Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2480

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
BK-17/00418
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:1972, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, X, heeft geheel 2013 gewerkt op een binnenschip met een Rijnvaartcertificaat en een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd op Cyprus. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven waarin de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is verklaard. De Inspecteur heeft voor het jaar 2013 geen vrijstelling premieheffing volksverzekeringen verleend. Na de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852, dat de SVB de Belgische wetgeving van toepassing had moeten verklaren, zijn partijen het erover eens dat de aanslag premieheffing moet worden vernietigd. Het Hof wijst het verzoek om vergoeding van (im)materiële schade af. De gemachtigde heeft de stelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de onderhavige zaak laten varen. Voor zover X aan zijn verzoek ten grondslag legt dat de SVB tot tweemaal toe een besluit heeft genomen dat door de CRvB is vernietigd, geldt dat de SVB geen partij is in de onderhavige procedure en niet gezegd kan worden dat het handelen van de SVB aan de Inspecteur kan worden toegerekend. Het verzoek om vergoeding van integrale kosten van beroepsmatige rechtsbijstand wijst het Hof eveneens af. De Inspecteur heeft in de bezwaar- en beroepsfase niet een bij voorbaat onhoudbaar standpunt ingenomen en dat tot in hoger beroep gehandhaafd. De Inspecteur dient zich te richten naar de SVB-verklaring dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2019
FutD 2019-2530
V-N Vandaag 2019/2123
V-N 2020/2.26.7
NTFR 2019/2544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00418

Uitspraak van 18 september 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag

(de Rechtbank) van 28 februari 2017, nummer SGR 16/7682.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.555 (de aanslag). Bij beschikking is € 179 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft het Hof de volgende nadere stukken ontvangen:

- op 14 juli 2017, 25 september 2017, 22 november 2017, 28 november 2017 en 4 december 2017 van de zijde van belanghebbende;

- op 21 november en 30 november 2017 van de zijde van de Inspecteur.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 december 2017. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen met kenmerken BK-17/00488 en BK-17/00492 betreffende andere zogenoemde Rijnvarenden. Hetgeen ter zitting wordt aangevoerd in een van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken, tenzij dat niet op de betreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is voor elke zaak een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt dat op 19 januari 2018 aan partijen in afschrift is gezonden.

1.6.

Het Hof heeft partijen bij brief van 19 januari 2018 laten weten dat het het onderzoek van de zaak heropent. Vervolgens heeft tussen het Hof en partijen de volgende briefwisseling plaatsgevonden:

- Faxbericht van 31 januari 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 5 februari 2018 van de Inspecteur;

- Brief van 12 februari 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 28 februari 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 9 maart 2018 van het Hof;

- Brief van 19 maart 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 2 april 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 3 april 2018 van de Inspecteur;

- Brief van 17 april 2018 van het Hof;

- Faxbericht van 20 april 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 28 augustus 2018 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 8 september 2018 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief Hof 18 april 2019 van het Hof;

- Brief van 29 april 2019 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 14 mei 2019 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Brief van 27 mei 2019 van de Inspecteur;

- Faxbericht van 19 juni 2019 en 21 juni 2019 van de gemachtigde van belanghebbende;

- Faxbericht van 27 juni 2019 van de gemachtigde van belanghebbende.

De correspondentie van een partij is steeds in afschrift aan de wederpartij gezonden.

1.7.

Een nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 juli 2019. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de in 1.5 vermelde hoger beroepen. Hetgeen ter zitting is aangevoerd in een van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken tenzij dat niet op de betreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is voor elke zaak een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1989, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in [Z] .

2.2.

Belanghebbende heeft het gehele jaar 2013 gewerkt aan boord van het binnenvaartschip [D] (het schip). Het schip is een in Nederland geregistreerd tankschip en eigendom van [I] , woonachtig te [F] , en van [J] en [H] , beiden ook woonachtig in Nederland.

2.3.

De bevoegde Nederlandse autoriteit - de Inspectie Leefomgeving en Transport (voorheen de Inspectie van Verkeer en Waterstaat) - heeft ten behoeve van het schip een certificaat afgegeven als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte (het certificaat). Hierop is V.O.F. Scheepvaartbedrijf [K] gevestigd te [F] ( [K] ) als exploitant vermeld en de hiervoor vermelde heren [I en J] en [H] als eigenaren.

2.4.

Belanghebbende stond het gehele jaar 2013 op de loonlijst van [L] Limited te [M] , Cyprus ( [L] ).

2.5.

[L] heeft zich met betrekking tot het onderhavige tijdvak niet bij de Inspectie Leefomgeving en Transport gemeld als exploitant van het schip. Evenmin hebben de in 2.2. genoemde eigenaren gemeld bij genoemde Inspectie dat sprake is van exploitatie van het schip door een ander dan henzelf.

2.6.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.555. In de aangifte heeft belanghebbende om vrijstelling van premies volksverzekeringen verzocht en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

2.7.

De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld zonder de gevraagde vrijstelling van premieheffing en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.

