Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2482

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
BK-17/00492
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:3695, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, X, heeft geheel 2013 gewerkt op een binnenschip met een Rijnvaartcertificaat en een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd op Cyprus. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven waarin de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is verklaard. De Inspecteur heeft voor het jaar 2013 geen vrijstelling premieheffing volksverzekeringen verleend. De CRvB heeft bij uitspraak van 28 februari 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:852, de A1-verklaring correct bevonden. Voor de juistheid van het standpunt van de gemachtigde dat belanghebbende op een ander schip heeft gevaren is gelet op de uitspraak van de CRvB en de verklaringen van belanghebbende zelf in het dossier geen grondslag te vinden. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, kan niet aan een afgegeven Al-verklaring worden voorbijgegaan zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig verklaard. Van belanghebbende zijn terecht premies volksverzekeringen geheven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de Inspecteur uitlatingen zijn gedaan waaraan hij redelijkerwijs het vertrouwen kan ontlenen dat de Inspecteur de situatie van belanghebbende zoals die gelet op de uitspraak van de CRvB voor het jaar 2013 is komen vast te staan heeft beoordeeld en ter zake bewust het standpunt heeft ingenomen dan wel aan belanghebbende de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende voor 2013 geen premies volksverzekeringen is verschuldigd. Het Hof wijst het verzoek om vergoeding van (im)materiële schade af. De gemachtigde heeft de stelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de onderhavige zaak laten varen. Het beroep en het hoger beroep zijn ongegrond. Voor een (integrale) proceskostenvergoeding en schadevergoeding op grond art. 8:73 AWB is dan geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2019
FutD 2019-2529
V-N Vandaag 2019/2131
Viditax (FutD), 13-03-2020
NTFR 2019/2546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00492

Uitspraak van 18 september 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 april 2017, nummer SGR 16/7655.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.416 (de aanslag). Bij beschikking is € 766 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag en de beschikking belastingrente gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft het Hof de volgende nadere stukken ontvangen:

- op 14 juli 2017, 25 september 2017, 22 november 2017, 28 november 2017 en 4 december 2017 van de zijde van belanghebbende;

- op 21 november en 30 november 2017 van de zijde van de Inspecteur.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 december 2017. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen met kenmerken BK-17/00418 en BK-17/00488 betreffende andere zogenoemde Rijnvarenden. Hetgeen ter zitting wordt aangevoerd in een van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken tenzij dat niet op de betreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is voor elke zaak een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt dat op 19 januari 2018 aan partijen in afschrift is gezonden.

1.6.

Het Hof heeft partijen bij de brief van 19 januari 2018 laten weten dat het het onderzoek van de zaak heropent. Vervolgens heeft tussen het Hof en partijen de volgende briefwisseling plaatsgevonden:

- Faxbericht van 31 januari 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 5 februari 2018 van de Inspecteur;

- Brief van 12 februari 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 28 februari 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 9 maart 2018 van het Hof;

- Brief van 19 maart 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 2 april 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 3 april 2018 van de Inspecteur;

- Brief van 17 april 2018 van het Hof;

- Faxbericht van 20 april 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 28 augustus 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 8 september 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief Hof 18 april 2019 van het Hof;

- Brief van 29 april 2019 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 14 mei 2019 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 27 mei 2019 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 19 juni 2019 en 21 juni 2019 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Faxbericht van 27 juni 2019 van de gemachtigde van belanghebbende.

De correspondentie van een partij is steeds in afschrift aan de wederpartij gezonden.

1.7.

Een nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 juli 2019. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de in 1.5 vermelde hoger beroepen. Hetgeen ter zitting is aangevoerd in een van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken tenzij dat niet op de betreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is voor elke zaak een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1977, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in [Z] .

2.2.

