Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2389

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
BK-18/00775
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:7520, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belangh, X, is werkzaam op een schip met een Rijnvaartverklaring met een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd in Luxemburg. De SVB heeft geen A1-verklaring afgegeven en de Luxemburgse autoriteit evenmin. Naar het oordeel van het Hof is X in 2013 premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. Art. 5 van de Rijnvarendenovereenkomst staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de inspecteur de verzekeringsplicht vast te stellen. De Inspecteur heeft de procedure van art 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 voor toepassing van art. 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet geschonden, aangezien het i.c. niet gaat om toepassing van laatstbedoelde bepaling. Het beginsel van loyale samenwerking (art. 4, lid 3, VWEU) is evenmin geschonden. X zal indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe volgens de in art. 18 van Verordening (EG) nr. 987/2009 voorgeschreven procedure een verzoek tot regularisatie moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van Luxemburg als hij toepassing van die wetgeving wenst. X kan geen recht doen gelden op hogere aftrek van de voorheffing sociale verzekeringspremies dan hij al heeft gehad. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden. X heeft recht op immateriële schadevergoeding omdat de bezwaarfase te lang heeft geduurd. De Inspecteur heeft geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die de overschrijding rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2019
V-N Vandaag 2019/2021
FutD 2019-2392
V-N 2019/58.1.2
NTFR 2019/2394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00775

Uitspraak van 3 september 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

(gemachtigde: [A])

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B], [C] en [D] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 juni 2018, nummer SGR 18/586.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 24.060. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 314 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft de tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en beschikking belastingrente gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en premie inkomen van € 23.661 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 302.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 juni 2019, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in 2013 in Nederland.

2.2.

In het jaar 2013 is belanghebbende in loondienst bij [E] S.A., gevestigd te [F], Luxemburg. Voor deze werkgever was belanghebbende werkzaam in het internationale vervoer over de Europese binnenwateren (Rijnoeverstaten).

2.3.

Belanghebbende heeft in het jaar 2013 werkzaamheden verricht op het binnenschip [G]. Dit schip is eigendom van [H] h.o.d.n. “Scheepvaartonderneming [I]”.

2.4.

De inspectie van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft voor het schip op 11 maart 2008 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte gegeven waarin is vermeld dat [H] h.o.d.n. Scheepvaartonderneming [I] eigenaar is en het schip exploiteert. De winst- en verliesrekening over 2013 van deze onderneming vermeldt een netto omzet van € 767.550 en € 248.235 aan personeelskosten.

2.5.

Union dex Caisses de Maladie in Luxemburg heeft op 5 augustus 2011 een E-106 verklaring gegeven waaruit blijkt dat belanghebbende in de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 recht heeft op prestaties uit hoofde van ziekte en moederschap. De verklaring is gegeven op grond van artikel 19, lid 1, onderdeel a dan wel artikel 19, lid 2 dan wel artikel 25, lid 3, onderdeel i, van de Verordening (EG) 1408/71.

2.6.

De SVB heeft aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven waarbij op belanghebbende de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing wordt geacht voor de periode 1 mei 2011 tot en met 30 september 2011 en 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2012. Een verzoek tot afgifte van een dergelijke verklaring waarbij de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving van toepassing wordt geacht, is afgewezen.

2.7.

De SVB en/of de Luxemburgse zusterorganisatie hebben aan belanghebbende geen A1- of E101-verklaring gegeven die betrekking heeft op het jaar 2013.

2.8.

De Rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 maart 2018, nr. ROT 17/3207 (rectificatie van de uitspraak van 20 februari 2018, nr. ROT 17/3142), ECLI:NL:RBROT:2018:2934, nr. ROT 17/3208, ECLI:NL:ROT:2018:1200 geoordeeld dat gelet op artikel 18 van Toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 vanaf 1 mei 2010 verzoeken om regularisatie dienen te worden beoordeeld door de bevoegde autoriteit of lidstaat waarvan de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving wordt verzocht en dat het verzoek van belanghebbende om regularisatie voor de jaren 2012, 2013 en 2014 naar de bevoegde autoriteiten in Luxemburg hadden moeten worden doorgezonden omdat belanghebbende verzoekt de sociale zekerheidswetgeving van die lidstaat toe te passen.

2.9.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.060, bestaande uit het loon dat is betaald door [E] S.A. (€ 26.152,83) na te zijn verminderd met in Luxemburg betaalde premies Pensionskasse (€ 2.092). In de aangifte wordt de Inspecteur verzocht vrijstelling te verlenen van de heffing van premies volksverzekeringen.

2.10.

