Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2450

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
200.213.617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(geen) onrechtmatige overheidsdaad; meerdere staande houdingen door de politie; opvallend rijgedrag in dure auto, patsercontroles

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Rolnummer: 200.213.617/01
Rol-/zaaknummer rechtbank: 5183959 RL EXPL 16-18316

Arrest van 24 september 2019

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.G.A.M. Halfers te Rotterdam,

tegen

de Publiekrechtelijke Rechtspersoon: Rechtspersoon met Wettelijke Taak (RWT), bekend als de Nationale Politie,

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Politie,

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan het tussenarrest van 23 mei 2017 verwijst het hof naar dat arrest. Bij dat arrest is een comparitie van partijen voor een raadsheer-commissaris gelast. Ter gelegenheid van deze comparitie heeft [appellant] een aantal producties overgelegd. Vervolgens is de comparitie gehouden. Daarna heeft [appellant] een memorie van grieven, met de producties, genomen, met twee grieven tegen het tussen partijen gewezen vonnis van 14 december 2016. Vervolgens heeft de Politie een memorie van antwoord, met een productie, genomen. [appellant] heeft bij akte op de productie gereageerd. De Politie heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte, arrest gevraagd en de processtukken gefourneerd. Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. De in het vonnis door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn niet bestreden. Partijen zijn het over deze feiten eens. Gelet daarop en op hetgeen in hoger beroep onbestreden is gesteld, staan onder meer de volgende feiten vast.

1.1

In de periode tussen 2011 en 2013 is [appellant] meermalen met zijn auto, een [automerk], in Rotterdam door de politie staande gehouden.

1.2

[appellant] is bij de Politie, eenheid Rotterdam, een klachtenprocedure begonnen. Bij brief van 19 november 2013 heeft de politiechef van de eenheid Rotterdam hem (onder meer) geschreven, dat zijn klachten ten aanzien van het vooringenomen handelen door de politie, de inbreuk op zijn privéleven en de toezegging dat de gegevens uit de politiesystemen verwijderd zouden worden, ongegrond zijn.

1.3

In voornoemde brief is [appellant] gewezen op de mogelijkheid de klacht voor te leggen aan de Nationale Ombudsman. [appellant] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Nationale Ombudsman heeft de klacht in behandeling genomen en onderzocht en de bevindingen in een rapport van 29 december 2014 neergelegd.

1.4

[appellant]'s klacht bij de Nationale Ombudsman valt in twee delen uiteen. Een deel gaat over de 'aandachtvestiging', waarmee wordt bedoeld dat in de mutaties van de Politie over de staande houdingen van [appellant] melding wordt gemaakt van zijn verbroken relatie met een vrouwelijke politieambtenaar van het bureau [adres] in Rotterdam. Het andere deel gaat over onnodige confrontaties van [appellant] met de Politie, hetgeen ziet op telkens opnieuw staande houden in het kader van controle ongebruikelijk bezit (statische en dynamische patsercontroles).
Beide gedragingen bestempelt de Nationale Ombudsman als 'niet behoorlijk', waarbij het bij de aandachtvestiging gaat om een handelen in strijd met de vereiste professionaliteit en bij de onnodige confrontaties om strijd met het vereiste van goede organisatie.

1.5

Bij brief van 26 januari 2015 heeft [appellant] de (korpschef van de) Politie-eenheid Rotterdam aansprakelijk gesteld voor door [appellant] geleden schade groot € 2.213,79 aan advocaatkosten. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de politie Rotterdam heeft geantwoord dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Vordering, grondslag en vonnis

2.1

[appellant] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (primair) de Politie te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 3.713,79 plus de wettelijke rente, dan wel een ander, in goede justitie te bepalen, bedrag en voorts de buitengerechtelijke kosten ad € 496,38 en de proceskosten.

2.2

[appellant] heeft aan zijn vordering onrechtmatig handelen door de Politie ten grondslag gelegd. In de periode tussen 2011 en 2013 is hij met zijn auto steeds opnieuw, zonder (goede) reden, door de politie staande gehouden, zodat hij immateriële schade ad € 1.500,- heeft geleden (spanningsklachten en slaapstoornissen). Ter vaststelling van (schade en) aansprakelijkheid heeft hij voor de klachtprocedure bij de Nationale Ombudsman € 2.213,79 aan advocatenkosten gemaakt. De Politie is voor een en ander aansprakelijk, aldus [appellant].

2.3

De Politie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.4

De kantonrechter heeft geoordeeld:

-a- De staande houdingen van [appellant] kunnen worden aangemerkt als staande houdingen in verband met een redelijke verdenking van witwassen. Het is de betrokken politieagenten niet te verwijten dat zij [appellant] daarvoor steeds staande hielden. [appellant] gedroeg zich telkens opvallend met een opvallende auto, zo blijkt uit de politiemutaties van 21 februari 2011, 14 juli 2012 en 2 februari 2013.

