Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:25

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.215.818/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelgrens. Heeft de gevorderde verklaring voor recht zelfstandige betekenis. Is een dakgoot bestanddeel van het dak of van de onderliggende muur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.818/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/493480 / HA ZA 15-868

arrest van 22 januari 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. W.J.E. van der Werf te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. F.M.L. Dekkers te Leiden.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 6 juni 2017 verwijst het hof naar dat arrest. De in dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt. [appellant] heeft vervolgens bij memorie van grieven met producties vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. [geïntimeerden] hebben die grieven bij memorie van antwoord bestreden. [appellant] heeft daarna nog een akte met een productie genomen, waarop [geïntimeerden] bij antwoordakte hebben gereageerd. Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a. [geïntimeerden] zijn eigenaar van het pand aan de [adres 1] . [appellant] is eigenaar van het perceel waarop de panden [adressen] zijn gelegen.

Achter de woning aan de [adres 2] bevindt zich een losstaande garage met dakopbouw (hierna: de garage) die grenst aan de uitbouw van de woning aan de [adres 1] (hierna: de uitbouw).

Eind 2014 hebben [geïntimeerden] vochtschade geconstateerd aan de voorzetwand in de keuken van de uitbouw en aan de direct daarachter gelegen muur van de garage (hierna: de muur). Boven de muur bevindt zich de dakgoot van de garage (hierna: de dakgoot).

[geïntimeerden] hebben door ingenieur [naam] (hierna: [de ingenieur] ) een inspectie laten uitvoeren. [de ingenieur] heeft in zijn inspectierapport van 22 juni 2015 als volgt geconcludeerd:

"De vochtproblemen in de keuken van de uitbouw en van de scheidingsmuur, zijn

ten gevolge van lekkages die plaatsvinden in de achter bebouwing. Deze lekkages

worden veroorzaakt door een dak en goot met een zeer slechte conditie [...]. De

vochtproblemen buiten op het erf is voor de [adres 1] een

esthetisch gebrek. De vochtproblemen binnen in de keuken van de uitbouw is

een welzijnsgebrek (schimmelvorming met uiteindelijk aantasting van de

luchtwegen) en dient met een hoge urgentie met de hoogste prioriteit verholpen te

worden. Vanuit [adres 1] kunnen de lekkages niet verholpen

worden. Voor een acceptabele oplossing dient het dak, inclusief goten van de

achter bebouwing vervangen te worden. Het dak is inmiddels dusdanig aangetast

dat repareren geen zin meer heeft".

Aan het rapport van [de ingenieur] zijn foto’s gehecht van de muur, het dak en de dakgoot.

Voorts hebben [geïntimeerden] door schilder […] een offerte laten opmaken voor de kosten van het herstel van de vochtschade. Laatstgenoemde heeft op 24 juni 2015 voor een bedrag van € 409,16 inclusief BTW herstelwerkzaamheden geoffreerd.

Na dagvaarding in eerste aanleg, en dus na 21 juli 2015, heeft [appellant] het deel van de dakgoot dat boven de muur is gelegen laten vervangen. Deze vervanging heeft € 525,- exclusief BTW gekost.

Ter comparitie in eerste aanleg, gehouden op 15 april 2016, zijn partijen overeengekomen dat een bindend adviseur zou vaststellen of (nog) sprake is van vochtdoorslag vanuit de muur en dat deze bindend adviseur zal vaststellen welke werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd om het gebrek te verhelpen. De heer […] , die als bindend adviseur is opgetreden, heeft partijen op 1 juli 2016 per e-mail als volgt bericht:

"De vochtmetingen in de keuken van [adres 1] geven geen actueel

verhoogd vochtgehalte, ook niet op de (koof) van de keuken waarop oude

lekkagesporen zichtbaar zijn.

De vochtmetingen in de garage/schuur van het achtergelegen perceel behorende

tot [adres 2] (scheidingsmuur vermoedelijk halfsteens) geven op lager

niveau verhoogde vochtgehaltes (wijzende op optrekkend vocht), in de goot en het

hoogste deel van de muur zijn geen verhoogde vochtgehaltes gemeten.

Conclusie: er zijn ondanks overvloedige regenval van de afgelopen periode geen

aanwijzingen van actuele of recente lekkages vanuit het dak of de goot".

