Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2502

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
200.256.126/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering uit hoofde van art. 7:658 BW. Ongeval tramconducteur door botsing tussen twee trams. Stelplicht werkgever inzake zorgplicht. Causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1025
PS-Updates.nl 2019-1179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.256.126/01

Zaaknummer rechtbank: 6998146 CV EXPL 18-24787

Arrest van 1 oktober 2019

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. Aksü te Rotterdam,

tegen

Securitas Beveiliging B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Securitas,

advocaat: mr. D.M. Gouweloos te Amsterdam.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 7 maart 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, team kanton, (hierna: de kantonrechter) van 7 december 2018.

Hierna heeft [appellant] een memorie van grieven met producties ingediend waarbij hij twee grieven heeft gericht tegen het vonnis van 7 december 2018.

Vervolgens heeft Securitas een memorie van antwoord ingediend, waarbij zij de grieven van [appellant] heeft bestreden.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en is arrest bepaald.

De feiten

1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten, nu deze niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende

1.1.

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1983, is op 1 januari 2010 bij Securitas in dienst getreden. Securitas heeft [appellant] ter beschikking gesteld aan de RET te Rotterdam in de functie van

[functienaam].

1.2.

Op [datum] 2010 is [appellant] betrokken geraakt bij een arbeidsongeval. De bewuste tram waarin [appellant] die dag werkzaam was en die stilstond werd aan de achterzijde aangereden door een andere tram. [appellant] viel daardoor op de grond. Hij is vervolgens medisch behandeld.

1.3.

Met ingang van 22 juli 2012 is [appellant] volledig arbeidsongeschikt. Securitas heeft op 28 april 2014 het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Die toestemming is door het UWV gegeven, op basis waarvan Securitas de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

De vordering en het geschil in eerste aanleg

2. [appellant] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Securitas aansprakelijk is voor de gevolgen die [appellant] ondervindt van het ongeval van [datum] 2010 en Securitas te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Securitas in de proceskosten.

3. Aan zijn vordering heeft [appellant] - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

Securitas is op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de door [appellant] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het arbeidsongeval. [appellant] heeft als gevolg van het ongeval nog steeds last van zowel lichamelijke als psychische klachten en is daardoor nog altijd niet in staat om te werken. De lichamelijke klachten bestaan uit knieklachten, die mogelijk weer samenhangen met de rugklachten van [appellant]. Securitas heeft in ieder geval deels voldaan aan de uit voornoemd artikel voortvloeiende zorgplicht.
Voorts heeft [appellant] een beroep gedaan op artikel 7:611 BW, omdat Securitas onvoldoende nazorg aan [appellant] heeft geboden, in die zin dat Securitas de aansprakelijkheid nooit heeft willen erkennen.

4. Securitas heeft de vordering betwist. Securitas heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Securitas heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering is verjaard. Subsidiair heeft Securitas iedere aansprakelijkheid afgewezen. Securitas heeft volledig aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW voldaan, door middel van de aangeboden en door [appellant] gevolgde cursussen op het gebied van veiligheid. Er is bovendien geen sprake van een causaal verband tussen de door [appellant] gestelde knie- en psychische klachten en het ongeval. Die klachten zijn niet aan het ongeval gerelateerd. Voorts kan er geen sprake zijn van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW in een situatie waarin artikel 7:658 BW van toepassing is, maar er geen verplichting is geschonden, zoals hier het geval is.

5. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

6. [appellant] heeft in grief 1 - samengevat - aangevoerd dat de kantonrechter in rov. 5.4 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat er in rechte van uit moet worden gegaan dat Securitas aan haar zorgplicht heeft voldaan en jegens [appellant] niet aansprakelijk en schadeplichtig is in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW.