-b- De gevorderde advocaatkosten hebben betrekking op de klachtenprocedures bij de politie Rotterdam en de Nationale Ombudsman. Dit zijn geen (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, want een oordeel van de politiechef van Rotterdam of de Nationale Ombudsman over de werkwijze van de Politie, levert geen oordeel over civielrechtelijke aansprakelijkheid op.

De grieven

3.1

[appellant] heeft zijn eerste grief gericht tegen het oordeel dat hiervoor onder 2.4 -a- is weergegeven. Zijn tweede grief is gericht tegen het oordeel dat onder 2.4 -b- is weergegeven.

3.2

De Politie heeft de grieven bestreden.

3.3

[appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vermelden in de politiemutaties van [appellant]’s verbroken relatie met een politieambtenaar niet een omstandigheid is waarop [appellant] zijn vordering in deze procedure baseert (overweging 5.3). [appellant] heeft wel bij zijn toelichting op grief 1 aangevoerd dat hij persisteert in zijn stelling dat er vanuit de Politie onterecht een speciale aandachtvestiging is (geweest), die maakte dat hij ten onrechte herhaaldelijk onnodig is geconfronteerd met de Politie. Deze stelling zal het hof mede in aanmerking nemen bij de beoordeling van de eerste grief.

Beoordeling van grief 1

4.1

Met (de toelichting op) zijn eerste grief bestrijdt [appellant] dat hij zich opvallend gedroeg. [appellant] voert daartoe het volgende aan.

- betreffende de mutatie van 21 februari 2011: Vanwege de verkeerssituatie (een tweetal drukke kruisingen met verkeerslichten vlakbij elkaar waarbij het verkeer voor het politiebureau moet wachten als het laatste verkeerslicht op rood staat) reed hij langzaam langs het politiebureau [adres]. Van hem kan niet worden verwacht dat hij daarbij enkel recht voor zich uitkijkt.

- betreffende de mutatie van 14 juli 2012: Het optrekken bleef binnen de perken, terwijl [appellant] een auto heeft met een motor die bij het optrekken meer dan gemiddeld geluid produceert (binnen de norm).

- betreffende de mutatie van 2 februari 2013: De verkeersovertredingen heeft [appellant] niet begaan. Bovendien passen die niet in een verdenking ex artikel 420bis Sr (witwassen).

Voorts is het merk van zijn auto ([automerk]) volgens [appellant] niet opvallend, te meer niet omdat hij meerdere malen is staande gehouden (ook zonder dat daarvan mutaties zijn opgemaakt); [appellant] was dus bekend bij de politie en de politie wist dat hij zich niet bezig hield met witwassen.
Er was geen redelijke verdenking, zodat een rechtvaardiging van het optreden van de politie volgens [appellant] ontbreekt. Privébelangen (een aandachtvestiging) werden volgens hem verweven met zakelijke belangen, zodanig dat het in het onrechtmatig handelen resulteerde.

Het hof overweegt het volgende.

4.2

[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij in een opvallende auto reed. Zijn auto was immers een [automerk] hetgeen een in Nederland niet veel voorkomende auto is en die auto had een nieuwwaarde van meer dan € 119.000,-.

4.3

[appellant] heeft ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat de (door de kantonrechter en onder 4.1 genoemde) mutaties zagen op opvallend rijgedrag.

- Dat [appellant] op 21 februari 2011 een drukke kruising met verkeerlichten naderde en daarom langzaam moest rijden, betekent niet dat zijn wijze van rijden en kijken niet zou kunnen opvallen. De mutatie vermeldt hetgeen de agenten opviel. [appellant] heeft niet betwist dat hij met de zwarte [automerk] met lage snelheid langs het politiebureau reed en met opvallend veel aandacht richting agenten/politiebureau keek, zoals de mutatie vermeldt. Dit gedrag kan opvallen. Of daarmee (n)iets mis was of dat het als normaal kijk- en verkeersgedrag ter plaatse kan worden aangemerkt, mag vervolgens onderzocht worden. Een mutatie ervan maken is niet onrechtmatig. De mutatie wordt ook niet onrechtmatig doordat er ten tijde van de mutatie een verdenking van een vermeende – mogelijk niet daadwerkelijk plaatsvindende – ‘stalking’ bij de politieagenten bestaat.
- Hetzelfde geldt voor de mutatie van 14 juli 2012. De agenten zagen en hoorden de [automerk] van [appellant] “flink optrekken”. [appellant] heeft dit niet betwist. Dat het geluid binnen de norm is gebleven (hetgeen de mutatie overigens ook vermeldt), maakt de mutatie en het staande houden niet onrechtmatig.