De Inspecteur heeft met dagtekening 9 maart 2016 de definitieve aanslag IB/PVV 2013 opgelegd naar het bij de aangifte vermelde belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.060 en heeft belanghebbende geen vrijstelling premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen verleend. Bij uitspraak van 1 december 2017 heeft de Inspecteur het tegen de aanslag ingediende bezwaar ten dele gegrond verklaard, het brutoloon nader verminderd met door belanghebbende in Luxemburg betaalde premies Krankenkasse (50%) en Krankengeld (50%) en het belastbaar inkomen uit werk en woning en premie-inkomen nader vastgesteld op € 23.661.

Oordeel van de rechtbank

3. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

Vrijstelling premieplicht volksverzekeringen

6. Ingevolge artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (de wet) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland premieplichtig voor de premies volksverzekeringen.

7. In afwijking van artikel 6 van de wet wordt op grond van artikel 6a van de wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van de wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

8. Vast staat dat [belanghebbende] in het onderhavige jaar in Nederland woonde, de Nederlandse nationaliteit had, de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt en dat hij, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart werd gebruikt en dat was voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. [Belanghebbende] is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een Rijnvarende in de zin van de op 11 februari 2011 tussen de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland gesloten Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving, Stcrt. 2011/3397 (de Rijnvarendenovereenkomst), zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van deze overeenkomst moet worden beoordeeld.

9. Op grond van artikel 1, onderdeel c, en artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst is [belanghebbende] premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip is gevestigd. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de zetel van ‘Scheepvaartonderneming [I]’ zich in Nederland bevindt, is [belanghebbende] op grond van de Rijnvarendenovereenkomst in Nederland verplicht verzekerd voor de sociale verzekeringen. Daarvan uitgaande heeft [de Inspecteur] voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 dan ook terecht geen vrijstelling van premies volksverzekeringen verleend.

10. [ Belanghebbende] stelt dat de [de Inspecteur] niet bevoegd is af te wijken van de door hem ingediende aangiften voor wat betreft de premieplicht nu [de Inspecteur], waar het gaat om de heffing van premies volksverzekeringen, geen bevoegdheid toekomt. De rechtbank overweegt dat de premie voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geheven door de rijksbelastingdienst. De premie voor de volksverzekeringen wordt ingevolge artikel 58 van de Wfsv bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de aanslag door [de Inspecteur] wordt vastgesteld. [De Inspecteur] heeft gelet op de voorgaande wettelijke regeling dan ook de bevoegdheid premie volksverzekeringen te heffen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] in het onderhavige geval overeenkomstig deze wettelijke regeling zijn heffingsbevoegdheid uitgeoefend. Daaraan doet niet af dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister) of de Sociale Verzekeringsbank (SVB) als bevoegde autoriteit voor Nederland bevoegd zijn om op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) 883/2004 overleg te plegen, dat kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikelen 11 tot en met 15 van de Verordening (EG) 883/2004. Dit overleg staat immers los van de onderhavige procedure over de ingevolge de aanwijsregels uit de Rijnvarendenovereenkomst toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden. Al hetgeen [belanghebbende] aanvoert omtrent het niet toepassen van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004, waaronder de stelling van [belanghebbende] dat door [de Inspecteur] onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang en de dubbele premiebetaling, betreffen bevoegdheden van de SVB, als bevoegde autoriteit. Voorts verplicht geen rechtsregel [de Inspecteur] om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland wel bevoegde autoriteit, de Minister dan wel de SVB, als vertegenwoordiger van de Minister, contact op te nemen. Hetzelfde heeft te gelden voor [belanghebbende]s grief dat geen interpretatieve vraag is voorgelegd aan het Administratief Centrum. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur door [de Inspecteur] doordat [de Inspecteur] dit heeft nagelaten.

12. [ Belanghebbende]s beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Uit het gegeven dat in een eerder jaar - op grond van een regularisatie - bij [belanghebbende] geen premie volksverzekeringen is geheven kan geen in rechte te honoreren vertrouwen worden gewekt dat [belanghebbende] ook in 2013 is vrijgesteld van de premieheffing.

