Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2438

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.243.515/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering waarbij medewerking wordt gevraagd aan het verlijden van een notariële akte van verdeling. Spoedeisend belang inmiddels vervallen nu de gevorderde medewerking inmiddels heeft plaatsgehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.243.515/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/552141/KG ZA 18-618

arrest van 23 april 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. F.E. Boonstra te 's-Gravenhage,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 27 juli 2018 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 13 juli 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

Bij tussenarrest van dit hof van 28 augustus 2018 is een comparitie van partijen gelast.

De mondelinge behandeling, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is gehouden op
2 november 2018. De zaak is daarbij verwezen naar de rol van 4 december 2018 voor het nemen van grieven aan de zijde van de man.

Bij memorie van grieven met producties heeft de man acht grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven bestreden.

Vervolgens heeft de vrouw de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. De door de rechtbank in het vonnis van 13 juli 2018 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Bij voormeld vonnis heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de man veroordeeld om na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan de toedeling en levering van de woning aan de [adres] conform de bepalingen van de als productie 2 aan de dagvaarding gehechte conceptakte, waarbij de vrouw aan de man bij levering een bedrag van € 12.300,- dient te betalen;

  • -

    bepaald dat, voor zover de man met die medewerking in gebreke blijft, het vonnis dezelfde kracht heeft als de voor die toedeling en levering benodigde medewerking van de man aan het passeren van die akte, waarbij die akte zal worden aangepast aan de omstandigheid dat de man zijn medewerking aan het passeren daarvan heeft geweigerd.

De man is in de proceskosten veroordeeld. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3. De man vordert dat het het hof behage bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het bestreden vonnis en de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van de vrouw geheel af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

4. De vrouw concludeert dat het het hof moge behagen de door de man aangevoerde grieven te verwerpen en de man primair niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans om zijn vorderingen in hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen en het bestreden vonnis (zo nodig met verbetering van de gronden waarop dat vonnis berust) te bekrachtigen, alles met veroordeling van appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen arrest.

Achtergrondinformatie

5. Partijen hebben vanaf oktober 2004 tot en met april 2016 een affectieve relatie gehad. Bij e-mail van 19 oktober 2016, handmatig aangevuld, geparafeerd en ondertekend door beiden, zijn zij schriftelijk de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun geëindigde relatie overeengekomen. Onder meer is afgesproken dat de vrouw het aandeel van de man in de eenvoudige gemeenschap van woning zal overnemen tegen betaling van de helft van de door partijen vastgestelde overwaarde van € 63.000,- aan de man.

6. In de overeenkomst is tevens opgenomen dat een bepaald, door de man in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling aan de vrouw te betalen bedrag zal worden verrekend met het hem toekomende deel van de overwaarde van de woning van € 31.500,-. Dit te verrekenen bedrag betreft de helft van de waarde van de voormalige inventaris (oud ijzer, koper et cetera, machines en gereedschap) van de inmiddels verkochte loods, die partijen gezamenlijk in eigendom hadden. De man geeft in kort geding een andere uitleg aan deze laatste afspraak dan de vrouw.

7. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat op de door de vrouw aan de man te betalen helft van de overwaarde van de woning in aftrek moeten worden gebracht de volgende bedragen:

  • -

    € 17.500,- ter zake de inventaris van de loods en

  • -

    € 1.700,- ter zake nog door de man te dragen hypothecaire rente en aflossing met betrekking tot die loods.

Na verrekening resteert dan een bedrag van € 12.300,- dat de vrouw wegens overbedeling aan de man dient te voldoen.

Het geschil

8. In geschil is de nakoming door de man van de overeenkomst tussen partijen dat zijn aandeel in de gezamenlijke woning zal worden toegedeeld en geleverd aan de vrouw, in die zin dat hij zijn medewerking dient te verlenen aan het verlijden van de desbetreffende notariële akte van verdeling. Gelet op de grieven van de man is hierbij tevens in geschil of en - bij een bevestigend antwoord op die vraag - welke posten in het kader van verrekening op het aan de man toekomende bedrag wegens overbedeling van de vrouw, in aftrek moeten worden gebracht.

Ontvankelijkheid

9. De vrouw heeft in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de man aan de orde gesteld. Volgens haar betreft de onderhavige zaak een vordering op de voet van artikel 3:300 BW, waarbij de uitspraak van de voorzieningenrechter in de openbare registers kan worden ingeschreven. De man had zijn onderhavige hoger beroep op grond van artikel 3:301 lid 2 BW op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister. Nu dit niet is gebeurd, dient de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de vrouw.

10. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de man inmiddels op 3 september 2018 zijn medewerking heeft verleend aan het passeren van de notariële akte waarbij zijn aandeel in gemeenschappelijke woning van partijen aan de vrouw is geleverd. Hiermee heeft de tussen partijen overeengekomen verdeling van de woning plaatsgevonden en heeft de man gevolg gegeven aan de veroordeling van de voorzieningenrechter zoals geformuleerd onder 5.1 van het dictum van het bestreden vonnis.

11. Derhalve wordt niet meer toegekomen aan de bepaling, zoals geformuleerd onder 5.2 van voormeld dictum, dat indien de man met de onder 5.1 bedoelde medewerking in gebreke blijft het bestreden vonnis dezelfde kracht heeft als de voor die toedeling en levering vereiste medewerking van de man aan het passeren van de akte. Hetgeen de vrouw omtrent de inschrijving van het door de man ingestelde rechtsmiddel heeft gesteld - wat daar verder ook van zij - hoeft geen verdere bespreking. De man kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

Verdere beoordeling

12. Nu - zoals reeds is overwogen - de man inmiddels zijn medewerking heeft verleend aan de toedeling en levering van zijn aandeel in de gemeenschappelijke woning van partijen aan de vrouw, is naar het oordeel van het hof het vereiste spoedeisend belang aan de oorspronkelijke vordering van de vrouw komen te ontvallen.

13. Ondanks het ontbreken van spoedeisend belang kan het belang van de man bij dit hoger beroep in kort geding volgens vaste jurisprudentie nog zijn gelegen in een beoordeling van zijn proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Echter, hoewel de man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de kosten in eerste aanleg, heeft hij geen grieven gericht tegen zijn proceskostenveroordeling in eerste aanleg, zodat deze niet aan het hof voorligt.

14. Uit dit alles volgt dat de man geen belang heeft bij zijn onderhavige hoger beroep in kort geding. Het hof zal zijn vorderingen derhalve afwijzen.

15. In de omstandigheid dat partijen voorheen een affectieve relatie hebben gehad, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep tussen hen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vorderingen van partijen ter zake zullen worden afgewezen.

16. Gezien het feit dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling kan deze veroordeling niet in appel worden bekrachtigd.

17. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

wijst de vorderingen van de man af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep ter zake de proceskosten meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.C. Olland en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.