Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2390

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
BK-18/00810 tm BK-18/00813
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:15422, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1244
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belangh, X, is werkzaam op een schip met een Rijnvaartverklaring met een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd in Luxemburg gevestigd. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven en de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing geacht. De A1-verklaring staat onherroepelijk vast. De Inspecteur is gebonden aan de A1-verklaring. X is premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen in 2011 tot en met 2014. Art. 5 van de Rijnvarendenovereenkomst staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de inspecteur de verzekeringsplicht vast te stellen. De Inspecteur heeft de procedure van art 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 voor toepassing van art. 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet geschonden, aangezien het i.c. niet gaat om toepassing van laatstbedoelde bepaling. Het beginsel van loyale samenwerking (art. 4, lid 3, VWEU) is evenmin geschonden. X zal indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenover-eenkomst wenst, daartoe volgens de in art. 18 van Verordening (EG) nr. 987/2009 beschreven procedure een verzoek tot regularisatie moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van Luxemburg als hij toepassing van die wetgeving wenst. X kan geen recht doen gelden op hogere aftrek van voorheffing sociale verzekeringspremies dan hij al heeft gehad. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase voor de jaren 2011 en 2012 toestemming van X gekregen voor verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar. De termijn die daarmee is gemoeid telt daarom bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn niet mee. X heeft voor die jaren geen recht op vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2019
V-N Vandaag 2019/2017
FutD 2019-2392
RSV 2020/72
NTFR 2019/2395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/00810 tot en met BK-18/00813

Uitspraak van 3 september 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] , [C] en [D] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 juni 2018, nummers SGR 18/439 tot en met SGR 18/442.

Procesverloop

BK-18/00810

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 31.108. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 455 heffingsrente in rekening gebracht.

BK-18/00811

1.2.

Voor het jaar 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 33.865. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 437 belastingrente in rekening gebracht.

BK-18/00812

1.3.

Voor het jaar 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 33.336. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 473 belastingrente in rekening gebracht.

BK-18/00813

1.4.

Voor het jaar 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 33.938. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 145 belastingrente in rekening gebracht.

BK-18/00810, BK-18/00811, BK-18/00813

1.5.

De Inspecteur heeft de tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en beschikkingen heffings- en belastingrente voor de jaren 2011, 2012 en 2014 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

BK-18/00812

1.6.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en beschikking belastingrente voor het jaar 2013 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de aanslag 2013 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 32.625 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 452.

Alle zaken

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is eenmaal een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.8.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier eenmaal een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 juni 2019, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de jaren 2011 tot en met 2014 in Nederland.

2.2.

In de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014 is belanghebbende in loondienst bij [E] ( [E] ), gevestigd te [F] (Luxemburg). Voor deze werkgever was belanghebbende werkzaam in het internationale vervoer over de Europese binnenwateren (Rijnoeverstaten).

2.3.

Belanghebbende heeft in de jaren 2011 tot en met 2014 werkzaamheden verricht op het binnenschip [G] . Dit schip is eigendom van V.O.F. [H] ( [H] ), gevestigd te [I] .

2.4.

De inspectie van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 10 augustus 2007 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart gegeven. De Rijnvaartverklaring vermeldt [H] als eigenaar en [E] als exploitant van het schip. Met ingang van 24 juli 2009 heeft de Inspecteur Verkeer & Watersstaat de Rijnvaartverklaring van 10 augustus 2007 waarop [E] als exploitant stond vermeld ingetrokken omdat geen nieuw certificaat voor een exploitant (Ausrüster Bescheinigung, Certficat d’Exploitant) vanuit Luxemburg is overgelegd.

2.5.

Het Luxemburgse scheepsregister heeft de Inspecteur van Verkeer & Waterstaat ingelicht dat het Luxemburgse Tribunal Administratif op 16 juni 2010 heeft geoordeeld dat [E] niet als exploitant van binnenschepen kan worden aangemerkt. Bij brief van 3 oktober 2011 heeft dit register na daartoe zelf een onderzoek te hebben ingesteld meegedeeld dat de afgegeven Certificats d’exploitant ten name van [E] zijn ingetrokken. Het Luxemburgse Centre Commun de la Securité Sociale heeft op 19 december 2011 de SVB ingelicht dat [E] niet als exploitant kan worden aangemerkt, maar zich alleen heeft beziggehouden met het uitlenen van personeel.

