Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2435

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.245.641/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vraag of erflater een auto voor overlijden aan zijn partner heeft geschonken dan wel sprake is van een schenking des doods (artikel 7:177 BW), waarvoor een notariële akte vereist is, welke in dit geval ontbreekt. Bewijslevering en bewijswaardering. Hof: er is sprake van een gift bij leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0230
JERF 2019/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.245.641/01

Zaaknummer rechtbank : 6332938 \ CV EXPL 17-6918

arrest van 23 juli 2019

inzake

1. [dochter een] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [dochter twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [dochter drie] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de dochters,

advocaat: mr. B.D. Bos te Rotterdam,

tegen

[de partner van erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.B. van Waesberghe-Janssen te Zoetermeer.

Het geding

Bij exploot van 3 september 2018 zijn de dochters in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht tussen partijen gewezen vonnis van 14 juni 2018, hierna: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven hebben de dochters drie grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven bestreden.

De vrouw heeft de stukken overgelegd en arrest gevraagd. De dochters hebben twee weken uitstel verzocht voor beraad.

De dochters hebben vervolgens de stukken overgelegd en eveneens arrest gevraagd.

De dochters hebben een akte uitlating producties genomen.

De vrouw heeft een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen aanvullend de akten overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in het tussenvonnis van 8 februari 2018 vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Procesrechtelijk

2. Het hof acht de in de akte uitlaten producties van de dochters vervatte reacties op de inhoud van de memorie van antwoord van de vrouw in strijd met de twee-conclusieleer en zal de akte slechts in acht nemen voor zover deze ziet op de door de vrouw bij memorie van antwoord overgelegde producties. De vrouw heeft in zoverre terecht bezwaar gemaakt tegen de akte van de dochters.

Enige achtergrondinformatie

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De vader van de dochters, de heer [volgt naam] (hierna: erflater) en de vrouw hadden een affectieve relatie, aanvankelijk ongehuwd. Op [in] januari 2016 heeft erflater bij de Peugeotdealer een overeenkomst voor levering van de auto Peugeot [model] (hierna: de Peugeot) getekend, waarin tevens is overeengekomen dat de auto van erflater alsmede de auto van de vrouw worden ingeruild, tegen een inruilwaarde van respectievelijk € 1.500,- en € 1.250,-. Erflater is in februari 2016 gediagnostiseerd met een ongeneeslijke ziekte. Op 18 maart 2016 is erflater na het maken van huwelijkse voorwaarden met de vrouw in het huwelijk getreden. De oorspronkelijke huwelijksdatum van juni 2016 is vanwege de ziekte van erflater vervroegd. De Peugeot is op 25 maart 2016 door erflater en de vrouw samen opgehaald bij de dealer. Op 7 april 2016 is erflater overleden. De dochters zijn de enige erfgenamen van erflater en hebben zijn nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij zijn gezamenlijk de vereffenaar en als zodanig belast met de vereffening van de nalatenschap van erflater.

Het geschil

4. In geschil is of de Peugeot deel uitmaakt van de nalatenschap van erflater of de vrouw in eigendom toebehoort.

5. De kantonrechter heeft de vrouw bij tussenvonnis van 8 februari 2018 toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij door schenking de volledige eigendom van de Peugeot heeft verkregen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vrouw geslaagd is in haar bewijslevering en voorts:

in conventie:

- de vrouw veroordeeld tot betaling aan de dochters van € 5.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum die is gelegen twee dagen na betekening van het vonnis, met veroordeling van de dochters in de proceskosten;

in reconventie:

  • -

    voor recht verklaard dat de Peugeot eigendom is van de vrouw;

  • -

    de dochters veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 23- per dag aan schadevergoeding voor vervangend vervoer voor iedere dag dat de Peugeot door de inbeslagname door de dochters niet beschikbaar is (geweest);

  • -

    de dochters veroordeeld om al het nodige te verrichten om de vrouw binnen acht dagen na betekening van het vonnis opnieuw in het feitelijk bezit te stellen van de Peugeot, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag of gedeelte van een dag dat de dochters hiermee in gebreke mochten blijven tot een maximum van
    € 25.000,-.

De dochters zijn in de proceskosten veroordeeld, tot aan de uitspraak van de kantonrechter vastgesteld op nihil. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

6. De dochters vorderen in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van de dochters in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de vordering van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van al hetgeen door de dochters betaald is ter uitvoering van het bestreden vonnis, alsmede in de kosten van het geding in beide instanties.

