683 BW (oud) is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.245.230/01

Zaaknummer rechtbank : 5683060 CV EXPL 17-3909

Arrest van 1 oktober 2019

inzake

de stichting Leonidas Facilitair,

gevestigd te Rotterdam,

appellant,

nader te noemen: Leonidas,

advocaat: mr. I.D.C.J. van Driel te Vlaardingen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

nader te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam.

Het geding

Bij dagvaarding d.d. 29 juni 2018 is Leonidas in hoger beroep gekomen van het verstekvonnis van 23 december 2016, het tussenvonnis van 14 juli 2017 en het eindvonnis van 30 maart 2018 van de kantonrechter te Rotterdam. Bij arrest van 18 september 2018 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen, die op 20 november 2018 is gehouden. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt. Daarna heeft Leonidas op 5 februari 2019 een memorie van grieven met producties ingediend. [geïntimeerde] heeft op 16 april 2019 een memorie van antwoord ingediend. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

De relevante feiten

1. In de (tussen)vonnissen waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Voor zover deze feiten door partijen in hoger beroep niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan.

2. Met inachtneming van deze feitenvaststelling en in aanvulling daarop kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het navolgende.

2.1

[geïntimeerde] heeft in de voetbalseizoenen 2013/2014 en 2014/2015 op basis van twee opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gevoetbald bij Leonidas. Voor het voetbalseizoen 2015/2016 is op 23 april 2015 een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld (hierna: ‘de tweede arbeidsovereenkomst’), die namens Leonidas is ondertekend door de heer [X], [functienaam 1] van Leonidas en [functienaam 2] van voetbalclub Leonidas R.K.S.V. (hierna [X]). In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] deel uitmaakt van de zondagselectie van voetbalclub Leonidas R.K.S.V., op grond waarvan hij deelneemt aan alle wedstrijden van het eerste of tweede elftal waarin hij wordt opgesteld. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat Leonidas aan [geïntimeerde] een honorarium verschuldigd is van EUR 850,- netto per maand, inclusief vakantiegeld.

2.2

Op grond van de spelregels van het amateurvoetbal is het niet toegestaan om gedurende het voetbalseizoen, dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni, van club te veranderen. Een speler die van club wil wisselen moet dat voor 15 juni van het betreffende jaar aangeven.

2.3

[geïntimeerde] is ergens in de periode na 23 april 2015, maar voor 15 juni 2015, overgestapt naar voetbalvereniging [...]. Hij heeft gedurende het voetbalseizoen 2015/2016 niet voor Leonidas gespeeld.

2.4

In een e-mailbericht van 24 mei 2015 aan het algemene e-mailadres van Leonidas ([e-mailadres]) heeft [geïntimeerde], voor zover relevant, het volgende geschreven:

Op maandag 4 mei kreeg ik van de heer [Y] en de heer [X] een telefoontje dat de ondertekende arbeidsovereenkomst voor het volgende seizoen eenzijdig ontbonden wordt en dat het beter is om een andere club te gaan zoeken voor het aankomende seizoen.

(…)

Op dit tijdstip van het seizoen is het lastig om een andere club te vinden die een vergelijkbare aanbieding doet. Ik verwacht dan ook dat er bij het vinden van een andere club die een lagere aanbieding doet een compensatieregel wordt ingesteld. Als er geen club gevonden wordt verwacht ik dat de afspraken van de arbeidsovereenkomst alsnog na worden gekomen of dat er een vergoeding wordt uitgekeerd.

Graag verzoek ik RKSV Leonidas in samenspraak met [Y] en [X] een reactie te geven op het feit dat er sprake is van achterstallig loon en dat dit alsnog opgelost wordt. Hetzelfde geld voor het loon dat de komende maanden op mijn bankrekening gestort dient te worden. Tot slot verzoek ik ook een reactie te geven over de arbeidsovereenkomst. Ik hoop het seizoen bij RKSV Leonidas goed te kunnen afsluiten zonder grote problemen.”

2.5

In datzelfde e-mailbericht heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op achterstallig loon over de maanden april, mei en juni 2015 en in dat verband gewezen op de wettelijke verhoging.

2.6

Blijkens de stukken heeft [geïntimeerde] in de periode mei-september 2015 verschillende WhatsApp-berichten verstuurd aan [X], waarin hij aandringt op betaling van achterstallig salaris. In zijn bericht van 26 mei 2015 heeft [geïntimeerde] meegedeeld dat hij het komende jaar zou overstappen naar voetbalclub [...]. Hij schrijft in zijn bericht:

[X], ik ga volgend jaar naar [...]. Het is de enige optie die ik heb en dit kon ik niet laten schieten. Blijft voor mij mpg (hof: bedoeld zal zijn: ‘nog’) het financiele plaatje staan waar ik met [Y] over wil praten. Maar dan weet je het iig”.