2.8.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft op 24 juni 2014 aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven, waarin is vermeld dat vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 op hem de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [L] . De SVB heeft het bezwaar tegen de A1-verklaring afgewezen. [L] heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:1578, heeft Rechtbank Noord-Nederland het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de SVB opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De SVB en [L] hebben tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

2.9.

De CRvB heeft op 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469, de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland bevestigd en de SVB opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op bezwaar. De SVB heeft op 20 maart 2018 het bezwaar gegrond verklaard en de beslissing en de A1-verklaring van 24 juni 2014 herroepen. Vervolgens heeft de SVB een nieuw besluit genomen, waarin op grond van artikel 16, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 987/2009 ten aanzien van belanghebbende over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is verklaard, en een nieuwe A1-verklaring gegeven voor deze periode.

2.10.

[L] heeft tegen het besluit van de SVB beroep ingesteld bij de CRvB. De CRvB heeft bij uitspraak van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852, geoordeeld dat de SVB de Belgische wetgeving van toepassing had moeten verklaren over de periode dat de opvarenden, waaronder belanghebbende, op de loonlijst van [L] stonden, dat de uitspraak op bezwaar van de SVB van 20 maart 2018 niet in stand kan blijven en dat de SVB een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De SVB heeft op 21 juni 2019 beslist dat op belanghebbende in de periode 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014 niet de Nederlandse maar de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De SVB heeft de A1-verklaring van 20 maart 2018 ingetrokken.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen.

“9. De rechtbank stelt vast dat door de SVB bij besluit van 24 juni 2014 op grond artikel 16 van de Verordening (EG) 987/2009 aan [belanghebbende] een A1-verklaring is afgegeven, waarin is vastgesteld dat op basis van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing is. Anders dan [belanghebbende] meent, volgt uit de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2016, niet dat deze A1-verklaring is vernietigd. Het vernietigde besluit betreft immers alleen de uitspraak op bezwaar (het bestreden besluit) tegen deze A1-verklaring. De rechtbank Noord-Nederland heeft de SVB daarbij opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar maar dit heeft niet tot gevolg dat de aan [belanghebbende] verstrekte A1-verklaring niet langer geldig is. De SVB heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Uit de brief van de SVB van 5 juli 2016 is evenmin af te leiden dat de SVB zelf van mening is dat de A1-verklaring is vernietigd, aangezien de SVB er in die brief ook aan refereert dat de besluiten (aldus de beslissingen op bezwaar) in de uitspraken van 30 maart 2016 van rechtbank Noord-Nederland zijn vernietigd. Het andersluidende betoog van [belanghebbende] berust op een onjuiste lezing van de brief van 5 juli 2016.

10. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of andere instanties in Nederland, waaronder de Belastingdienst, gebonden zijn aan een A1-verklaring zoals die is afgeven door de SVB voor het jaar 2013. Daarmee verschilt de onderhavige situatie van die waarop de tekst van artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 ziet en van die waarover het Hof van Justitie EU (HvJ EU van 10 februari 2000, C-2002/97 (Fitzwilliam), HvJ EU 30 maart 2000, nr. C-178/97 (B. Banks e.a.), HvJ EU van 26 januari 2006 C-2/05 (Herbosch Kiere NV) en de Hoge Raad (HR 28 maart 2001, nr. 33567, BNB 2002/395, ECLI:NL:HR:2001:AB0987) hebben beslist. Blijkens voornoemd artikel en voornoemde rechtspraak is de ontvangende lidstaat van de Europese Unie gebonden aan de verklaring van de andere lidstaat. In deze procedure gaat het echter om de vraag of andere instanties van de lidstaat van afgifte gebonden zijn aan de verklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding de A1-verklaring in een geval als het onderhavige niet bindend te achten voor de instanties van de lidstaat van afgifte. De Verordening (EG) nr. 87/2009 verzet zich daar niet tegen en het is onwenselijk dat een werknemer alsmede enerzijds [de Inspecteur] en de belastingrechter en anderzijds de SVB en de algemene bestuursrechter worden belast met twee procedures over in wezen één en hetzelfde geschil. Ook zou zich dan het gevaar voordoen dat de twee (rechterlijke) procedures zouden leiden tot verschillende (rechterlijke) beslissingen inzake hetzelfde geschil. De rechtbank sluit derhalve voor de toepasselijke sociale wetgeving aan bij A1-verklaring zoals die door de SVB is vastgesteld, in dit geval de Nederlandse sociale wetgeving. De overige grieven van belanghebbende die zich richten tegen de afgegeven A1-verklaring kan de rechtbank niet beoordelen, nu niet de belastingrechter doch slechts de bestuursrechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen.

11. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank aan de inhoudelijke toets of [belanghebbende] een substantieel gedeelte in Nederland heeft gewerkt als bedoeld in artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 niet meer toe.