13.1 [

Belanghebbende] heeft het standpunt ingenomen dat hij voor de sociale verzekeringen is verzekerd in Luxemburg en daarom niet verzekerd kan zijn in Nederland. Hij wijst daartoe op de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106-verklaring en een E101-verklaring. Ter zitting heeft gemachtigde van [belanghebbende] bevestigd dat geen E101-verklaring is afgegeven. Om die reden faalt de beroepsgrond in zoverre. Tot de stukken van het geding behoort een ten aanzien van [belanghebbende] afgegeven E106-verklaring met dagtekening 5 augustus 2011, door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De rechtbank constateert dat deze verklaring is afgegeven voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010. Nu de E106-verklaring niet het jaar 2013 betreft, faalt deze beroepsgrond in zoverre eveneens. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende]s standpunt dat [de Inspecteur] gebonden is aan een Luxemburgse verklaring, berust op een onjuiste rechtsopvatting gegeven het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ) van 9 september 2015 (ECLI:EU:C:2015:564). In rechtsoverweging 51 van dat arrest is het volgende vermeld:

“Gelet op het voorgaande, dient op de vragen in zaak C-72/14 en op de tweede vraag in zaak C-197/14 te worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, alsmede de artikelen 10 quater tot en met 11 bis, 12 bis en 12 ter van verordening nr. 574/72, aldus moeten worden uitgelegd dat een verklaring die het bevoegde orgaan van een lidstaat, in de vorm van een E101-verklaring, heeft afgegeven teneinde te bevestigen dat een werknemer is onderworpen aan de sociale wetgeving van die lidstaat, terwijl deze werknemer valt onder het Rijnvarendenverdrag, niet bindend is voor de organen van de andere lidstaten, en dat het in dit verband niet relevant is dat het orgaan van afgifte niet beoogde een echte E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen het standaardformulier van die verklaring heeft gebruikt.”

Het arrest van het HvJ van 27 april 2017, C-620/15, ECLI:EU:C:2017:309, brengt daarin geen verandering. Kennelijk is doorslaggevend in het onderhavige geval dat de positie van belanghebbende geheel wordt beheerst door het Rijnvarendenverdrag en niet door de Verordening (EEG) nr. 1408/71.

13.2.

De rechtbank heeft, anders dan [belanghebbende], geen reden om aan te nemen dat het oordeel van het HvJ anders zou luiden onder de werking van Verordening (EG) 883/2004 en ook niet ingeval geen sprake is van een E101- maar van een E106-verklaring (vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2904, r.o. 2.5). De rechtbank is daarom van oordeel dat [de Inspecteur] niet gebonden is aan een door Luxemburg afgegeven E106-verklaring, indien deze voor de onderhavige periode al aan [belanghebbende] zou zijn afgegeven. [Belanghebbende] heeft ter zitting verklaard dat hij wellicht beschikt over een E106-verklaring die vóór 5 augustus 2011 is afgegeven en voor onbepaalde tijd geldt. De rechtbank ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding om [belanghebbende] in de gelegenheid te stellen deze verklaring te overleggen.

14. [ Belanghebbende]s standpunt dat Nederland ter zake van de sociale verzekeringsplicht moet terugtreden nu [belanghebbende] zelf premies heeft betaald dan wel deze van zijn loon zijn ingehouden ten behoeve van de Luxemburgse sociale verzekeringen, berust eveneens op een onjuiste rechtsopvatting. Die betaling of inhouding creëert als zodanig geen verzekeringsplicht in Luxemburg en staat de verschuldigdheid van premies volksverzekeringen in Nederland dus niet in de weg. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

15. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot het oordeel dat [de Inspecteur] voor het jaar 2013 [belanghebbende] terecht niet heeft vrijgesteld van premieheffing voor de volksverzekeringen. Al hetgeen [belanghebbende] overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Berekening belastbaar inkomen uit werk en woning

16. [ Belanghebbende] voert ten aanzien van de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning aan dat [de Inspecteur] ten onrechte geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de in Luxemburg betaalde sociale verzekeringspremies. [Belanghebbende] wijst hierbij op de Mededeling van het Directoraat-generaal Belastingdienst/Cluster Fiscaliteit van 5 januari 2016, DGB 2016/20 (Mededeling). Vast staat dat [de Inspecteur] deze Mededeling in bezwaar heeft toegepast en het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verlaagd. Niet gebleken is dat de Mededeling door [de Inspecteur] onjuist is toegepast. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door [de Inspecteur] dan ook niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

Belastingrente

17. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze rente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.“

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in 2013 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen en of hij recht heeft op volledige aftrek van Luxemburgse sociale verzekeringsbijdragen Cotisations sociales. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend en de Inspecteur beantwoordt de vragen in tegenovergestelde zin.

4.2.

Voorts is in geschil of belanghebbende een vergoeding wegens immateriële schade wegens lange duur van de procedure in bezwaar toekomt. Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag premieheffing volksverzekeringen alsmede tot het toekennen van een vergoeding wegens immateriële schade en een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hoger beroepsfase.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Premieplicht

5.1.

Vast staat dat belanghebbende in 2013 in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, was belanghebbende in dat jaar Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

5.2.

In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

5.3.