3. [geïntimeerden] vorderden in eerste aanleg in conventie, na vermindering van eis, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 409,16, te vermeerderen met rente en kosten.

4. In reconventie vorderde [appellant] in eerste aanleg een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] gehouden zijn de helft van alle (reeds gemaakte en toekomstige) onderhoudskosten met betrekking tot de muur te voldoen en de veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 262,50 ter zake van de vervanging van de dakgoot.

5. De rechtbank heeft – samengevat weergegeven – geoordeeld dat onvoldoende is weersproken dat de vochtschade in de uitbouw is veroorzaakt door een gebrekkige dakgoot en een gebrekkige dakbedekking van de garage, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de vochtschade door die gebrekkige dakbedekking en de gebrekkige goot is ontstaan. De muur van de garage aan de [adres 2] en de keuken in de uitbouw van de [adres 1] is mandelig en dus gemeenschappelijk eigendom van partijen, maar de dakgoot kan niet worden beschouwd als een bestanddeel van de (mandelige) muur maar is een bestanddeel van (het dak van) de garage en is dus eigendom van [appellant] . [appellant] dient dus wel de schade van [geïntimeerden] te vergoeden, maar [geïntimeerden] behoeven niet bij te dragen in de kosten van het herstel van de dakgoot. In conventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van € 409,16, te vermeerderen met wettelijke rente. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de muur een mandelige zaak betreft die op kosten van partijen dient te worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.

6. [appellant] vordert in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn vorderingen in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding. Met grief I voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vochtschade mede wordt veroorzaakt door de gebrekkige dakbedekking en de scheef liggende dakpannen van de garage. Grief II is gericht tegen het oordeel dat de dakgoot een bestanddeel is van het dak en niet van de muur. Omdat de dakgoot een bestanddeel is van de mandelige muur is de vordering tot betaling van de helft van de onderhoudskosten van de goot ten onrechte afgewezen. Grief III bouwt daarop voort: omdat de dakgoot een bestanddeel is van de muur, is deze door natrekking gemeenschappelijk eigendom geworden van [appellant] en [geïntimeerden] Op [geïntimeerden] rustte derhalve een schadebeperkingsplicht, zodat zij het initiatief hadden moeten nemen om de dakgoot te herstellen. Grief IV heeft betrekking op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering in reconventie.

7. Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep in het licht van de in artikel 332 Rv neergelegde appelgrens van € 1.750,-. Bij beoordeling van die vraag moet worden gekeken naar de vorderingen waarover de rechtbank na wijziging van eis had te oordelen, en dienen de vorderingen in conventie en in reconventie te worden opgeteld. Ten aanzien van vorderingen van onbepaalde waarde heeft te gelden dat die appellabel zijn, tenzij er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-. Indien een gevorderde verklaring voor recht naast het in hoofdsom gevorderde bedrag geen zelfstandige betekenis heeft, vertegenwoordigt zij geen waarde en kan zij dus bij het bepalen van de waarde van de vordering buiten beschouwing worden gelaten.

8. De geldvorderingen van partijen in conventie en in reconventie blijven bij elkaar opgeteld ruimschoots onder het bedrag van € 1.750,-. Beoordeeld moet daarom worden of de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht zelfstandige betekenis heeft. Die vordering is in het petitum in eerste aanleg in algemene zin geformuleerd en heeft betrekking op de reeds gemaakte en eventuele toekomstige onderhoudskosten van de mandelige muur. Van die vordering kan niet worden gezegd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-. [appellant] heeft zijn belang bij die vordering in randnummer 26 van zijn conclusie van eis in reconventie evenwel aldus toegelicht dat, indien wordt bepaald dat de muur mandelig is, het onderhoud van de dakgoot ook voor rekening van [geïntimeerden] komt. In zoverre is er twijfel mogelijk over de vraag of de gevorderde verklaring voor recht zelfstandige betekenis heeft naast de vordering tot schadevergoeding die betrekking heeft op de onderhoudskosten van de dakgoot. Omdat [appellant] echter ook stelt dat hij belang heeft bij een algemeen oordeel over de mandeligheid van de muur, en gelet op het feit dat de vordering aldus is geformuleerd dat deze ook betrekking heeft op (eventuele) toekomstige kosten, is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de gevorderde verklaring voor recht geen zelfstandige betekenis heeft en dat evenmin kan worden gezegd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat zij een waarde vertegenwoordigt lager dan € 1.750,-. Dat betekent dat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