7. Het hof oordeelt als volgt. De grief heeft uitsluitend betrekking op het oordeel van de kantonrechter over de gestelde aansprakelijkheid uit hoofde van art. 7:658 BW, niet op het (afwijzende) oordeel over de aansprakelijkheid ex art. 7:611 BW. Voorts is geen grief gericht tegen de maatstaf die de kantonrechter heeft aangelegd voor de beoordeling van de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 7:658 BW als vermeld in rov. 5.2 van het bestreden vonnis. Het hof gaat dan ook uit van deze maatstaf, waarmee het zich ook overigens kan verenigen.

8. Grief 1 faalt om de navolgende reden. Indien een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden dan is de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk, tenzij, voor zover hier van belang, hij aantoont dat hij de in lid 1 van deze bepaling bedoelde zorgverplichtingen is nagekomen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust daarom op Securitas de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat zij haar zorgverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. Securitas heeft - gemotiveerd en met stukken onderbouwd - gesteld dat zij als werkgever aan haar zorgplicht jegens [appellant], als bedoeld in art. 7:658 BW, heeft voldaan en dat zij dan ook niet aansprakelijk is voor het onderhavige ongeval. Zij heeft daartoe – samengevat – het navolgende aangevoerd.

9. De werkplek van [appellant] is de tram. Aangezien de tram continu stopt en optrekt en ook met regelmaat moet reageren (door bijvoorbeeld een noodremming) op verkeerssituaties die zich nu eenmaal voordoen, zeker in een drukke stad, is het een bekend gevaar dat de tram onverwachte bewegingen maakt. Zowel Securitas als haar opdrachtgever RET schenkt veel aandacht aan deze gevaren en tracht haar werknemers door middel van opleiding en instructie alert te maken op deze gevaren. De opleiding tot conducteur bestaat uit een theoriegedeelte en een praktijkgedeelte. Het theoriegedeelte heeft twee modules, waarin de conducteur werkinstructies krijgt hoe het beste te werken en handelen om zijn veiligheid te waarborgen. De leermeesters tijdens het praktijkgedeelte van de opleiding leggen uit hoe de conducteur moet staan en lopen tijdens het controleren. Securitas is van mening dat zij door het geven van instructies en training gericht op het voorkomen van schade als gevolg van de (plotselinge) bewegingen van de tram, heeft voldaan aan haar zorgplicht. De genomen maatregelen vormen weliswaar geen absolute waarborg dat zich geen incident zal voordoen, maar dat wordt ook niet van de werkgever verwacht (onder verwijzing naar HR 11 november 2005, RvdW2005,124, HR 27 april 2007, RvdW 2007, 459 en HR 8 februari 2008, NJ 2008, 93).

10. [appellant] heeft het voorgaande niet (althans niet gemotiveerd) bestreden, hetgeen zeker in hoger beroep van hem verwacht had mogen worden. Integendeel, [appellant] heeft (bij monde van zijn raadsman ter comparitie in eerste aanleg) zelf gesteld dat dit ongeval niet voorkomen had kunnen worden en dat niet kan worden gezegd wat Securitas anders of meer had kunnen doen. Ook het hof ziet niet wat Securitas in dit geval anders of meer had kunnen doen dan het geven van de hiervoor in rov. 9 bedoelde instructies en trainingen op het gebied van veiligheid (die [appellant] heeft gevolgd).

11. Anders dan [appellant] in zijn toelichting bij grief 1 heeft betoogd, betekent het voorgaande niet dat aan hem de last is opgelegd te bewijzen dat Securitas niet (volledig) aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zoals hiervoor onder 8 overwogen rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan op Securitas. Uit hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen volgt dat Securitas gemotiveerd en onderbouwd heeft gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, zodat het op de weg van [appellant] lag dat standpunt gemotiveerd te bestrijden. Dat heeft [appellant] niet (gemotiveerd) gedaan (zie hiervoor onder 10).

12. Gelet op het voorgaande, kan grief 1 niet slagen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4 van het bestreden vonnis en maakt (ook) dit oordeel tot het zijne.

13. Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. De werknemer dient in een geval als het onderhavige te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en zijn werkzaamheden.