Belanghebbende heeft in het jaar 2013 in loondienst gewerkt op binnenschepen die varen binnen de Europese Unie, voornamelijk in het stroomgebied van de Rijn. De werkzaamheden werden volgens de verklaring van belanghebbende die op 8 december 2015 bij de Belastingdienst is binnengekomen en een e-mailbericht van 7 augustus 2016 van de gemachtigde van belanghebbende verricht op de volgende schepen:

Periode

Binnenschip

Eigenaar/exploitant

1 januari t/m 15 januari

[D] (thans [D] )

[E] , [F]

16 januari t/m 1 maart

Niet bekend

1 maart t/m 30 september

[G]

Beheersmaatschappij mts. [G] B.V. h.o.d.n. [G] B.V. te [H]

1 oktober t/m 31 december

[I]

[J] CV [K] .

De hierboven vermelde schepen worden hierna aangeduid als: de schepen.

De schepen staan in Nederland geregistreerd.

2.3.

Belanghebbende stond het gehele jaar 2013 op de loonlijst van [L] Limited te [M] , Cyprus ( [L] ).

2.4.

Door de Inspectie Leefomgeving en Transport zijn ten behoeve van voornoemde schepen Rijnvaartverklaringen afgegeven.

2.5.

[L] heeft zich met betrekking tot het onderhavige tijdvak niet bij de Inspectie Leefomgeving en Transport gemeld als exploitant van de schepen. Evenmin hebben de in 2.2 genoemde eigenaren gemeld bij genoemde Inspectie dat sprake is van exploitatie van de schepen door een ander dan henzelf.

2.6.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.106. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur een bedrag van € 2.690 aan ingehouden sociale zekerheidspremies (“social insurance fund”) in aftrek aanvaard en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 32.416. Het bedrag aan ingehouden loonheffing heeft de Inspecteur vastgesteld op nihil. Belanghebbende heeft in bezwaar om vrijstelling van premies volksverzekeringen verzocht.

2.7.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft op 24 juni 2014 aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven, waarin is vermeld dat vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 op hem de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [L] . De SVB heeft het bezwaar tegen de A1-verklaring afgewezen. [L] heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:1578, heeft Rechtbank Noord-Nederland het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de SVB opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De SVB en [L] hebben tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

2.8.

De CRvB heeft op 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469, de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland bevestigd en de SVB opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De SVB heeft op 20 maart 2018 het bezwaar gegrond verklaard en de beslissing en de A1-verklaring van 24 juni 2014 herroepen. Vervolgens heeft de SVB een nieuw besluit genomen, waarin op grond van artikel 16, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 987/2009 ten aanzien van belanghebbende over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is verklaard, en een nieuwe A1-verklaring gegeven voor deze periode.

2.9.

[L] heeft tegen het besluit van de SVB beroep ingesteld bij de CRvB. De CRvB heeft op 28 februari 2019, ECLI:NL:2019:852, het beroep ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen.

“Premievrijstelling

5. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) 987/2009 door de SVB bij besluit van 24 juni 2014 aan [belanghebbende] een A1-verklaring is afgegeven, waarin is vastgesteld dat op basis van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 de Nederlandse sociale wetgeving op hem van toepassing is. Anders dan [belanghebbende] meent, volgt uit de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2016, niet dat de A1-verklaring is vernietigd. Het vernietigde besluit betreft immers alleen de beslissing op het bezwaar (het bestreden besluit) tegen de A1-verklaring. De rechtbank Noord-Nederland heeft de SVB daarbij opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar maar dit heeft niet tot gevolg dat de aan [belanghebbende] verstrekte A1-verklaring niet langer geldig is. De SVB heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Uit de brief van de SVB van 5 juli 2016 is evenmin af te leiden dat de SVB zelf van mening is dat de A1-verklaring is vernietigd aangezien de SVB er in die brief ook aan refereert dat de besluiten (aldus de beslissingen op bezwaar) in de uitspraken van 30 maart 2016 van rechtbank Noord-Nederland zijn vernietigd. Het andersluidende betoog van [belanghebbende] berust op een onjuiste lezing van de brief van 5 juli 2016. Ook de omstandigheid dat de A1-verklaring niet is ondertekend, brengt niet mee dat de A1-verklaring niet rechtsgeldig is, nu een handtekening geen wettelijk vereiste is voor de geldigheid van een besluit (vgl. Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP8310).

6. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of andere instanties in Nederland, waaronder de Belastingdienst, gebonden zijn aan de A1-verklaring zoals die is afgeven door de SVB voor het jaar 2013. Daarmee verschilt de onderhavige situatie van die waarop de tekst van artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 ziet en van die waarover het Hof van Justitie EU (vgl. HvJ EU 10 februari 2000, C-2002/97 (Fitzwilliam), HvJ EU 30 maart 2000, nr. C-178/97 (B. Banks e.a.), HvJ EU van 26 januari 2006 C-2/05 (Herbosch Kiere NV)) en de Hoge Raad (vgl. Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0987) hebben beslist. Blijkens voornoemd artikel en voornoemde rechtspraak is de ontvangende lidstaat van de Europese Unie gebonden aan de verklaring van de andere lidstaat. In deze procedure gaat het echter om de vraag of andere instanties van de lidstaat van afgifte gebonden zijn aan de verklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding de A1-verklaring in een geval als het onderhavige niet bindend te achten voor de instanties van de lidstaat van afgifte. De Verordening (EG) nr. 987/2009 verzet zich daar niet tegen en het is onwenselijk dat de betrokkenen (te weten enerzijds de werknemer, maar ook [de Inspecteur]/de belastingrechter en anderzijds de SVB/de algemene bestuursrechter) worden belast met twee procedures over in wezen één en hetzelfde geschil. Ook zou zich dan het gevaar voordoen dat de twee (rechterlijke) procedures zouden leiden tot verschillende (rechterlijke) beslissingen inzake hetzelfde geschil. De rechtbank sluit derhalve voor de toepasselijke sociale wetgeving aan bij de A1-verklaring zoals die door de SVB is afgegeven, in dit geval de Nederlandse sociale wetgeving. De overige grieven van [belanghebbende] die zich richten tegen de afgegeven A1-verklaring, kan de rechtbank niet beoordelen, nu niet de belastingrechter doch slechts de bestuursrechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen.

7. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank aan de inhoudelijke toets of [belanghebbende] een substantieel gedeelte van de tijd in Nederland heeft gewerkt als bedoeld in artikel 13 van de Verordening (EG) 883/2004 niet meer toe. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht geen vrijstelling van premie volksverzekeringen verleend.

Verrekening van voorheffing

8. Ten aanzien van het standpunt van [belanghebbende] dat ziet op het nettoloon en de verrekening van loonheffing overweegt de rechtbank het volgende. In gevallen waarin een werkgever en een werknemer een nettoloon zijn overeengekomen, in die zin dat de werkgever zich heeft verplicht de loonheffing voor zijn rekening te nemen, is van - voor verrekening in aanmerking komende - ingehouden loonheffing sprake, indien een werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert voor de later op aangifte af te dragen loonheffing. Als, zoals hier het geval is, inhouding van loonheffing niet heeft plaatsgevonden, maar de werknemer te goeder trouw is - dat wil zeggen meende en ook redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen -, mag de in feite niet ingehouden loonheffing toch worden verrekend (vgl. Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9784). Van een dergelijke situatie is hier echter geen sprake. De rechtbank leidt uit hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd af dat werd voorzien dat [belanghebbende] in Nederland belastingplichtig zou zijn voor de inkomstenbelasting. Daarom is tussen [belanghebbende] en [N] afgesproken dat hij een nettoloon zou ontvangen en dat later - na ontvangst van een aanslag ter zake - aan [belanghebbende] de verschuldigde inkomstenbelasting zou worden vergoed. [L] was, gelet op de plaats van vestiging, niet inhoudingsplichtig voor de loonheffing. Uit de door [belanghebbende] overgelegde salarisstroken van [L] blijkt ook dat op het salaris van [belanghebbende] geen belasting werd ingehouden, maar louter premies. Nu deze inhoudingen geen Nederlandse loonheffing betreffen, moet het ervoor worden gehouden dat [belanghebbende] wist dan wel redelijkerwijze had kunnen weten dat op zijn loon geen Nederlandse loonheffing zou worden ingehouden. Van goede trouw als hiervoor bedoeld is derhalve geen sprake. Gelet op het vorenstaande bestaat geen recht op verrekening van voorheffing.”

Geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in 2013 in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

4.2.

Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van integrale proceskosten en vergoeding van (im)materiële schade wegens onrechtmatige daad. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag premieheffing volksverzekeringen tot nihil en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de integrale proceskosten en van materiële en immateriële schade.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Premieplicht

5.1.

Vast staat dat belanghebbende in 2013 in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, was belanghebbende in dat jaar Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

5.2.

In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

5.3.

Belanghebbende stelt dat hij, in afwijking van de in 5.1 vermelde hoofdregel, in de in geding zijnde periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is. Het is aan belanghebbende feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat hij in die periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen is. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende daarin niet is geslaagd.

5.4.

De SVB heeft bij besluit van 20 maart 2018 op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) 987/2009 aan belanghebbende een A1-verklaring afgegeven, waarin is vastgesteld dat op basis van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is.

5.5.

De CRvB heeft op 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852 - voor zover van belang - met betrekking tot deze A1-verklaring en de verzekeringspositie van belanghebbende het volgende overwogen:

“3.1. Voor de beoordeling van de 45 in de bijlage aangeduide beroepen is allereerst de uitspraak van de Raad van 29 december 2017 van belang. Tegen deze uitspraak, waarnaar de Raad kortheidshalve verwijst, is geen cassatieberoep ingesteld.

3.2.

In de uitspraak van de Raad van 29 december 2017 is de Svb opgedragen om nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van [L] en betrokkenen tegen de onder 1.2 vermelde besluiten waarin de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op betrokkenen van toepassing is verklaard vanaf het moment dat zij op de loonlijst van [L] stonden. De Svb moest daarbij beslissen en kenbaar maken aan de hand van welke graadmeters wordt beoordeeld of in Nederland wonende opvarenden van binnenvaartschepen al dan niet geacht worden een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden te verrichten in Nederland. Verder diende de Svb opnieuw vast te stellen of betrokkenen over de periodes in geding al dan niet onderworpen zijn geweest aan de Nederlandse wetgeving.

3.3.

Bij de bestreden besluiten heeft de Svb vastgesteld:

(…)

- dat vanaf het moment dat zij op de loonlijst van [L] stonden, de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op de 33 overige betrokkenen.

Bij het van toepassing achten van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op deze 33 betrokkenen heeft de Svb in aanmerking genomen dat de [O] , de [P] , de [Q] , de [R] , de [S] , de [T] en de [U] rijnvaartschepen zijn met een in Nederland gevestigde exploitant.

(…)

3.4.

In de nu voorliggende gedingen moet de Raad, voor zover dat nog tussen partijen in geschil is, de vraag beantwoorden of de Svb bij de bestreden besluiten op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 29 december 2017.