9. Tegen de in reconventie gegeven verklaring voor recht dat de muur tussen de garage en de uitbouw mandelig is, is door [geïntimeerden] niet incidenteel geappelleerd, zodat het hof van dit (overigens juiste) oordeel van de rechtbank moet uitgaan. Het hof ziet aanleiding eerst grief II te bespreken, die de vraag aan de orde stelt of de dakgoot bestanddeel is van het dak van de garage, of van de muur.

10. Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel, moet echter in het licht van alle omstandigheden van het geval beoordeeld worden (vgl. HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2256).

11. Van die omstandigheden acht het hof van doorslaggevend belang dat de goot een afwateringsfunctie heeft ten behoeve van het schuin aflopende dak van de garage. Zonder dat schuin aflopende dak zou de goot geen functie hebben, ook niet om de muur te beschermen. Zonder muur zou de goot echter nog steeds diezelfde functie vervullen, die er immers toe strekt te voorkomen dat het regenwater dat van het dak af stroomt, op het erf van [geïntimeerden] komt. In zoverre is ook onjuist de stelling van [appellant] dat het garagedak zijn functie zonder goot zou kunnen vervullen. In die situatie zou het water van het dak immers in strijd met het bepaalde in artikel 5:52 lid 1 BW op het erf van [geïntimeerden] stromen.

12. Dat de goot constructief ook aan de muur is verbonden doet aan de (afwaterings)functie van de goot ten behoeve van de garage niet af en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel over de vraag waarvan de goot bestanddeel is. Dat de goot, zoals [appellant] stelt, op geen enkele wijze verbonden is aan het dak, is noch uit de tekening die ter comparitie en bij akte in het geding is gebracht, noch uit de foto’s die zijn overgelegd bij brief van 6 april 2016, af te leiden. In ieder geval maakt de goot ook naar uiterlijke verschijningsvorm deel uit van het dak van de garage.

13. Grief II faalt daarom en datzelfde geldt voor grief III, die daarop voortbouwt. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de goot ook mandelig is. Dat brengt mee dat moet worden geconcludeerd dat uitsluitend [appellant] verantwoordelijk is voor het onderhoud van de goot en aansprakelijk is voor de schade die ontstaat indien de goot gebrekkig is.

14. De stelling in randnummer 40 van de memorie van grieven dat de schade is veroorzaakt doordat [geïntimeerden] nalaten het dak van de uitbouw van hun woning schoon te houden en dat [geïntimeerden] in zoverre niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht ingevolge artikel 6:101 BW is tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerden] niet van een voldoende onderbouwing voorzien en wordt dus gepasseerd.

15. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de vochtschade is veroorzaakt door de destijds gebrekkige dakgoot en door de destijds gebrekkige dakbedekking. Grief I is uitsluitend gericht tegen het oordeel dat de gebrekkige dakbedekking een rol heeft gespeeld bij het veroorzaken van de vochtschade. Nu de grief niet is gericht tegen het oordeel dat de vochtschade ook is veroorzaakt door een gebrek aan de dakgoot, en dat na het herstel van de dakgoot er geen nieuwe vochtschade is opgetreden en hierboven is geoordeeld dat uitsluitend [appellant] voor die dakgoot verantwoordelijk is, kan in het midden blijven of de dakbedekking ook een rol heeft gespeeld bij het veroorzaken van de schade. Als immers moet worden aangenomen dat de dakbedekking niet gebrekkig is, is de logische consequentie daarvan dat de lekkage geheel is veroorzaakt door het gebrek aan de goot. Grief I kan dus niet tot een ander oordeel leiden.

16. Grief IV heeft na het bovenstaande geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven. Het bewijsaanbod dat [appellant] heeft geformuleerd voldoet niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep moeten worden gesteld en wordt dus reeds op die grond gepasseerd. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 september 2016;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 313,- aan griffierecht en € 2.685,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, T.G. Lautenbach en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.