Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2462

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
22-004754-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het hof veroordeelt de verdachte voor het opzettelijk niet vermijden van de bebouwde kom, aangezien hij een tankwagen waarin gevaarlijke stoffen (methanol) vervoerd waren geweest, binnen de bebouwde kom langs de (openbare) weg heeft laten staan. Het staat de nationale wetgever vrij verdergaande beschermingsmaatregelen te treffen dan voorzien in het ADR (zie ECLI:NL:HR:2009:BG5975). Uitzonderingsgronden van artikel 19 Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) niet van toepassing. De verdachte heeft de tankwagen op een industrieterrein vlakbij zijn woning en binnen de bebouwde kom geparkeerd, terwijl er andere en geschikte(re) parkeerplaatsen beschikbaar waren. Geldboete van 500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004754-18

Parketnummer: 83-031841-18

Datum uitspraak: 2 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1965,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de eerder tegen de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair

4 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

dat hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen ( bord model h1 van Bijlage 1 van de Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een (leeg en/of ongereinigd) voertuig, te weten een trekker (kenteken [X]) met (tank)oplegger (kenteken [Y]), waarin gevaarlijke stoffen (te weten een hoeveelheid Methanol, UN nummer 1230) vervoerd waren geweest, langs de (openbare) weg, De [straat] te Rotterdam, binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam laten staan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair

10 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

dat hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen (bord model h1 van Bijlage 1 van de Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een (leeg en/of ongereinigd) voertuig, te weten een trekker (kenteken [X]) met (tank)oplegger (kenteken [Y]), waarin gevaarlijke stoffen (te weten een hoeveelheid Methanol, UN nummer 1230) vervoerd waren geweest, langs de (openbare) weg, De [straat] te Rotterdam, binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam laten staan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de tenlastegelegde gedragingen geen strafbare feiten opleveren. Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, sub b van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) de plicht om de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden niet van toepassing was.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De verdachte wordt blijkens de tenlastelegging verweten dat hij al dan niet opzettelijk en in strijd met artikel 5 juncto artikel 19 Wvgs niet de bebouwde kom heeft vermeden, aangezien hij een trekker met oplegger waarin zich resten van een gevaarlijke stof bevonden, binnen de bebouwde kom langs de openbare weg heeft laten staan.

De basis van de Wvgs is het Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (hierna: ADR). Het staat de nationale wetgever echter vrij verdergaande beschermingsmaatregelen te treffen dan voorzien in het ADR (zie daarvoor het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5975). Van die mogelijkheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt door het door hem in het leven geroepen voorschrift dat degene die met een voertuig over de weg (resten van) gevaarlijke stoffen vervoert, de bebouwde kom dient te vermijden (artikel 19 Wvgs). Laatstgenoemd artikel is derhalve bepalend in dezen.

Het tweede lid van artikel 19 Wvgs verklaart het eerste lid niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is a) ten behoeve van het laden of lossen, of b) omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is.

De uitzondering van sub a geldt in onderhavige zaak niet. Naar het oordeel van het hof valt het parkeren door de verdachte evenmin onder de uitzonderingsbepaling van sub b. De verdachte heeft de tankwagen op een industrieterrein vlakbij zijn woning en binnen de bebouwde kom geparkeerd, terwijl er andere en geschikte(re) parkeerplaatsen beschikbaar waren, te weten truckparking [parking 1] en truckparking [parking 2]. Dat beide parkeergelegenheden van [ADR]-parkeerplaatsen aanbieden is overigens niet weersproken door de verdediging. De eerstgenoemde parkeerplaats heeft parkeerplaatsen voor ADR wagens beschikbaar en is gelegen op 8,2 km afstand van de [straat], waar de verdachte heeft geparkeerd. Dat is blijkens GoogleMaps zo’n 12 minuten rijden. De andere parkeerplaats voor vrachtwagens met gevaarlijke stoffen ligt op zo’n 32 kilometer en ongeveer een halfuur rijden, maar ook daarvan kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat niet van de verdachte gevergd mocht worden zijn vrachtwagencombinatie daar te parkeren, ter naleving van de in de Wvgs uit veiligheidsoogpunt gegeven voorschriften.

Voorts is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat, zoals door de raadsman zonder nadere onderbouwing is gesteld, parkeren toen en daar noodzakelijk was in verband met de rij- en rusttijden van de verdachte. De verdachte heeft daar zelf niet over verklaard.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat het voor de verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was om op de in de tenlastelegging genoemde locatie te parkeren binnen de bebouwde kom. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bebouwde kom niet heeft vermeden en dus het bepaalde in artikel 5 Wvgs heeft overtreden.

Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd doet hier niet aan af en behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking gelet op het bepaalde in voornoemd arrest van de Hoge Raad.

Het verweer wordt verworpen.

Er is ook voor het overige geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluit.

Het bewezenverklaarde is dus strafbaar en levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zonder noodzaak een nog ongereinigd voertuig waarin gevaarlijke stoffen waren vervoerd op een industrieterrein langs de openbare weg geparkeerd en heeft daarbij niet de bebouwde kom gemeden, terwijl hij daartoe wel gehouden was. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de regelgeving die beoogt de met het vervoer van gevaarlijke stoffen gepaard gaande risico’s te beperken.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

26 juli 2019. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een dergelijk feit is veroordeeld.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 25 november 2018 onder CJIB nummer [nr.].

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. N. Schaar en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2019.

mr. N. Schaar en de griffier zijn buiten staat om dit arrest ondertekenen.