Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2458

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
200.259.800/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering bijzonderheidscodering bij Bureau Kredietregistratie althans tot beperking van de duur na betalingsachterstand bij krediet. Art. 21.1 AVG. Rb en hof wijzen verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/137
Module Privacy & AVG 2020/3660
JBP 2019/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.259.800/01

zaaknummer rechtbank Rotterdam : C/10/562608 / HA RK 18-1378

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2019

inzake

[verzoekster ] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag,

tegen

[naam] CONSUMER FINANCE BENELUX B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman te Harderwijk.

1 Procesverloop

Partijen worden hierna [verzoekster ] en [verweerster] genoemd.

[verzoekster ] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 20 mei 2019, in hoger beroep gekomen van de onder bovengenoemd zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2019 gewezen tussen [verzoekster ] als verzoekster en [verweerster] als verweerster. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, het oorspronkelijke verzoek van [verzoekster ] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van beide instanties.

Op 1 juli 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift, met productie, van [verweerster] ingekomen. [verweerster] heeft het hof verzocht, kort gezegd, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoekster ] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep.

[verzoekster ] heeft nadere producties, genummerd 1 tot en met 16, ingediend, ontvangen ter griffie van het hof op respectievelijk 4, 9 en 15 juli 2019.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Bij brief van 3 juni 2019 zijn partijen opgeroepen aanwezig te zijn bij een mondelinge behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Bij dezelfde brief zijn zij ervan op de hoogte gesteld dat zij een verzoek konden doen voor een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer. Zodanig verzoek hebben zij niet gedaan. De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 16 juli 2019. Bij die gelegenheid is [verzoekster ] verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder voornoemd die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Aan de zijde van [verweerster] heeft mr. Hofman voornoemd het verweerschrift toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is uitspraak bepaald op 24 september 2019.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de beschikking onder 2, 2.1 tot en met 2.6, de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op 9 september 2016 is tussen partijen een Comfort Lease overeenkomst gesloten. Uit hoofde daarvan is aan [verzoekster ] een niet-doorlopend goederenkrediet verstrekt van € 4.925,-. Dit krediet, dat in maandelijkse termijnen afgelost diende te worden, is in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau Krediet Registratie (BKR) geregistreerd. Op 9 juni 2017 is met betrekking tot dit krediet in het CKI een achterstand geregistreerd door middel van code A. [verzoekster ] heeft het krediet op enig moment geheel afgelost. Met ingang van 1 september 2017 is daarom een herstelmelding (code H) doorgegeven aan het BKR.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft [verzoekster ] - zakelijk - verzocht primair [verweerster] te bevelen binnen twee weken na de datum van de beschikking de registratie, dan wel de (bijzonderheids)codering AH, in het CKI op naam van [verzoekster ] te (doen laten) verwijderen, subsidiair de duur van de registratie met (bijzonderheids)codering AH in het CKI te beperken tot twee jaar en [verweerster] te bevelen deze (bijzonderheids)codering te (doen laten) verwijderen per september 2019 en uiterst subsidiair een beslissing te geven die de rechter juist acht. [verzoekster ] verzoekt voorts aan een en ander een dwangsom te verbinden en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en [verzoekster ] veroordeeld in de proceskosten. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. Het door [verzoekster ] aangevoerde is onvoldoende om de registratie dan wel de (bijzonderheids)codering in het CKI te laten verwijderen of de duur van de registratie te beperken tot twee jaar. Diverse maandelijkse termijnen zijn niet tijdig betaald. Het betrof niet een eenmalige vergissing maar zij is meermaals vergeten adequaat te reageren op betalingsherinneringen. Ook de aanzegging op 7 juni 2017 dat [verweerster] ingeval van drie maanden achterstand verplicht was een negatieve codering te plaatsen was kennelijk geen aanleiding om tot betaling over te gaan. Onder deze omstandigheden is van belang dat de negatieve codering voor vijf jaar in stand wordt gehouden. Om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen, dienen kredietverstrekkers op de hoogte te zijn van het feit dat [verzoekster ] een achterstand heeft laten ontstaan. Dat zij deze heeft ingelopen, het krediet in één keer heeft afgelost en een goed inkomen heeft, doet daar niets aan af. [verzoekster ] heeft onvoldoende onderbouwd dat haar geen zakelijk krediet of hypotheek wordt verstrekt. Uit de door haar overgelegde afwijzingen blijkt niet dat zij haar specifieke situatie aan deze kredietverstrekkers heeft voorgelegd. De wens om een zakelijk krediet of hypotheek af te sluiten is onvoldoende om de registratie of codering te verwijderen. Niet is gebleken dat het voortbestaan van haar onderneming in gevaar komt en evenmin is de noodzaak voor een hypotheek aangetoond.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [verzoekster ] op in hoger beroep. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.4.