4. De Raad oordeelt als volgt.

(…)

4.2.6.1. In de bestreden besluiten heeft de Svb te kennen gegeven:

“Bij de beoordeling van het aantal uren dat een persoon werkzaam is in Nederland gaat de SVB uit van de vaar- en ligtijden van het binnenvaartschip waarop wordt gewerkt. De omvang van de activiteiten van het schip in Nederland wordt door de SVB gezien als indicatie voor de omvang van de werkzaamheden in Nederland van de werknemers. Daarbij kan de SVB ook rekening houden met vaartijden van het schip over eerdere dan wel latere perioden. Daarnaast wordt gekeken naar andere informatie, zoals dienstboekjes van werknemers, reisverslagen, verklaringen van individuele werknemers en algemene informatie die beschikbaar is over de binnenvaart. Naast informatie over het aantal uren dat in Nederland wordt gewerkt kijkt de SVB naar de aanknopingspunten van de arbeidsovereenkomst met een lidstaat, zoals de lidstaat van vestiging van de eigenaar en de exploitant en de thuishaven van het schip, de lidstaat van werving en of de werkzaamheden veelal aanvangen en eindigen in Nederland. Indien in het geheel geen informatie is verstrekt over het schip waarop wordt gewerkt dan besluit de SVB op beredeneerde vermoedens. In geval van binnenvaart betekent dit dat de SVB aanneemt dat wordt gevaren op een schip met een Nederlandse eigenaar en exploitant en dat er substantieel in Nederland wordt gevaren. De SVB baseert dit vermoeden op algemene informatie over de binnenvaart en het aandeel daarvan van Nederland alsmede de frequentie waarmee het Nederlandse vaarwegennetwerk wordt bevaren door binnenvaartschepen. Indien bekend, wordt bij de beoordeling rekening gehouden met informatie over de gemiddelde omvang van werkzaamheden in Nederland door vergelijkbare werknemers binnen een onderneming.”

4.2.6.2. De Svb heeft wat is weergegeven onder 4.2.6.1, nader toegelicht, in die zin dat te kennen gegeven is dat de Svb bij de beoordeling van de arbeidstijd van werknemers in de binnenvaart, de vaar- en ligtijden van de betrokken binnenvaartschepen als uitgangspunt hanteert, tenzij betrokkenen zich daarmee niet verenigen en zij tijdig, concreet, transparant en sluitend aantonen wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, hun werkelijke individuele arbeidstijd is in hun woonstaat en buiten hun woonstaat.

4.2.6.3. De Raad is van oordeel dat de onder 4.2.6.1 weergegeven graadmeters, zoals de Svb deze nader heeft toegelicht, stroken met de regels die zijn opgenomen in artikel 13 van Vo. 883/2004, artikel 14 van Vo. 987/2009, de onder 4.2.3.2 en 4.2.3.3 aangehaalde delen van de Praktische gids, en wat de Raad in zijn uitspraak van 29 december 2017 ter zake heeft overwogen. Het gegeven dat de Svb ingevolge artikel 16 van Vo. 987/2009 verplicht is om de op betrokkenen toepasselijke wetgeving onverwijld vast te stellen en daarbij ingevolge artikel 14, tiende lid, van Vo. 987/2009 rekening moet houden met de verwachte situatie in de volgende twaalf kalendermaanden, brengt met zich mee dat de Svb bij de toepassing van artikel 13 van Vo. 883/2004 – zeker ten aanzien van flexibel inzetbare werknemers zoals betrokkenen – geen graadmeters kan hanteren die in elke denkbare situatie precies passend zijn. Een zekere grofmazigheid in vaststellingsmethodiek kan worden gerechtvaardigd door het belang dat de Uniewetgever hecht aan snelle besluitvorming en het vermijden van al te veel fluctuaties in de verzekeringspositie van werknemers door – bijvoorbeeld – ziekte en verlof. Indien werkgevers en werknemers de gevolgen van deze gerechtvaardigde mate van grofmazigheid in vaststellingsmethodiek willen voorkomen, ligt het – gelet op artikel 76, vierde lid, van Vo. 883/2004 en artikel 3, tweede lid, van Vo. 987/2009 – op hun weg om tijdig, concreet, transparant en sluitend aan te tonen wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, de werkelijke individuele arbeidstijd is in en buiten de woonstaat van de werknemers in de binnenvaart die hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer EU-lidstaten.