14. [appellant] stelt dat hij als gevolg van het ongeval in 2011 schade heeft geleden, te weten een gescheurde meniscus/blijvend letsel aan zijn linkerknie met daaraan verbonden psychisch leed door aanhoudende pijnklachten (inleidende dagvaarding onder 26).

15. Securitas heeft gemotiveerd bestreden dat de knieklachten (en de daaraan gerelateerde pijnklachten) een gevolg zijn van het ongeval en daartoe - samengevat - het navolgende aangevoerd.

15.1.

Direct na het ongeval maakt [appellant] melding van nek- en rugklachten en hoofdpijn. In de dossierstukken met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van [appellant] direct na het ongeval wordt geen melding gemaakt van knieklachten, zoals blijkt uit diverse verslagen van de bedrijfsarts (productie 7 bij inleidende dagvaarding).

15.2.

Securitas betwist niet dat [appellant] per 30 april 2012 is uitgevallen als gevolg van knieklachten. Deze klachten zijn naar de mening van Securitas echter geen gevolg van het ongeval twee jaar eerder. Op 6 september 2012 rapporteert radioloog [naam radioloog] naar aanleiding van een MRI van de knie. Hij concludeert dat het gaat om 'mucoidale degeneratie', hetgeen zou betekenen dat het gaat om de omzetting van weefsel in een halfvaste stof (lijkend op slijm), waarbij ook wordt opgemerkt dat het gaat om slijtage. Degeneratie gaat geleidelijk, zonder voorafgaand trauma. De knieklachten van [appellant] zouden om die reden geen ongevalsgevolg kunnen zijn.

15.3.

Securitas heeft medisch adviesbureau Medas B.V. opdracht gegeven om advies te geven. Medas B.V. heeft geconcludeerd (productie 10 bij inleidende dagvaarding en productie 7 bij conclusie van antwoord) dat er geen causaal verband is tussen de knieklachten en het ongeval. De bevindingen van Medas B.V. worden volgens Securitas onderstreept door de medisch adviseur van Triage, ingeschakeld door [appellant], in een addendum bij zijn advies (Productie 11 bij dagvaarding). Triage schrijft: “Ik kan me dan ook voorstellen dat de wederpartij op basis van deze informatie het causaal verband tussen de linkerknie klachten en het ongeval van [datum] 2010 zal afwijzen. Ik ga er ook vanuit, gezien de huidige klachten, met name kennelijk dus linkerknie klachten, dat de wederpartij causaal verband zal afwijzen.

Beide knieproblemen komen veelvuldig voor, ook bij personen die geen ongeval hebben

doorgemaakt.”

16. Gelet op het gemotiveerde verweer van Securitas als hiervoor weergegeven in rov. 15.1-15.3, had het op de weg van [appellant] gelegen zijn stelling dat de knieklachten en daaraan gerelateerde psychische (pijn)klachten veroorzaakt zijn door het ongeval, nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan, zodat - ook als grief 1 zou slagen - geen grond bestaat voor aansprakelijkheid van Securitas, omdat het vereiste causaal verband ontbreekt. Bovendien is geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 5.3 van het bestreden vonnis, dat (de gemachtigde van) [appellant] ter comparitie van partijen heeft erkend dat het causaal verband tussen de door hem gestelde medische klachten en het arbeidsongeval thans niet vaststaat, zodat er reeds daarom vooralsnog niet van kan worden uitgegaan dat Securitas aansprakelijk en schadeplichtig is in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW. Van voornoemd oordeel moet in hoger beroep worden uitgegaan.

Ook om deze redenen kan het appel niet slagen.

19. Grief 2, die uitsluitend betrekking heeft op de proceskostenveroordeling van [appellant], bouwt voort op grief 1 en moet het lot daarvan delen.

20. Het bewijsaanbod van [appellant] in appel dient als te vaag (nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen) dan wel als niet ter zake dienende (nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding kunnen geven) te worden gepasseerd.

21. De conclusie is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd en dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, met inbegrip van de nakosten en wettelijke rente als gevorderd.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Securitas begroot op € 741,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.074,- aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, F.R. Salomons en J. van der Kluit, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.