Ingevolge het hier toepasselijke artikel 21 lid 1 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient [verweerster] , nu [verzoekster ] daartegen bezwaar maakt, de verwerking van de persoonsgegevens te staken tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekster ] .

3.5.

[verweerster] beroept zich op het algemene belang van een goed functionerend systeem van kredietregistratie. Zij heeft daarbij gewezen op het volgende. Eventuele nieuwe kredietaanbieders wegen, overeenkomstig de bedoeling van het BKR register, de door [verweerster] verwerkte codes mee om te beoordelen of zij [verzoekster ] , mede gelet op haar betaalgedrag, nieuwe kredieten willen verstrekken. De Wet op het financieel toezicht legt de kredietverstrekker een expliciete zorg- en informatieplicht op en het is onjuist om door geschiedvervalsing (het verwijderen van een terechte codering) nieuwe kredietverstrekkers te beletten aan deze plicht te voldoen. Daarom verzet [verweerster] zich ook tegen de subsidiair gevraagde inkorting van de bewaartermijn. Bij toewijzing van het verzoek van [verzoekster ] zouden hypotheekverstrekkers op basis van onvolledige informatie de acceptatieprocedure doorlopen, waardoor een nieuwe kredietverstrekker geen goede invulling kan geven aan zijn zorgplicht. Uiteindelijk zou dit zelfs kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de partij die de codes voortijdig heeft gewist.

3.6.

[verzoekster ] stelt zich op het standpunt, kort gezegd, dat de codering in de registratie uit oogpunt van proportionaliteit moet worden verwijderd. Zij heeft daartoe gewezen op de volgende omstandigheden. Het gaat om kleine betalingsachterstanden, die kort hebben bestaan en die [verzoekster ] uit eigen beweging heeft betaald. Zij verkeert niet in financiële problemen. Het gaat om administratieve onachtzaamheid; al met al is de situatie van [verzoekster ] niet coderingswaardig. De impact van de registratie op haar is groot. Zij kan geen zakelijk krediet afsluiten, kan niet leasen en kan geen woning kopen. Na de waarschuwingsbrief van [verweerster] van 7 juni 2017 heeft zij contact opgenomen om het gehele verschuldigde bedrag op te vragen. Dat heeft zij eind augustus 2017 betaald.

3.7.

Met inachtneming van de hiervoor genoemde, in artikel 21 lid 1 AVG gegeven maatstaf dient het hof op basis van de onder 3.5 en 3.6 kort aangeduide omstandigheden een afweging te maken tussen het door [verweerster] ingeroepen algemene belang van een goed functionerend systeem van kredietregistratie en het individuele belang van [verzoekster ] zoals door haar toegelicht.

3.8.

Voor zover [verweerster] het oog heeft op het voorkomen van overkreditering bij [verzoekster ] , is dat belang niet meer aan de orde omdat [verzoekster ] het krediet heeft afgelost. Wel is aan de orde het belang van het beperken van de financiële risico’s bij eventuele toekomstige kredietverlening aan [verzoekster ] .

3.9.

Het hof gaat voor de beoordeling van de proportionaliteit van de registratie uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het door [verzoekster ] te betalen termijnbedrag per maand bedroeg € 166,36 (gedurende 36 maanden). [verzoekster ] heeft weliswaar een bedrag van € 88,- per maand genoemd, maar die stelling kan tegenover het verweer van [verweerster] , die de overeenkomst heeft overgelegd, geen standhouden. De zaak gaat, anders dan [verzoekster ] heeft gesteld, niet over “264 euro roodstand”, maar over een achterstand van drie termijnbedragen van elk € 166,36 op het moment dat de registratie van de achterstand werd gedaan (vanaf 1 juli 2017 opgelopen tot vier termijnen). In de periode van 8 december 2016 tot en met 3 mei 2017 heeft [verzoekster ] zeven maal een betalingsherinnering ontvangen van [verweerster] . Op 7 juni 2017 heeft [verzoekster ] een ingebrekestelling ontvangen met een waarschuwing voor een negatieve codering (“De betalingsachterstand van (…) dient u binnen 14 dagen te voldoen.(…) In geval van drie termijnen achterstand zijn wij verplicht een negatieve codering te plaatsen bij Bureau Krediet Registratie te Tiel. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor uw toekomstige financierings- en/of hypotheekaanvragen”). Op 17 juli 2017 heeft [verzoekster ] een brief ontvangen waarin is aangekondigd dat het dossier op korte termijn zou worden overgedragen aan een incassobureau/deurwaarderskantoor met de mededeling dat dit een verzwaring van de codering bij BKR tot gevolg zal hebben. Op 31 augustus 2017 heeft [verweerster] aan [verzoekster ] bevestigd dat € 4.201,36 is ontvangen en dat daarmee de financiering geheel is ingelost.