2.6.

Op 10 maart 2006 is door de bevoegde sociale zekerheidsautoriteit in Luxemburg een E101-verklaring afgegeven. Op 10 maart 2017 is deze verklaring met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 ingetrokken.

2.7.

De SVB heeft op 9 oktober 2017 een A1-verklaring afgegeven over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014 waarbij de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen op 1 mei 2018 een bezwaarschrift ingediend bij de SVB. De SVB heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak op bezwaar staat inmiddels onherroepelijk vast.

2.8.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een premie-inkomen van € 31.108:

- Uitkering [J] € 234

- Loon [E] € 40.797

- Saldo inkomsten eigen woning € 9.023 -/-

- Uitgaven voor inkomensvoorzieningen € 900 -/-

€ 31.108

In de aangifte wordt verzocht om vrijstelling voor de premies volksverzekeringen.

2.9.

Met dagtekening 27 juni 2014 is de definitieve aanslag IB/PVV 2011 opgelegd. Het premie-inkomen is conform de ingediende aangifte vastgesteld op € 31.108 en belanghebbende is aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen. Bij uitspraak van 1 december 2017 is het tegen de aanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.10.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een premie-inkomen van € 33.865:

- Loon [E] € 41.817

- Saldo inkomsten eigen woning € 7.952 -/-

€ 33.865

In de aangifte wordt verzocht om vrijstelling voor de premies volksverzekeringen.

2.11.

Met dagtekening 6 februari 2015 is de definitieve aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Het premie-inkomen is conform de ingediende aangifte vastgesteld op € 33.865 en belanghebbende is aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen. Bij uitspraak van 1 december 2017 is het tegen de aanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.12.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte IB/PVV gedaan naar een premie-inkomen van € 33.336:

- Uitkering [J] € 470

- Loon [E] € 42.862

- Saldo inkomsten eigen woning € 9.996 -/-

€ 33.336

In de aangifte wordt verzocht om vrijstelling voor de premies volksverzekeringen.

2.13.

Met dagtekening 31 december 2015 is de definitieve aanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Het premie-inkomen is conform de ingediende aangifte vastgesteld op € 33.336 en is belanghebbende aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen. Bij uitspraak van 14 december 2017 is het tegen de aanslag ingediende bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is toegelicht dat het premie-inkomen met € 710,50 is verlaagd, omdat met 50%-aftrekbaarheid van de premie cotisations sociales rekening wordt gehouden.

2.14.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een premie-inkomen van € 36.363:

- Loon [E] € 29.107

- Loon [K] AG € 18.090

- Saldo inkomsten eigen woning € 10.834 -/-

€ 36.363

In de aangifte wordt verzocht om vrijstelling voor de premies volksverzekeringen.

2.15.

Met dagtekening 29 september 2016 is de definitieve aanslag IB/PVV 2014 opgelegd. Het premie-inkomen is vastgesteld op € 33.938 en bestaat uit:

- Loon [E] € 29.107

- Loon [K] AG € 15.021

- Saldo inkomsten eigen woning € 10.834 -/-

- rente kapitaalverzekering € 644

€ 33.938

Voor de periode 1 januari tot en met 31 augustus 2014 is geen vrijstelling voor de premies volksverzekeringen verleend. Bij uitspraak van 1 december 2017 is het tegen de aanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Oordeel van de rechtbank

3. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

Bevoegdheid

17 Op grond van artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen is de rijksbelastingdienst belast met de heffing van de premies voor de volksverzekeringen. De premies voor de volksverzekeringen worden op grond van artikel 58 van voornoemde wet bij wege van aanslag geheven. Artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt vervolgens dat de aanslag door de Inspecteur wordt vastgesteld. De Belastingdienst is derhalve bevoegd om premie volksverzekeringen te heffen. Daaraan doet niet af dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voor Nederland bevoegde autoriteit is om op grond van art. 13 van het Rijnvarendenverdrag een zogenaamde regularisatieprocedure te starten (vgl. HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785).

Premieplicht

18 Het uitgangspunt is dat een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten. Op grond van artikel 6a van de AOW wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

19 Vaststaat dat [belanghebbende] in de periode 2011 tot en met 2014, waar het hier om gaat, in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is [belanghebbende] voor die jaren aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

20 [ Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

21 De rechtbank overweegt dat nu [belanghebbende] zich beroept op afwijking van bovengenoemde hoofdregel dat een Nederlandse ingezetene in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen, op hem de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – aannemelijk te maken (vgl. HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016).