- Ter zake van de mutatie van 2 februari 2013 betwist [appellant] dat hij verkeersovertredingen heeft begaan. Hij betwist echter niet dat hij die nacht in zijn [automerk] reed met achter hem een Mercedes (ter nieuwwaarde van € 79.300,-), dat de snelheid van beide auto’s een aantal malen behoorlijk werd verhoogd en dat de auto’s rondjes reden, zoals de mutatie (ook) vermeldt. Hij betwist evenmin dat hij op enig moment stil stond (om voetgangers over te laten steken, zo stelt hij) en dat hij een ontwijkende manoeuvre maakte (omdat hij naar zijn zeggen op een stilstaande taxi stuitte). De agenten hebben dit gemuteerd als overtreding van “stoppen op een voetgangersoversteekplaats” en van “niet volgen van de richting voorsorteervak”. De hele mutatie is geplaatst in het licht van 00PATS, Project patser aanpak. Het hof ziet geen grond voor onrechtmatigheid daarvan en het staande houden. Ook als [appellant] onschuldig was aan de overtredingen – hetgeen in een strafrechtelijke zaak uitgemaakt kan worden – mocht zijn rijgedrag in de [automerk] samen met de Mercedes, als opvallend worden opgemerkt.

4.4

Omdat [appellant] opvallend rijgedrag vertoonde in een dure auto, viel hij binnen het profiel van diegenen die onder de zogenaamde ‘patseraanpak’ werden gecontroleerd (een persoon, opzichtig rijdend in een dure auto). Dit heeft met zich gebracht dat hij meermalen is staande gehouden en gecontroleerd in het kader van statische of dynamische patsercontroles. Dergelijke controles zijn in beginsel niet onrechtmatig.

4.5

Ter onderbouwing van de onrechtmatigheid van de patsercontroles bij [appellant] verwijst [appellant] naar het rapport van de Nationale Ombudsman. Daarin is opgemerkt dat het te billijken valt dat [appellant] ‘in het begin een aantal keren aan de kant werd gezet’ in het kader van een patsercontrole, maar dat niet is te billijken dat dat nog gebeurde nadat hij onomstotelijk kon aantonen dat hij eerlijk aan zijn dure auto is gekomen.

4.6

[appellant] heeft in dit geding niet gesteld wanneer hij nog een aantal keren aan de kant is gezet op verdenking van witwassen, nadat hij onomstotelijk had aangetoond dat hij eerlijk aan zijn [automerk] was gekomen. In het rapport van de Nationale Ombudsman staat dat [appellant] op 22 februari 2011 en 14 juli 2012 heeft verklaard dat hij [functienaam] van beroep is. Met een enkele verklaring van een verdachte, staat nog niets vast. Wanneer zijn inkomen en de aankoop van de [automerk] met legaal geld wel onomstotelijk was aangetoond, stelt [appellant] niet.
Weliswaar heeft [appellant] bij (laatste) akte nog aangevoerd dat er al in 2010 een onderzoek door de FIOD is gedaan naar aanleiding van een melding van de Zeehavenpolitie en dat daaruit is geconcludeerd dat de auto van [appellant] eerlijk was verdiend, maar wanneer (of hoe) die conclusie is getrokken en hoe en wanneer de Politie of de agenten die de ‘patsercontroles’ uitvoerden daarvan op de hoogte zijn gesteld, stelt [appellant] niet. Uit zijn stellingen volgt in elk geval niet dat zij daarvan al in 2011 – en ook niet in 2012 of 2013 – op de hoogte waren. Reeds hierom moet het hof aan zijn stelling over het FIOD-onderzoek voorbij gaan.

De door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen maken melding van staande houdingen in (februari) 2011 en 2012. Deze getuigen(verklaringen) kunnen niet dienend zijn voor [appellant]’s stelling dat staande houdingen plaatsvonden nadat al onomstotelijk was aangetoond dat hij eerlijk aan zijn [automerk] was gekomen.

4.7

[appellant] heeft in zijn laatste akte erop gewezen dat ‘etnische profilering’ een (doorslaggevende) rol speelt bij patsercontroles. Het hof kan op basis daarvan geen onrechtmatige daad jegens [appellant] aannemen. ‘Etnische profilering’ ziet immers niet op een specifieke aandachtvestiging wegens een privéconflict of op opvallend rijgedrag in een dure auto, waarvan bij [appellant] sprake was.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende is gesteld om onrechtmatig handelen door de politie jegens [appellant] te kunnen vaststellen. Grief 1 is ongegrond.

Beoordeling van grief 2

5. Reeds omdat er geen onrechtmatig handelen is dat tot een wettelijke verplichting tot schadevergoeding leidt, komt de gestelde vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW (de gevorderde advocaatkosten) niet voor vergoeding in aanmerking. Grief 2 kan dus geen doel treffen.

Slot

6. Omdat de grieven falen zal het hof het vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Deze kosten zal het hof aan de zijde van de Politie begroten conform de liquidatietarieven en vermeerderen met de wettelijke rente, zoals gevorderd. De nakosten zal het hof ook alvast begroten, zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 december 2016;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Politie begroot op € 716,- aan griffierechten, op € 1.518,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, J.E.H.M. Pinckaers en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.