3.10.

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet door [verzoekster ] gebezigde kwalificaties als “kleine achterstanden”, die “kort hebben bestaan” en “incidentele wanbetaling”, “zeer korte achterstand” en “zeer beperkt verwijtbaar”. Bij het laatste gaat het [verzoekster ] er kennelijk om dat zij geen financiële problemen had en dat zij “door drukte” (doordat zij inmiddels zelfstandige was geworden) was vergeten te betalen. Het hof is het met [verweerster] eens dat aan een kredietrisico ook, in de woorden van [verzoekster ] , administratieve onachtzaamheid ten grondslag kan liggen. Deze onachtzaamheid was, gelet op het aantal betalingsherinneringen, ernstig.

3.11.

[verzoekster ] heeft gesteld dat zij na ontvangst van de vooraankondiging van de registratie contact heeft opgenomen met [verweerster] om te vernemen welk bedrag van het krediet openstond terwijl de registratie van de achterstand al op 9 juni 2017 plaatshad. [verweerster] heeft dit niet betwist. Gevraagd om een reactie op dit punt, is van de zijde van [verweerster] ter zitting meegedeeld dat een vooraankondiging niet nodig is voor een codering en dat het argument [verzoekster ] mogelijk zou kunnen baten als zij spoedig na de vooraankondiging (bijvoorbeeld binnen een week of tien dagen) wél zou hebben betaald, maar dat dit niet is gebeurd. Aan [verzoekster ] moet worden toegegeven dat de wijze waarop [verweerster] haar heeft gewaarschuwd voor een negatieve codering en de gevolgen daarvan niet juist is. Uit de inhoud van de brief van 7 juni 2017 volgt immers dat [verweerster] ofwel de vooraankondiging eerder had moeten versturen ofwel de codering later had moeten doorvoeren. Dat in het Algemeen Reglement CKI dat [verweerster] heeft overgelegd geen vooraankondiging is voorgeschreven, brengt daarin geen verandering. Niet aannemelijk is echter dat het inachtnemen van een termijn van veertien dagen na de vooraankondiging een ander gevolg zou hebben gehad. [verzoekster ] heeft ook na de vooraankondiging immers niet binnen veertien dagen betaald. Dat [verzoekster ] doende was te achterhalen welk bedrag van het krediet openstond, legt voor de beoordeling nauwelijks gewicht in de schaal. Zij had in ieder geval het bedrag van de achterstand (dat haar door middel van de brief van 7 juni 2017 bekend was) kunnen betalen.

3.12.

Aan de orde is vervolgens de door [verzoekster ] gestelde impact van de negatieve registratie.

3.13.

Zij heeft gesteld dat zij geen woning kan kopen en dat zij daarom een woning huurt waarvoor zij maandelijks € 2.250,- huur betaalt, terwijl zij bij de huidige lage rentestand een aanzienlijk lager maandbedrag kwijt zou zijn als zij een woning zou kunnen kopen. Het hof neemt aan dat het verkrijgen van hypothecaire financiering tegen de gebruikelijke tarieven en voorwaarden lastig is met een achterstandscodering. Op basis van de door [verzoekster ] overgelegde stukken kan echter niet worden aangenomen dat zodanige financiering niet mogelijk is. Het betreft afwijzingen door Nationale Nederlanden, ABN AMRO en Hypo Trust. Aan de laatstgenoemde afwijzing komt weinig betekenis toe nu het een afwijzing betreft van een hypotheekbemiddelaar en niet van een aanbieder van hypothecaire financiering. Ook overigens komt aan de afwijzingen voor de beoordeling onvoldoende betekenis toe. Zij dateren alle uit september 2017 en dus kort na de negatieve registratie en herstelmelding. Daaruit kan niet worden afgeleid hoe aanbieders van hypothecaire financiering thans, bijna twee jaar later, oordelen over de situatie van [verzoekster ] . Daarbij komt dat [verweerster] heeft gewezen op een publicatie van Vereniging eigen huis waaruit naar voren komt dat het merendeel van de daarin betrokken geldverstrekkers een achterstandscodering als hier aan de orde onder voorwaarden (bijvoorbeeld: herstelcode, aflossing krediet, inlossing achterstand) accepteert. [verzoekster ] heeft de juistheid van die publicatie niet weersproken. Ook heeft [verweerster] erop gewezen dat [verzoekster ] nog nooit serieus om ‘maatwerk’ heeft gevraagd door bijvoorbeeld met een hypotheekadviseur van een bank een gesprek te hebben en concreet inzicht te geven in haar persoonlijke situatie en achtergrond. Dat, zoals [verzoekster ] hierop in reactie naar voren heeft gebracht, ‘maatwerk’ een paar duizend euro kost en tot een hogere rente leidt, acht het hof onvoldoende onderbouwd (zoals bijvoorbeeld met een uitgewerkt kostenoverzicht van een hypotheekadviseur).