(…)

4.3.1.1. De Svb heeft een op de gedingstukken gebaseerd overzicht overgelegd waarop, geordend per binnenvaartschip, is vermeld:

- wanneer elk van de betrokkenen op de loonlijst van [L] stond;

- op welk binnenvaartschip elk van de betrokkenen toen werkte;

- wie toen de eigenaren en exploitanten waren van de betreffende binnenvaartschepen,

- wat de Svb bij de bestreden besluiten heeft vastgesteld ten aanzien van het percentage werkzaamheden dat elk van de betrokkenen destijds in Nederland verrichtte; en

- welke socialezekerheidswetgeving de Svb bij de bestreden besluiten op elk van de betrokkenen van toepassing heeft verklaard.

4.3.1.2. [L] en betrokkenen hebben uitdrukkelijk niet betwist dat de op de door het Svb overgelegde overzicht vermelde gegevens juist zijn.

(…)

4.3.1.3. De onder 4.3.1.2 weergegeven stellingname van [L] en betrokkenen doet niet af aan wat de Raad onder punt 4.2.6.3 heeft overwogen. [L] en betrokkenen hebben – voor zover nog van belang – niet tijdig, concreet, transparant en sluitend aangetoond wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, de werkelijke individuele arbeidstijden van betrokkenen waren. Daarom gaat de Raad hierna in zijn beoordeling uit van de juistheid van wat is vermeld op het door de Svb overgelegde overzicht.

(…)

4.3.2.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb bij de bestreden besluiten die betrekking hebben op de verzekeringspositie van de opvarenden van de [O] , niet op toereikende gronden aangenomen dat betrokkenen een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichtten in hun woonstaat Nederland. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze betrokkenen in heel 2013 op de loonlijst van [L] hebben gestaan en in 2014 maar kort, en dat de op het overzicht vermelde percentages naar boven toe zijn afgerond, zodat valt aan te nemen dat de opvarenden van de [O] ten tijde van belang minder dan 20% in Nederland hebben gewerkt. (…) Het bestreden besluit met betrekking tot de verzekeringspositie van de betrokkene in het beroep met het registratienummer 18/2441 AOW heeft de Svb terecht en in overeenstemming met de uitgangspunten die zijn weergegeven onder 4.2.6.1 gebaseerd op beredeneerde vermoedens. Anders dan gesteld kan ten aanzien van deze betrokkene niet uit het vaartijdenboekje worden afgeleid dat hij in de periode in geding voer op de [O] .

4.3.2.4. Punt 4.3.2.3 leidt tot de conclusie dat de in de bijlage onder de nummers 1 tot en met 5 aangeduide beroepen slagen.

(…)

4.7.

Conclusies betreffende de verzekeringspositie van betrokkenen

4.7.1.

Wat onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat de in de bijlage aangeduide beroepen 1 tot en met 5 en 25 tot en met 36 slagen en dat de overige beroepen falen.

(…)

5.2.8.

Ten aanzien van het merendeel van de betrokkenen is, na de vernietiging van de besluiten van december 2014, bij de besluiten van februari en maart 2018 opnieuw de Nederlandse wetgeving aangewezen. Met betrekking tot de opvarenden van de [P] , de [Q] , de [V] , de [R] , de [W] de [Y] de [A1] , de [B1] en de [C1] , alsmede in zaak 18/2441, zijn de besluiten van februari en maart 2018 naar het oordeel van de Raad correct. Ten aanzien van deze betrokkenen is daarmee bij de besluiten van februari en maart 2018 in hoofdzaak hetzelfde rechtsgevolg in het leven geroepen als voortvloeide uit de vernietigde besluiten. Daaruit volgt dat deze vernietigde besluiten voor [L] niet tot schade hebben geleid.

Bijlage:

37.