2.7

Op 1 juni 2015 heeft Leonidas aan [geïntimeerde] het loon voor de maand april 2015 betaald. Op 28 december 2015 is het loon voor de maand mei 2015 voldaan en op 30 december 2015 is het loon voor de maand juni 2015 betaald.

2.8

In een e-mailbericht van 28 oktober 2015, gericht aan het algemene e-mailadres van Leonidas, heeft mr. Hennink namens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van het salaris ad EUR 850 netto per maand. In een e-mailbericht van 24 november 2015 heeft mr. Hennink aangekondigd een gerechtelijke procedure aanhangig te zullen maken als betaling niet binnen vijf dagen zou hebben plaatsgevonden. In een e-mailbericht van 2 juni 2016 heeft mr. Hennink een concept-dagvaarding toegestuurd met de mededeling dat de dagvaarding op een termijn van twee weken ter betekening aan de deurwaarder zou worden toegezonden, als Leonidas niet binnen die termijn aan [geïntimeerde] een vergoeding zou hebben voldaan van de schade “als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst”. In een e-mailbericht van 16 juni 2016 heeft mr. Hennink bericht dat overgegaan zou worden tot dagvaarding als niet voor het eind van de maand door Leonidas een schikkingsvoorstel zou zijn gedaan.

2.9

[geïntimeerde] heeft Leonidas op 1 november 2016 gedagvaard en een bedrag van EUR 1.275 netto aan wettelijke verhoging ter zake van te late betaling van het loon over de maanden april t/m juni 2015 (de tweede arbeidsovereenkomst) gevorderd, alsmede een bedrag van EUR 10.170,93 als vergoeding van schade in verband met het niet nakomen door Leonidas van de derde arbeidsovereenkomst.

2.10

Nadat de vorderingen bij verstek waren toegewezen is Leonidas in verzet gekomen. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 14 juli 2017 de wettelijke verhoging toewijsbaar geacht. Verder heeft de kantonrechter in dit tussenvonnis aan [geïntimeerde] opdracht gegeven te bewijzen dat de heer [Y] (hierna: [Y]) hem op 4 mei 2015 telefonisch heeft meegedeeld dat Leonidas de derde arbeidsovereenkomst geen gestand zou doen. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat als [geïntimeerde] in dit bewijs zou slagen, het er voor moet worden gehouden dat Leonidas de derde arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, althans op grond van artikel 6:83 sub c BW jegens hem in verzuim is geraakt, zodat Leonidas jegens [geïntimeerde], die dan blijkens zijn overstap naar voetbalvereniging [...] geacht moet worden in die situatie te hebben berust, schadeplichtig is geworden.

2.11

[geïntimeerde] heeft vervolgens getuigen doen horen, onder wie Hof en [X]. Leonidas heeft geen tegenbewijs geleverd.

2.12

In het eindvonnis van 30 maart 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] erin was geslaagd te bewijzen dat Hof hem op 4 mei 2015 heeft meegedeeld dat Leonidas de derde arbeidsovereenkomst geen gestand zou doen. De kantonrechter heeft op grond daarvan geoordeeld dat het er voor moet worden gehouden dat Leonidas de derde arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, althans op grond van artikel 6:83 sub c BW jegens [geïntimeerde] in verzuim is geraakt, zodat Leonidas jegens [geïntimeerde], die blijkens zijn overstap naar voetbalvereniging [...] geacht moet worden in die situatie te hebben berust, schadeplichtig is geworden. Aan [geïntimeerde] is een schadevergoeding van € 10.150,93 netto toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is Leonidas veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.275,- netto terzake van wettelijke verhoging over het achterstallige loon over de maanden april t/m juni 2015.

De procedure in hoger beroep

3. Leonidas is van de drie voornoemde vonnissen van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Aangezien hoger beroep tegen een verstekvonnis voor de oorspronkelijke gedaagde ingevolge art. 335 lid 1 Rv niet mogelijk, zal Leonidas in haar hoger beroep tegen het verstekvonnis van 23 december 2016 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Tegen de oordelen van de kantonrechter als vervat in het tussenvonnis en het eindvonnis heeft Leonidas tien grieven gericht. Met deze grieven beoogt Leonidas, samengevat, dat het hof de vonnissen zal vernietigen, de toegewezen wettelijke verhoging zal matigen, de overige vorderingen van [geïntimeerde] (waaronder die met betrekking tot schadevergoeding) zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Leonidas uit hoofde van deze vonnissen in eerste aanleg aan hem heeft betaald.