3.14.

Het betoog van [verzoekster ] dat zij geen zakelijk krediet kan afsluiten en niets kan leasen, heeft zij in zoverre toegelicht dat zij voor haar bedrijf (een eenmanszaak met enkele bedrijfswagens) alleen full operational lease contracten kan afsluiten en dat de maandlasten daarvoor veel hoger zijn dan bij financial lease. Zij heeft een afwijzing van een aanvraag overgelegd van 13 september 2018. Volgens [verzoekster ] zou zij zich per maand € 1.200,- kunnen besparen in geval van financial lease. [verzoekster ] heeft ter zitting echter erkend dat voor een goede vergelijking de btw buiten beschouwing zou moeten blijven. Ook heeft zij erkend dat in de kosten van operational lease diverse kosten zijn betrokken die geen deel uitmaken van de kosten van financial lease. Het prijsverschil is volgens [verzoekster ] nog steeds niet in verhouding. Concreet inzicht in het prijsverschil bij een zuivere vergelijking ontbreekt echter.

3.15.

De vraag of tegen de achtergrond van de voorgaande overwegingen dwingende gerechtvaardigde gronden bestaan voor de handhaving van de registratie van de bijzonderheidscodering die zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekster ] , beantwoordt het hof bevestigend. Zoals in het voorgaande tot uitdrukking komt, moet het betalingsgedrag van [verzoekster ] in het kader van het onderhavige krediet als op zijn minst erg slordig worden aangemerkt en levert zodanig gedrag evenzeer een financieel risico op. De termijn tussen de door [verweerster] gestuurde waarschuwingsbrief en de registratie van de achterstand was weliswaar te kort, maar het gedrag van [verzoekster ] na ontvangst van die brief geeft geen grond voor de veronderstelling dat een langere termijn tot adequaat handelen van [verzoekster ] zou hebben geleid. Het hof wil aannemen dat de negatieve registratie het voor [verzoekster ] lastiger maakt hypothecaire financiering te verkrijgen, maar [verzoekster ] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zich daartoe behoorlijk heeft ingespannen. Of de huidige woonsituatie van [verzoekster ] noopt tot het kopen van een woning kan daarom in het midden blijven. Het hof wil ook aannemen dat [verzoekster ] beperkingen ondervindt als gevolg van de negatieve registratie bij haar mogelijkheden om bedrijfsauto’s te leasen. Het is echter niet aannemelijk geworden dat de hogere kosten (waaromtrent concreet inzicht ontbreekt) een reële belemmering vormen voor de bedrijfsvoering. Tegenover de belangen van [verzoekster ] staat het zwaarwegende algemene belang dat andere kredietverstrekkers in staat zijn op basis van feitelijk juiste en relevante informatie een eigen belangenafweging te maken bij een eventuele kredietverstrekking aan [verzoekster ] .

3.16.

Zoals volgt uit artikel 13 van het Algemeen Reglement CKI en zoals vermeld in de huidige registratie, wordt de registratie van het contract (met achterstands- en herstelmelding) in beginsel verwijderd in september 2022. Het Algemeen Reglement kent dus een registratietermijn van vijf jaar. Het subsidiaire verzoek van [verzoekster ] strekt ertoe dat de registratie eerder, per september 2019, wordt verwijderd. Het meer subsidiaire verzoek houdt in dat het hof een beslissing geeft die het in goede justitie juist acht. De vraag is aldus of de onderhavige registratie ook voor de duur van de termijn van vijf jaar proportioneel is. Het hof ziet echter geen grond om hierover anders te oordelen dan hiervoor. Ook deze vraag beantwoordt het hof dus bevestigend.

3.17.

De slotsom luidt dat de klachten van [verzoekster ] niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hof zal deze beschikking daarom bekrachtigen, met veroordeling van [verzoekster ] in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [verzoekster ] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] op € 741,- wegens verschotten en € 2.148,- wegens salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.J. van Cleef-Metsaars en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.