22 Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende] als Rijnvarende kan worden aangemerkt.

23 Voor werknemers die werkzaam waren op een binnenvaartschip waarvan de reder of eigenaar over een Rijnvaartakte beschikte, gold sinds 1961 een apart verdrag (Rijnvarendenverdrag) dat onder meer regelde welke sociale zekerheidswetgeving op hen van toepassing was. Verordening (EEG) 1408/71 regelde de sociale zekerheidspositie van grensoverschrijdende werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie. Omdat het Rijnvarendenverdrag de sociale zekerheidspositie van werknemers op de Rijnvaart al regelde, was in Verordening (EEG) 1408/71 expliciet bepaald dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing bleef.

Verordening (EEG) 1408/71 is per 1 mei 2010 vervangen door Verordening (EG) 883/2004. Sinds het van kracht worden van de nieuwe Verordening (EG) 883/2004, is het Rijnvarendenverdrag niet meer van toepassing in de verdragsluitende landen die tevens lid zijn van de Europese Unie (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland).

Op 23 december 2010 hebben België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (Rijnvarendenovereenkomst) gesloten. De Rijnvarendenovereenkomst werd van kracht op 11 februari 2011 en werkt terug tot 1 mei 2010, de datum waarop Verordening (EG) 883/2004 in werking trad. Voor Rijnvarenden is met de Rijnvarendenovereenkomst een invulling gegeven aan het uitzonderingsartikel 16 van Verordening (EG) 883/2004. Dit betekent dat niet de Verordening (EG) 883/2004, maar de Rijnvarendenovereenkomst exclusief regelt welke sociale zekerheidswetgeving op een Rijnvarende van toepassing is.

24 Op grond van artikel 1, onderdeel c, en artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is [belanghebbende] premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip waarop hij zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd, is gevestigd. Als exploitant in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst, geldt de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.

25 Tussen partijen is niet in geschil dat niet [E] maar de eigenaar [H] als exploitant van het schip moet worden aangemerkt. Omdat de exploitant in Nederland is gevestigd, is [belanghebbende] gelet op al het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank in beginsel in Nederland premieplichtig.

26 De stelling van [belanghebbende], dat [de Inspecteur] gebonden is aan de E101-verklaring, waarin wordt verklaard dat [belanghebbende] in Luxemburg premieplichtig is, kan niet kan worden gevolgd. De E101-verklaring betreft een communautair formulier en heeft in het kader van de Rijnvarendenovereenkomst geen gelding (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0827 onder de Verordening (EEG) 1408/71). Nog daargelaten dat de E101-verklaring op 10 maart 2017 door de bevoegde autoriteit met terugwerkende kracht is ingetrokken. De enkele stelling dat het bericht van intrekking [belanghebbende] niet heeft bereikt, doet, wat daar ook van zij, niet af aan het feit dat de verklaring is ingetrokken.

27 [ Belanghebbende]s standpunt dat Nederland ter zake van de sociale verzekeringsplicht moet terugtreden nu [belanghebbende] zelf premies heeft betaald dan wel deze van zijn loon zijn ingehouden ten behoeve van de Luxemburgse sociale verzekeringen, kan evenmin worden gevolgd. Die betaling of inhouding creëert als zodanig geen verzekeringsplicht in Luxemburg en staat de verschuldigdheid van premies volksverzekeringen in Nederland dus niet in de weg. Ook niet in het geval, zoals bij [belanghebbende], hij de in Luxemburg betaalde verzekeringspremies niet zal kunnen terugkrijgen, omdat de werkgever failliet is gegaan. Dit regardeert Nederland niet en kan de Rijnvarendenovereenkomst niet terzijde stellen.

28 [ Belanghebbende]s stelling dat zijn belastbare loon over 2013 en 2014 te hoog is vastgesteld, omdat ten onrechte geen aftrek is toegepast van de betaling in Luxemburg van sociale verzekeringspremies, treft geen doel. Gegeven de Mededeling van 5 januari 2016, DGB 2016/20 van het Directoraat-generaal van de Belastingdienst / Cluster Fiscaliteit – welke op grond van het Besluit van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M eveneens geldt voor de aanslag IB/PVV 2013 en 2014 – is van een aftrekbare post pas sprake als de belastingplichtige niet in Nederland sociaal verzekerd is, hetgeen hier niet aan de orde is. Ten aanzien van het jaar 2013 is het fiscale loon overigens wel verminderd met 50% van de Cotisations sociales, hoewel de Belastingdienst daar op grond van voornoemde Mededeling niet toe was gehouden.