7. De vrouw concludeert te bekrachtigen het bestreden vonnis en de dochters te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

8. Het hof zal de grieven van de dochters zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Het hof begrijpt uit randnummer 2 van de memorie van grieven dat het onderhavige appel zich beperkt tot de stelling van de dochters dat ter zake de Peugeot sprake is van een schenking des doods.

Standpunten

9. De dochters zijn het niet eens met het eindoordeel van de kantonrechter dat de Peugeot de vrouw in eigendom toebehoort. In de optiek van de dochters heeft de kantonrechter het door de vrouw bijgebrachte bewijs dat erflater de Peugeot vóór zijn overlijden aan haar heeft geschonken verkeerd gewogen en daaruit een onjuiste conclusie getrokken. Volgens de dochters blijkt uit de in eerste aanleg door hen overgelegde schriftelijke verklaringen alsmede de inhoud van het proces-verbaal van getuigenverhoor dat erflater bedoeld heeft dat de Peugeot eerst na zijn overlijden voor de vrouw zou zijn. Derhalve is volgens de dochters sprake van een schenking ter zake des doods als bedoeld in artikel 7:177 BW, waarvoor een notariële akte is vereist. Nu een dergelijke akte ontbreekt, is het mogelijke door erflater aan de vrouw overgedragen eigendom komen te vervallen. Daarnaast hebben de dochters de nodige bedenkingen over de onpartijdigheid van de door de vrouw opgeroepen getuigen, aangezien deze in een familieverhouding tot de haar staan. Volgens de dochters heeft de kantonrechter daarvoor geen oog gehad. Zij maken ten slotte bezwaar tegen de aan de vrouw toegekende kosten van vervangend vervoer.

10. De vrouw heeft de stellingen van de dochters gemotiveerd weersproken. Zij wijst erop dat erflater de Peugeot van het begin af aan, zijnde 25 maart 2016, op haar naam heeft laten zetten. Volgens de vrouw heeft de levering op 25 maart 2016 ook aan haar plaatsgevonden door het overhandigen van de autosleutels aan haar. Erflater was toen al niet meer in staat om te rijden. Zij verwijst voorts naar de ondersteunende getuigenverklaringen zoals die worden weergegeven in het bestreden vonnis, alsmede naar de omstandigheid dat in ieder geval de oudste dochter aanvankelijk nog heeft meegewerkt aan het overschrijven van de autoverzekering op naam van de vrouw, nadat deze louter om financiële redenen eerst op naam van erflater had gestaan, vanwege zijn veel hogere ‘no-claimkorting’.

Bewijswaardering

11. Ten aanzien van de bewijswaardering stelt het hof voorop dat op grond van artikel 152 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de waardering van het bewijs aan de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. De motiveringsplicht van de rechter met betrekking tot de bewijswaardering is beperkt. Om bepaalde feiten bewezen te achten, volstaat een door de rechter verkregen redelijke mate van zekerheid omtrent die feiten. In hoger beroep dient de rechter de vraag of het opgedragen bewijs is geleverd, zelfstandig te beantwoorden.

12. Vaststaat dat tussen erflater en de vrouw is overeengekomen dat zij ter gelegenheid van de aankoop van de Peugeot elk hun eigen auto zouden inruilen en dat de vrouw, na de verkoop van haar woning, nog een bedrag van € 5.000,- zou betalen aan (later) erflater. De vrouw heeft haar auto tegen een inruilwaarde van € 1.250,- bij het garagebedrijf ingeleverd en erflater zijn auto tegen een inruilwaarde van € 1.500,-, welke bedragen in mindering zijn gebracht op de aankoopprijs van de Peugeot. Het bedrag van € 5.000,- betreft het bedrag dat de vrouw volgens de veroordeling van de kantonrechter in conventie nog aan de dochters dient te betalen.