12. Ten aanzien van het standpunt van [belanghebbende] dat ziet op het netto loon en de verrekening van loonheffing overweegt de rechtbank het volgende. In gevallen waarin een werkgever en een werknemer een netto loon zijn overeengekomen, is van - voor verrekening in aanmerking komende - ingehouden loonheffing sprake, indien een werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert met het oogmerk de loonheffing later op aangifte af te dragen. Als, zoals hier het geval is, inhouding van loonheffing niet heeft plaatsgevonden, maar de werknemer te goeder trouw mocht menen dat daarvan wel sprake was, mag de in feite niet ingehouden loonheffing toch worden verrekend (vgl. Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9784). Van een dergelijke situatie is hier echter geen sprake. De rechtbank leidt uit hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd af dat werd voorzien dat [belanghebbende] in Nederland belastingplichtig zou zijn voor de inkomstenbelasting. Daarom is tussen [belanghebbende] en diens werkgever [L] afgesproken dat hij een netto loon zou ontvangen en dat later aan [belanghebbende] - na ontvangst van een aanslag ter zake - de verschuldigde inkomstenbelasting zou worden vergoed. [L] was bovendien, gelet op de plaats van vestiging, niet inhoudingsplichtig voor de loonheffing. Nu gelet op het vorenstaande niet gebleken is dat er Nederlandse loonheffing is ingehouden en [belanghebbende] daarvoor overigens ook geen bewijs heeft bijgebracht, moet het er voor worden gehouden dat [belanghebbende] wist dat op zijn loon geen Nederlandse loonheffing zou worden ingehouden. Van goede trouw is derhalve geen sprake. Aldus kan het gereserveerde bedrag niet als een zodanige inhouding worden aangemerkt. Van een verrekenbare voorheffing is dan ook geen sprake.

13. Voor zover [belanghebbende] nog een beroep doet op vergoeding van smartengeld omdat [de Inspecteur] tegen beter weten in blijft volharden in een onjuist standpunt, ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding reeds omdat het gelijk in deze procedure aan [de Inspecteur] is en hem daarom geen volharden in een onjuist standpunt kan worden verweten.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1

Partijen hebben tijdens de nadere mondelinge behandeling van 3 juli 2019 eensluidend het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019 en de nadere beslissing van de SVB van 21 juni 2019, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, voor zover deze zien op de aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2013 en de beschikking belastingrente, moeten worden vernietigd.

4.2.

In hoger beroep is uiteindelijk uitsluitend nog in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van integrale proceskosten en vergoeding van (im)materiële schade wegens onrechtmatige daad. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt thans nog tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding en een schadevergoeding wegens van (im)materiële schade.

4.4.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze verzoeken.

Beoordeling van het hoger beroep

Premieheffing

5.1.

Het Hof zal partijen volgen in hun eensluidende standpunt dat de aanslag premieheffing volksverzekeringen 2013 en de beschikking belastingrente moeten worden vernietigd.

Vergoeding (im)materiële schade

5.2.

Op grond van artikel 8:73 Awb kan de belastingrechter, indien het beroep gegrond wordt verklaard, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt.

5.3.

De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat hij niet langer de overschrijding van de redelijke termijn als grond aanvoert voor zijn verzoek om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende geleden (im)materiële schade.

5.4.

Voor zover belanghebbende aan zijn verzoek om veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade ten grondslag legt dat de SVB tot tweemaal toe een besluit heeft genomen dat door de CRvB is vernietigd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, merkt het Hof het volgende op. De SVB is geen partij in de onderhavige procedure en niet gezegd kan worden dat het handelen van de SVB aan de Inspecteur kan worden toegerekend. Reeds daarom wordt het verzoek afgewezen.

5.5.

Voor zover het verzoek om veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade ziet op vergoeding van de integrale kosten van beroepsmatige rechtsbijstand, wijst het Hof dat verzoek eveneens af. De Inspecteur is steeds ervan uitgegaan dat belanghebbende in Nederland was verzekerd voor de volksverzekeringen, omdat belanghebbende in 2013 voer op een schip dat voorzien was van een certificaat voor de Rijnvaart en geëxploiteerd werd door een in Nederland gevestigde exploitant, en de SVB ten behoeve van belanghebbende een A1-verklaring had gegeven waarbij de SVB hem als verzekerde in Nederland had aangemerkt voor deze periode. Niet kan worden gezegd dat de Inspecteur aldus in de bezwaar- en beroepsfase een bij voorbaat onhoudbaar standpunt heeft ingenomen en dat tot in hoger beroep heeft gehandhaafd. De Inspecteur dient zich immers te richten naar de verklaring van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44). Eerst op 21 juni 2019 is de A1-verklaring door de SVB ingetrokken.

Proceskosten en griffierechten

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.304 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt beroep en 1 punt zitting) en voor het Hof (1 punt hoger beroep, 1 punt zitting en ½ punt nadere zitting) à € 512 x 1 (gewicht van de zaak) en € 254 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt bezwaarschrift) à € 254 x 1 (gewicht van de zaak), in totaal derhalve op € 2.558.

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling door de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2013 en de beschikking belastingrente;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2013 en de beschikking belastingrente;

- vernietigt de aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2013;

- vernietigt de beschikking belastingrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.558; en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 18 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.