29 Door [de Inspecteur] wordt betwist en door [belanghebbende] is niet verder onderbouwd, dat [belanghebbende] dubbel is aangeslagen voor de loonheffing, omdat aan [E] over hetzelfde loon reeds een naheffingsaanslag loonheffingen zou zijn opgelegd, zodat de rechtbank daarvan niet kan uitgaan.

Beginselen van behoorlijk bestuur

30 Het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan niet slagen. De door een andere staat afgegeven E101-verklaring onder werking van een niet jegens belanghebbende toepasselijke verordening, bindt de andere staten niet (vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch, 12 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5844, rov 4.14). Ook aan het bestaan van een eerdere regularisatieovereenkomst (voor de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2010) kan niet zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat voor alle toekomstige jaren een regularisatieovereenkomst zal gelden. Daarbij komt nog dat een regularisatieprocedure weliswaar kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag, maar dat dat los staat van de onderhavige rechterlijke procedure over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden (vgl. HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785).

31 [ Belanghebbende] stelt terecht dat [de Inspecteur] niet aan het transparantiebeginsel heeft voldaan door na te laten de correspondentie te overleggen, die ertoe heeft geleid dat de E101-verklaring is ingetrokken. Hierin ziet de rechtbank echter op zichzelf onvoldoende aanleiding om de zaak aan te houden of hieraan consequenties te verbinden.

32 Gelet op voorgaande overwegingen is het ook niet nodig om de door [de Inspecteur] ter zitting overgelegde A1-verklaring nader te onderzoeken en de procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen aan het HvJ EG ten aanzien van de rechtsgeldigheid van een dergelijke verklaring.

Vergoeding van immateriële schade 2011, 2012 en 2013

33 [ Belanghebbende] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg, wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

34 Ten aanzien van de jaren 2011 en 2012 is niet in geschil dat [belanghebbende] expliciet en ongeclausuleerd heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, derde lid, van de Awb, en de datum waarop uitspaak wordt gedaan op het bezwaarschrift. Gelet hierop blijft deze periode buiten aanmerking (vgl. HR, 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2600).

35 Voor het jaar 2013 staat tussen partijen vast dat [belanghebbende] niet heeft ingestemd met uitstel. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door [de Inspecteur] op 9 februari 2016 tot de uitspraak van de rechtbank tot op heden zijn 2 jaar en ruim 4 maanden verstreken. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 4 maanden, welke geheel dient te worden toegerekend aan [de Inspecteur] nu de rechtbank zelf binnen de haar toekomende tijd uitspraak heeft gedaan. De rechtbank ziet daarom, ondanks dat (ook) het beroep 2013 ongegrond is, wel aanleiding om [belanghebbende] een immateriële schadevergoeding toe te kennen, welke wordt bepaald op € 500.

Proceskosten en griffierecht

36 Aangezien de beroepen van [belanghebbende] ongegrond zijn, bestaat geen aanleiding voor veroordeling van [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. De enkele omstandigheid dat de beroepsprocedures hebben geleid tot toekenning van een immateriële schadevergoeding is geen reden voor toekenning van een proceskostenvergoeding. Wel dient [de Inspecteur] het door [belanghebbende] betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in de jaren 2011 tot en met 2014 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen en of hij voor het jaar 2014 recht heeft op aftrek van Luxemburgse sociale verzekeringsbijdragen (cotisations sociales). Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend en de Inspecteur beantwoordt de vragen in tegenovergestelde zin.

4.2.

Voorts is in geschil of belanghebbende voor de jaren 2011 en 2012 een vergoeding wegens immateriële schade wegens lange duur van de procedure toekomt. Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de aanslagen premieheffing volksverzekeringen alsmede voor de jaren 2011 en 2012 tot het toekennen van een vergoeding wegens immateriële schade en een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase en de hoger beroepsfase.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Premieplicht

5.1.