5. In haar eerste grief voert Leonidas als meest verstrekkende verweer dat tussen [geïntimeerde] en Leonidas geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen voor het seizoen 2015/2016 (de derde arbeidsovereenkomst). In de grieven 4 en 6 komt Leonidas (subsidair) op tegen het (bewijs)oordeel van de kantonrechter dat zij de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] heeft opgezegd. De kantonrechter heeft die opzegging gekwalificeerd als een onregelmatige opzegging (r.o. 4.7 van het tussenvonnis en r.o. 2.8 van het eindvonnis). Tegen deze kwalificatie zijn in hoger

beroep geen bezwaren opgeworpen.

Het beroep op verjaring

6. Het hof ziet aanleiding eerst grief 2 te beoordelen, waarin Leonidas zich op het standpunt stelt dat de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van schade wegens de gestelde onregelmatige opzegging van de derde arbeidsovereenkomst is verjaard.
Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de derde arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat Leonidas deze onregelmatig heeft opgezegd, zoals de kantonrechter heeft aangenomen, dan slaagt het beroep van Leonidas op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding en daarmee haar grief 2. De grieven 1, 4 en 6 behoeven daarom geen bespreking.

7. Voor het oordeel dat het beroep op verjaring slaagt, is het volgende redengevend.

Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat Leonidas de arbeidsovereenkomst op 4 mei 2015 heeft opgezegd, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, is daarop het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wwz (die in werking is getreden per 1 juli 2015) van toepassing. In artikel 7:677 lid 1 BW (oud) is bepaald dat de partij die de arbeidsovereenkomst onverwijld opzegt zonder dat sprake is van een dringende reden, jegens de wederpartij schadeplichtig is. Op grond van lid 4 van artikel 7:677 BW (oud) heeft deze wederpartij de keuze tussen een gefixeerde of volledige schadevergoeding. Op grond van artikel 7:683 lid 1 BW (oud) verjaart de rechtsvordering krachtens artikel 7:677 lid 4 BW (oud) na verloop van zes maanden. In dit geval verstreek deze verjaringstermijn daarom op 4 november 2015.

8. [geïntimeerde] heeft voor het eerst aanspraak gemaakt op schadevergoeding in het namens hem door mr. Hennink verzonden e-mailbericht van 2 juni 2016, waarin is aangekondigd dat een dagvaarding zou worden uitgebracht als Leonidas niet binnen die termijn aan [geïntimeerde] een vergoeding zou hebben voldaan van de schade “als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst”. Op dat moment was de vordering echter al verjaard. De eerdere berichten die door of namens [geïntimeerde] zijn gestuurd bevatten geen stuitingshandeling ter zake deze vordering, nu in deze berichten slechts aanspraak wordt gemaakt op betaling van achterstallig loon ter zake de lopende, tweede arbeidsovereenkomst, maar niet op schadevergoeding ter zake de opzegging van de derde arbeidsovereenkomst.

9. Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat in het e-mailbericht van 24 mei 2015 en/of 28 oktober 2015 wel aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding, dat het e-mailbericht van 24 mei 2015 Leonidas ook heeft bereikt (Leonidas betwist dat) en dat een van deze berichten toch als stuitingshandeling zouden moeten worden aangemerkt, dan had [geïntimeerde] vervolgens binnen zes maanden daarna een dagvaarding moeten uitbrengen dan wel een nieuwe stuitingshandeling moeten verrichten, hetgeen hij niet heeft gedaan.

10. Dat betekent dat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard en het beroep op verjaring van Leonidas daarom slaagt. Het eindvonnis van de kantonrechter kan op dit punt daarom niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

11. In de grieven 3, 5 en 7 komt Leonidas op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij (ook) schadeplichtig is wegens een tekortkoming in de nakoming van de derde arbeidsovereenkomst omdat zij op grond van artikel 6:83 sub c BW jegens [geïntimeerde] in verzuim geraakt.

12. Nu het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] ter zake schadevergoeding in verband met de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst is verjaard, kan [geïntimeerde] niet alsnog op grond van de algemene bepalingen over tekortkoming in de nakoming van overeenkomsten, zoals neergelegd in artikel 6:74 e.v. BW, aanspraak maken op schadevergoeding op grond van dezelfde mededelingen die volgens [geïntimeerde] namens Leonidas op 4 mei 2015 aan hem zijn gedaan en die de kantonrechter heeft gekwalificeerd als onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Er bestaat naar het oordeel van het hof geen ruimte om de opzegging, indien de vordering op grond van 7:683 lid 1 BW (oud) is verjaard, nog te toetsen aan de algemene bepalingen van artikel 6:74 e.v. BW over tekortkoming in de nakoming van overeenkomsten. De in de artikelen 7:681 tot en met 7:683 BW (oud) opgenomen regeling is uitputtend bedoeld. Dit volgt ook uit HR 11 mei 1979, NJ 1979, 441, in welk arrest is beslist, kort gezegd, dat naast de regeling van artikel 7A:1639s BW (oud) geen ruimte is voor een toetsing van de opzegging aan artikel 1374 BW (oud), vanwege het specifieke toetsingscriterium, de genuanceerde uitwerking van de gevolgen en de korte verjaringstermijn van de regeling inzake de kennelijk onredelijke opzegging. Ditzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden voor een vordering in verband met onregelmatige opzegging. De vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding op de grondslag van de door hem gestelde tekortkoming van Leonidas in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, stuit op het voorgaande dus af. Daarom komt het hof aan een beoordeling van de grieven 3, 5 en 7 niet toe.