18/2441 AOW

Beroep [L] Ltd., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [X] , geen deelname ex art. 8:26 Awb)

01-01-2013 t/m 28-02-2014, Vaartuig onbekend

5.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat belanghebbende in 2013 op de [O] heeft gevaren. Voor de juistheid van dat standpunt is in de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019 geen grondslag te vinden. Gezien de verklaringen van belanghebbende zelf in de aanslagregelende fase en de bezwaarfase alsmede de verklaring van de Inspecteur dat belanghebbende in het vaartijdenboek niet voorkomt, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding bestaat om van andere feiten uit te gaan dan waarvan de CRvB in zijn uitspraak is uitgegaan.

5.7.

De uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019 houdt in dat het besluit van de SVB van 20 maart 2018 in stand blijft. Dat betekent ook dat de op dezelfde datum afgegeven Al­verklaring in stand blijft. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, kan niet aan een afgegeven Al-verklaring worden voorbijgegaan zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig verklaard. Gelet op de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019 in samenhang bezien met het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 moet worden geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2013 verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Belanghebbende heeft geen recht op vrijstelling van de verschuldigde premies volksverzekeringen.

5.8.

Voor zover belanghebbende stelt dat hij gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan de uitlating van mevrouw [D1] van de Belastingdienst, inhoudende dat zij zijn zaak heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat de schepen voor minder dan 25% van de tijd in Nederland hebben gevaren, verwerpt het Hof die stelling. Uit de gedingstukken komt niet naar voren dat de uitlating van mevrouw [D1] betrekking heeft op belanghebbende. In het door belanghebbende overgelegde citaat in de brief van 26 augustus 2016 zijn de namen van de belastingplichtigen doorgehaald. Niet is komen vast te staan dat deze in dezelfde situatie verkeren als belanghebbende in het betreffende jaar. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de Inspecteur uitlatingen zijn gedaan waaraan hij redelijkerwijs het vertrouwen kan ontlenen dat de Inspecteur de situatie van belanghebbende zoals die, gelet op de uitspraak van de CRvB, voor het jaar 2013 is komen vast te staan, heeft beoordeeld en ter zake bewust het standpunt heeft ingenomen dan wel aan belanghebbende de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende voor 2013 geen premies volksverzekeringen is verschuldigd.

Vergoeding (im)materiële schade

5.9.

De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat hij niet langer de overschrijding van de redelijke termijn als grond aanvoert voor zijn verzoek om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende geleden (im)materiële schade.

5.10.

Voor zover belanghebbende aan zijn verzoek om veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade ten grondslag legt dat de SVB tot tweemaal toe een besluit heeft genomen dat door de CRvB is vernietigd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, merkt het Hof het volgende op. De SVB is geen partij in de onderhavige procedure en niet gezegd kan worden dat het handelen van de SVB aan de Inspecteur kan worden toegerekend. Reeds daarom wordt het verzoek afgewezen.

5.11.

Voor zover het verzoek om veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade ziet op vergoeding van de integrale kosten van beroepsmatige rechtsbijstand, wijst het Hof dat verzoek af omdat het bezwaar, beroep en hoger beroep ongegrond zijn. Daarnaast geldt dat de Inspecteur steeds ervan is uitgegaan dat belanghebbende in Nederland was verzekerd voor de volksverzekeringen, omdat belanghebbende in 2013 voer op een schip dat voorzien was van een certificaat voor de Rijnvaart en geëxploiteerd werd door een in Nederland gevestigde exploitant, en de SVB ten behoeve van belanghebbende een A1-verklaring had gegeven waarbij de SVB hem als verzekerde in Nederland had aangemerkt voor deze periode. Niet kan worden gezegd dat de Inspecteur aldus in de bezwaar- en beroepsfase een bij voorbaat onhoudbaar standpunt heeft ingenomen en dat tot in hoger beroep heeft gehandhaafd. De Inspecteur dient zich immers te richten naar de verklaring van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44).

5.12.

Het hoger beroep is op grond van het vorenoverwogene ongegrond. Voor een vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 Awb is reeds daarom geen plaats.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Evenmin is er aanleiding vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 18 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.