Vast staat dat belanghebbende in de jaren 2011 tot en met 2014 in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, was belanghebbende in dat jaar Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

5.2.

In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

5.3.

Belanghebbende stelt dat hij, in afwijking van de in 5.1 vermelde hoofdregel, in de in geding zijnde periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is. Het is aan belanghebbende feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat hij in die periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen is.

Bevoegdheid Inspecteur tot vaststelling verzekeringsplicht

5.4.

Belanghebbende stelt in dit verband dat hij in de onderhavige jaren niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen, maar valt onder het socialezekerheidsstelsel van Luxemburg. Ter onderbouwing daarvan heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de Inspecteur niet bevoegd is om wat betreft de verzekeringsplicht af te wijken van de door hem ingediende aangiften IB/PVV, omdat op grond van artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de daartoe bevoegde autoriteit is.

5.5.

Het Hof overweegt dienaangaande dat de premie voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geheven door de rijksbelastingdienst. De premie voor de volksverzekeringen wordt ingevolge artikel 58 van de Wfsv bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Artikel 11, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de aanslag door de inspecteur wordt vastgesteld. Gelet op deze wettelijke regels heeft de inspecteur derhalve de bevoegdheid premie volksverzekeringen te heffen. Heffing vindt plaats van de premieplichtige. Premieplichtig is de verzekerde. Om de premieplicht te kunnen vaststellen zal de inspecteur eerst moeten constateren of sprake is van verzekeringsplicht aan de hand van de ingevolge de aanwijsregels toe te passen regelgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in het onderhavige geval overeenkomstig deze regelgeving zijn heffingsbevoegdheid uitgeoefend. Anders dan belanghebbende stelt, staat artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst niet in de weg aan de bevoegdheid van de Inspecteur om de verzekeringsplicht van belanghebbende vast te stellen zoals die voortvloeit uit de Wfsv.

5.6.

Belanghebbende heeft in dit verband een beroep gedaan op de tussenuitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 april 2018, nrs. 16/03715 en 16/03797, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 en ECLI:NL:GHSHE:2018:1665. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat het antwoord van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 oktober 2018, nr. 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725 op de door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in deze tussenuitspraken gestelde prejudiciële vragen aan het vorenstaande onder 5.5 niet afdoet.

Verzekeringsplicht

5.7.

Het binnenschip waarop belanghebbende in de in geding zijnde periode werkzaam was, is voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Belanghebbende valt onder de personele werkingssfeer van de overeenkomst tussen de Rijnoeverstaten die zij krachtens artikel 16, lid 1, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving (de Rijnvarendenovereenkomst) in afwijking van de in titel II van de verordening (EG) 883/2004 opgenomen aanwijsregels hebben gesloten. Belanghebbende valt eveneens onder de materiële werkingssfeer omdat hij zijn werkzaamheden heeft verricht aan boord van een schip dat is voorzien van het certificaat voor de Rijnvaart en dat met winstoogmerk wordt gebruikt door een in Nederland gevestigd bedrijf (vof [H] te [I] ). De eerder gegeven Rijnvaartverklaring van 10 augustus 2007 heeft gelet op de hiervoor onder 2.4 vastgestelde feiten met ingang van 24 juli 2009 geen rechtsgeldigheid meer. Op basis van de Rijnvarendenovereenkomst is op belanghebbende de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing.

5.8.

Uit de stukken van het geding blijkt dat de SVB op 9 oktober 2017 een A1-verklaring heeft gegeven, waarin is vastgesteld dat in de in geding zijnde periode de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing is op belanghebbende. Deze A1-verklaring staat onherroepelijk vast. Reeds daarom faalt de stelling van belanghebbende dat bij gebreke van een vaststaande A1-verklaring de aangifte moet worden gevolgd.

5.9.

Blijkens het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 dient de Inspecteur zich te richten naar de verklaring van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 9 oktober 2009, nr. 08/02433, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, r.o. 3.4.5, hierna: het arrest van 9 oktober 2009).

5.10.

Ingevolge de door de SVB gegeven A1-verklaring is belanghebbende in de in geding zijnde periode in Nederland verzekerings- en premieplichtig voor de premie volksverzekeringen. Dit leidt tot het oordeel dat de Inspecteur over die periode terecht premie volksverzekeringen van belanghebbende heeft geheven.