13. In grief 8 stelt Leonidas zich op het standpunt dat een verbintenis tot schadevergoeding moet worden gematigd, omdat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de plicht om zijn schade te beperken. Nu het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding is verjaard, behoeft ook deze grief geen bespreking meer.

De wettelijke verhoging

14. Met haar grief 9 komt Leonidas op tegen de toewijzing door de kantonrechter van de wettelijke verhoging over het salaris over de periode april tot en met juni 2015, dat te laat is betaald. Deze grief slaagt niet. Hiertoe is het volgende redengevend.

15. Tussen partijen staat vast dat Leonidas het salaris dat zij aan [geïntimeerde] was verschuldigd over voornoemde maanden te laat heeft betaald, te weten op respectievelijk 1 juni 2015 (salaris april), 28 december 2015 (salaris mei) en 30 december 2015 (salaris juni). Op grond van artikel 7:625 BW is Leonidas de wettelijke verhoging verschuldigd, indien het niet tijdig voldoen van het salaris haar is toe te rekenen.

16. Het hof ziet in de stellingen van Leonidas geen aanleiding te concluderen dat de te late betaling niet aan Leonidas is toe te rekenen, noch gronden voor matiging van de wettelijke verhoging. Leonidas heeft haar stelling dat de niet tijdige betaling het gevolg was van een tekort aan middelen in het geheel niet onderbouwd. Onjuist is bovendien haar stelling dat [geïntimeerde] niet voorafgaand aan de procedure aanspraak op de wettelijke verhoging heeft gemaakt (zie hiervoor onder r.o. 2.8), nog daargelaten of een en ander – zo al juist – matiging van de wettelijke verhoging zou rechtvaardigen. Het hof ziet daarom geen aanleiding het eindvonnis van de kantonrechter op dit punt te vernietigen en de wettelijke verhoging te matigen. Dit betekent dat de veroordeling van Leonidas tot betaling van de wettelijke verhoging ad € 1.275,- netto in stand blijft.

Reeds gedane betalingen

17. Met grief 10 beoogt Leonidas te bewerkstelligen dat [geïntimeerde] de betalingen die zij uit hoofde van het eindvonnis van de kantonrechter stelt te hebben gedaan, vermeerderd met wettelijke rente, aan Leonidas moet terugbetalen. Niet duidelijk is welke betalingen Leonidas in dit verband aan [geïntimeerde] heeft gedaan. Het ter zake gevorderde zal daarom door het hof in die zin worden toegewezen, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen door Leonidas in verband met de toegekende schadevergoeding (en de wettelijke rente daarover) aan [geïntimeerde] is voldaan. Nu [geïntimeerde] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering tot terugbetaling van de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Leonidas aan [geïntimeerde], zal de wettelijke rente als gevorderd worden toegewezen.

Slotsom en proceskosten

18. Wat partijen verder nog hebben gesteld behoeft geen bespreking meer, aangezien dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

19. Gelet op al het vorenstaande is nadere bewijslevering niet aan de orde en wordt evenmin toegekomen aan tegenbewijs, nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen kunnen leiden.

20. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter van 30 maart 2018 deels vernietigen. Bij vernietiging van het tussenvonnis van 14 juli 2017 bestaat geen belang omdat dit geen te executeren beslissingen bevat. Volstaan kan dus worden met gedeeltelijke vernietiging van het eindvonnis.

21. Aangezien beide partijen in hoger beroep over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten compenseren. Nu Leonidas eerst in hoger beroep een beroep op verjaring heeft gedaan en zij in eerste aanleg ook terecht is veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging, ziet het hof geen aanleiding om de proceskostenveroordeling van Leonidas in eerste aanleg te vernietigen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart Leonidas niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het door de kantonrechter op 23 december 2016 gewezen verstekvonnis;

  • -

    vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 30 maart 2018 gedeeltelijk, uitsluitend voor zover Leonidas daarin is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van EUR 10.150,93 netto aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Leonidas van voornoemd bedrag aan schadevergoeding (vermeerderd met de wettelijke rente daarover), voor zover dit bedrag aan [geïntimeerde] is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de (deel)betaling(en) door Leonidas aan [geïntimeerde] is/zijn verricht, tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Frikkee, J. van der Kluit en P.Th. Sick en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.