13. Het hof overweegt als volgt. Op 18 maart 2016 - de ochtend van de huwelijksdag van erflater en de vrouw - is vanaf het account van erflater een e-mailbericht naar het garagebedrijf verzonden met onder meer het verzoek de Peugeot op naam van de vrouw te stellen, hetgeen ook is geëffectueerd. Het hof acht dit een sterke aanwijzing dat het de bedoeling van erflater was de Peugeot - die reeds besteld was voordat bekend werd dat hij aan een ernstige ziekte leed - aan de vrouw te schenken nu zijn ziekte inmiddels in een ras tempo voortschreed. Wijziging van de tenaamstelling als gedaan, lag naar het oordeel van het hof anders niet in de rede. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat erflater na het bekend worden van zijn ziekte zijn huwelijk met de vrouw niet heeft afgezegd, maar juist vervroegd doorgang heeft laten vinden en steeds heeft aangegeven goed voor de vrouw te willen zorgen. De dochters betwisten dat voormelde e-mail betreffende de tenaamstelling van de Peugeot door erflater zelf is gestuurd. Het hof acht zulks niet doorslaggevend: in de verhouding van (aanstaande) echtgenoten is het gebruikelijk dat in belangrijke aangelegenheden overleg plaatsvindt en dat men op de hoogte is van elkaars handelen ter zake. Het hof gaat ervan uit dat het bericht met medeweten en instemming van de andere (aanstaande) echtgenoot is verstuurd. Bovendien was erflater erbij toen de Peugeot werd opgehaald op 25 maart 2016 en heeft hij zich er op dat moment ook niet tegen verzet dat de auto niet op zijn naam, maar op naam van de vrouw is gesteld.

14. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat erflater en de vrouw op 25 maart 2016 samen de Peugeot bij het garagebedrijf hebben opgehaald, dat de vrouw de autosleutels in ontvangst heeft genomen en in de Peugeot heeft gereden omdat erflater daartoe vanwege het gevorderde stadium van zijn ziekte niet meer in staat was. Daarmee is naar het oordeel van het hof de Peugeot aan de vrouw geleverd doordat aan haar het bezit van de zaak is verschaft.

15. Op grond van het vorenstaande in samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat - overeenkomstig de afspraak tussen erflater en de vrouw - sprake is van een gift van erflater aan de vrouw van de Peugeot, voor zover de waarde daarvan de inruilwaarde van de auto van de vrouw en het door haar nog te betalen bedrag van € 5.000,- (aan erflater, thans de dochters) overschrijdt. Aan deze gift is feitelijk uitvoering gegeven vóór het overlijden van erflater met de levering van de Peugeot aan de vrouw door het garagebedrijf op 25 maart 2016. Derhalve is sprake van een bij leven gedane gift. Al hetgeen de dochters omtrent de gestelde schenking ter zake des doods naar voren hebben gebracht, treft derhalve geen doel. Voor zover in de diverse (getuigen)verklaringen wordt gesproken over wat er in de toekomst met de Peugeot zal gebeuren, volgt daaruit niet dat de vrouw de eigendom van de Peugeot zou verkrijgen onder de voorwaarde van het overlijden van erflater. Door de omstandigheden is het zo gelopen dat de vrouw de eigendom van de Peugeot heeft verkregen als hierboven is beschreven.

16. Het hof acht de door de kantonrechter bepaalde dagvergoeding voor vervangend vervoer - als gevolg van de in hoger beroep bevestigde onterechte beslaglegging op de Peugeot door de dochters - alleszins redelijk en billijk en zal overeenkomstig beslissen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw gewoon was een auto tot haar beschikking te hebben. Zij dient met de schadevergoeding zo veel mogelijk te worden gebracht in de situatie waarin zij zonder de beslaglegging zou hebben verkeerd. De dochters hebben niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat de vrouw daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft.

Bewijsaanbod

17. Mede met het oog op het gevorderde stadium van het partijdebat, waarbij de dochters in eerste aanleg reeds schriftelijke verklaringen van de in hoger beroep door hen genoemde getuigen hebben overgelegd en voor het overige hebben afgezien van contra-enquête, zijn de dochters naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek in wat zij met het in hoger beroep aangeboden getuigenbewijs nog nader of anders beogen te onderbouwen. Daarnaast acht het hof gezien hetgeen hierboven is overwogen het bewijsaanbod betreffende de e-mail inzake de tenaamstelling van de Peugeot, alsmede betreffende de inhoud van het eerste gesprek bij de notaris en de reactie van de vrouw daarop niet ter zake doende. Om voormelde redenen zal het hof het getuigenbewijs van de dochters passeren.

Proceskosten

18. Het hof acht het in dit specifieke geval passend de dochters als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Hetgeen in hoger beroep ter zake de proceskosten meer of anders is gevorderd, zal worden afgewezen.

19. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de dochters in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan dit arrest begroot op € 1.929,- en als volgt gespecificeerd:

  • -

    € 318,- griffierecht

  • -

    € 1.611,- kosten advocaat

en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en P.B. Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.