De procedure van artikel 16 van Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening)

5.11.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur de verzekeringsplicht niet volgens de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening heeft vastgesteld, zodat de opgelegde aanslagen niet in stand kunnen blijven.

5.12.

In artikel 16 van de Toepassingsverordening is de procedure voor de toepassing van artikel 13 van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening) geregeld. Echter, in het onderhavige geval gaat het niet om de toepassing van artikel 13 van de Basisverordening. Op belanghebbende is immers de krachtens artikel 16 van de Basisverordening gesloten Rijnvarendenovereenkomst van toepassing, waarin uitzonderingen zijn vastgesteld op, onder meer, artikel 13 van de Basisverordening. Belanghebbendes standpunt faalt derhalve.

Het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VWEU)

5.13.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking, zoals neergelegd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

5.14.

Ook dit standpunt faalt. In de verhouding tussen Nederland en Luxemburg zijn de Rijnvarendenovereenkomst en de daarin opgenomen aanwijsregels bindend (zie onder 5.7), zodat van handelen in strijd met het beginsel van loyale samenwerking wegens het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening geen sprake kan zijn.

Afwijking op individueel niveau op grond van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening)

5.15.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van dubbele heffing van sociale verzekeringspremies, zodat artikel 16, lid 1 van de Basisverordening moet worden toegepast, welke bepaling de lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen de mogelijkheid biedt om in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 de Basisverordening vast te stellen. Hieraan staat, aldus nog steeds belanghebbende, niet in de weg dat de Rijnvarendenovereenkomst in het onderhavige geval van toepassing is en evenmin het feit dat belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden, aangezien de aanwijsregels uit de Rijnvarendenovereenkomst niet in belanghebbendes belang zijn.

5.16.

Naar het oordeel van het Hof zal belanghebbende, indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe volgens de in artikel 18 van de Toepassingsverordening beschreven procedure een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Luxemburg. Een dergelijk verzoek tot regularisatie kan geen inzet zijn van de onderhavige procedure, aangezien de Inspecteur niet bevoegd is om een dergelijke 'regularisatieprocedure' te voeren. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

,Artikel 73, lid 2, Verordening (EG) 987/2009 (Toepassingsverordening)

5.17.

Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende voor de volksverzekeringen verzekerd in Nederland. Aan de in artikel 73, lid 2, van Verordening (EG) 987/2009 genoemde terugbetaling van reeds in een andere Lidstaat betaalde volksverzekeringspremies kan slechts worden toegekomen nadat het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de verzekeringsplicht is vastgesteld, in dit geval Nederland, zekerheid heeft gekregen dat in de lidstaat die op grond van artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) 987/2009 (Toepassingsverordening) de verzekeringsplicht voorlopig heeft vastgesteld, premies zijn betaald. Wat er zij van de mogelijkheid om in het kader van de onderhavige procedure een dergelijke verrekening na terugbetaling door een andere lidstaat van de Inspecteur te verlangen, geldt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bevoegde autoriteit in Luxemburg in dit geval op grond van artikel 6, lid 4, van de Toepassingsverordening de sociale verzekeringsplicht voor Luxemburg voorlopig heeft vastgesteld en dus ook niet dat er in Luxemburg premies zijn betaald. Een A1-verklaring die de in geding zijnde periode bestrijkt is er niet.

Verrekening ingehouden premies

5.18.

Belanghebbende heeft gesteld dat voor het jaar 2014 rekening moet worden gehouden met door [E] in Luxemburg op belanghebbendes loon ingehouden sociale verzekeringspremies (zgn. cotisations sociales) en dat hij dat recht ontleent aan de Mededeling van het Directoraat Generaal Belastingdienst/Cluster Fiscaliteit van 5 januari 2016, DGB 2016/20, V-N 2016/11.11 en voorgaande mededelingen. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Deze mededeling geeft antwoord op de vraag hoe de buitenlandse sociale verzekeringen moeten worden gekwalificeerd (als werkgevers- of werknemerspremie) ter bepaling van het Nederlandse fiscale loon, maar geeft geen antwoord op de vraag of zoals in dit geval in Luxemburg ten onrechte ingehouden premies mogen worden verrekend met in Nederland terecht ingehouden premies. De Mededeling bevat daarvoor geen tegemoetkoming. Het Hof merkt op dat het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 april 2009, CPP2009/93M, Stcrt. 2009, 76 de door de werknemer zelf betaalde premies voor verzekeringen die naar aard en strekking vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen, waaronder de AWBZ, dan wel vergelijkbaar zijn met de Nederlandse Zorgverzekeringswet, niet in aftrek toestaat.

Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur

5.19.

Volgens belanghebbende brengen de in acht te nemen zorgvuldigheid en de in dat kader te maken belangenafweging met zich dat – teneinde dubbele premieheffing te voorkomen – (i) artikel 16, lid 1, van de Basisverordening bij de vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving moet worden toegepast, met als gevolg dat de Luxemburgse wetgeving op belanghebbende van toepassing moet worden verklaard en (ii) de kwestie op de voet van artikel 72 van de Basisverordening moet worden voorgelegd aan een Administratieve Commissie.

5.20.

Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. De Inspecteur is niet bevoegd om in overleg te treden met Luxemburgse autoriteiten (zie onder 5.16) en geen rechtsregel verplicht de Inspecteur om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland bevoegde autoriteit contact op te nemen teneinde een dergelijke regularisatieprocedure te doen starten. Hetzelfde geldt ten aanzien van belanghebbendes grief dat de kwestie niet is voorgelegd aan de Administratieve Commissie. Omstandigheden die in het onderhavige geval voor een dergelijk contact aanleiding zouden geven, zijn niet aannemelijk geworden. De Inspecteur mocht in redelijkheid het standpunt innemen dat (slechts) de wetgeving van Nederland van toepassing is. De stelling van belanghebbende dat door de Inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, stuit voorts af op hetgeen is overwogen onder 5.5 en 5.16. Ook het beroep op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel stuit op het voorgaande af.

Heffingsrente en belastingrente

5.21.

Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van heffings- en belastingrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Evenmin is gebleken dat deze bedragen niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen zijn berekend.

Immateriële schadevergoeding

5.22.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van het bezwaarschrift. Bij het doen van uitspraak door de Rechtbank op 12 juni 2018 was deze termijn overschreden voor de aanslagen over de jaren 2011, 2012 en 2013. Met betrekking tot de behandeling van de aanslag over 2014 was de redelijke termijn in bezwaar en beroep, naar tussen partijen niet in geschil is, niet overschreden.

5.23.

De Rechtbank heeft voor het jaar 2013 een vergoeding toegekend van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding met name aan de bezwaarfase was toe te rekenen. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat ook voor de jaren 2011 en 2012 een vergoeding dient te worden toegekend. Het bezwaarschrift tegen de aanslag voor het jaar 2011 is op 6 augustus 2014 ontvangen en het bezwaarschrift tegen de aanslag voor het jaar 2012 op 18 maart 2015; uitspraak op bezwaar voor beide jaren is gedaan op 1 december 2017 en op 11 januari 2018 is beroep ingesteld. Tussen partijen staat vast dat de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de bezwaarprocedure, die langer dan zes maanden heeft geduurd.

5.24.

Belanghebbende bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de duur van de verlenging van de beslistermijn. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de instemming van zijn gemachtigde van 21 augustus 2014 respectievelijk 1 april 2015 met het voorstel van de Inspecteur van 12 augustus 2014 respectievelijk 23 maart 2015 om voor de jaren 2011 en 2012 de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Awb te verlengen, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven voor het verlengen van de redelijke termijn als bedoeld in r.o. 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337 en r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140.

5.25.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de instemming van de gemachtigde met overschrijding van de wettelijke beslistermijn een bijzondere omstandigheid in voormelde zin vormt (vgl. HR 13 oktober 2017, nr. 17/00694, ECLI:NL:HR:2017:2600, BNB 2017/219). Door de instemming kan immers voor de op die instemming betrekking hebbende tijd niet worden gezegd dat sprake is van spanning en frustratie bij belanghebbende. Het oordeel van de Rechtbank dat in het onderhavige geval voor de jaren 2011 en 2012 de redelijke termijn in bezwaar niet is overschreden, is derhalve juist. Het standpunt van belanghebbende wordt verworpen.

De redelijke termijn in hoger beroep is niet overschreden omdat sinds het instellen daarvan tot de uitspraak van het Hof nog geen twee jaar is verstreken.

Slotsom

5.26.

Gelet op al het vorenoverwogene moet het hoger beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

Voor vergoeding van proceskosten en griffierecht zijn geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 3 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.