Belanghebbende stelt dat hij, in afwijking van de in 5.1 vermelde hoofdregel, in de in geding zijnde periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is. Het is aan hem feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat hij in die periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen is.

Bevoegdheid Inspecteur tot vaststelling verzekeringsplicht

5.4.

Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij in het onderhavige jaar niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is, maar valt onder het socialezekerheidsstelsel van Luxemburg. Ter onderbouwing daarvan heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de Inspecteur niet bevoegd is om wat betreft de verzekeringsplicht af te wijken van de door hem ingediende aangifte IB/PVV, omdat op grond van artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de daartoe bevoegde autoriteit is.

5.5.

Het Hof overweegt dienaangaande dat de premie voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geheven door de rijksbelastingdienst. De premie voor de volksverzekeringen wordt ingevolge artikel 58 van de Wfsv bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Artikel 11, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de aanslag door de inspecteur wordt vastgesteld. Gelet op deze wettelijke regels heeft de inspecteur derhalve de bevoegdheid premie volksverzekeringen te heffen. Heffing vindt plaats van de premieplichtige. Premieplichtig is de verzekerde. Om de premieplicht te kunnen vaststellen zal de inspecteur eerst moeten constateren of sprake is van verzekeringsplicht aan de hand van de ingevolge de aanwijsregels toe te passen regelgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in het onderhavige geval overeenkomstig deze regelgeving zijn heffingsbevoegdheid uitgeoefend. Anders dan belanghebbende stelt, staat artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst niet in de weg aan de bevoegdheid van de Inspecteur om de verzekeringsplicht van belanghebbende vast te stellen zoals die voortvloeit uit de Wfsv.

5.6.

Belanghebbende heeft in dit verband voorts een beroep gedaan op de tussenuitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 april 2018, nrs. 16/03715 en 16/03797, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 en ECLI:NL:GHSHE:2018:1665. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat het antwoord van de Hoge Raad bij arrest van 5 oktober 2018, nr. 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44 op de door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in deze tussenuitspraken gestelde prejudiciële vragen aan het vorenstaande onder 5.5 niet afdoet.

Verzekeringsplicht

5.7.

Het binnenschip waarop belanghebbende in 2013 werkzaam was, is voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Belanghebbende valt daarom onder de personele werkingssfeer van de overeenkomst tussen de Rijnoeverstaten die zij op basis van artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening) betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (de Rijnvarendenovereenkomst) in afwijking van de in titel II van de Basisverordening opgenomen toewijzingsregels hebben gesloten. Hij valt eveneens onder de materiële werkingssfeer omdat hij zijn werkzaamheden heeft verricht aan boord van een schip dat is voorzien van het certificaat voor de Rijnvaart en dat met winstoogmerk wordt gebruikt door een in Nederland gevestigd bedrijf (Scheepvaartonderneming [I] te [I]). Op basis van de Rijnvarendenovereenkomst is op belanghebbende de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing

5.8.

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de SVB of de Luxemburgse zusterorganisatie een A1- of een E101-verklaring heeft gegeven die het jaar 2013 (al dan niet geheel) betreft en op grond waarvan de Inspecteur de verzekerings- en premieplicht voor dat jaar anders had moeten vaststellen dan hij heeft gedaan. De aan belanghebbende gegeven verklaringen betreffen andere tijdvakken en hebben geen werking voor het jaar 2013. Het Hof merkt op dat de verzekerings- en premieplicht elk jaar opnieuw dient te worden vastgesteld door de Inspecteur aangezien de omstandigheden elk jaar anders kunnen zijn. Belanghebbende heeft op 1 juli 2016 de SVB voor 2013 om een A1-verklaring met Luxemburgse verzekeringsplicht verzocht en die heeft een dergelijke verklaring niet gegeven.

De procedure van artikel 16 van Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening)

5.9.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur de verzekeringsplicht niet volgens de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening heeft vastgesteld, zodat de opgelegde aanslag niet in stand kan blijven.

5.10.

In artikel 16 van de Toepassingsverordening is de procedure voor de toepassing van artikel 13 van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening) geregeld. Echter, in het onderhavige geval is artikel 13 van de Basisverordening niet van toepassing. Op belanghebbende is immers de krachtens artikel 16 van de Basisverordening gesloten Rijnvarendenovereenkomst van toepassing, waarin uitzonderingen op onder meer artikel 13 van de Basisverordening zijn vastgesteld. Belanghebbendes standpunt faalt derhalve. Het Hof merkt daarbij op dat de in artikel 16 van de Toepassingsverordening gegeven regeling tot voorlopige vaststelling en melding aan de andere Lidstaat, is gericht tot de bevoegde autoriteit van de Lidstaat en dat is de SVB.

Het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VWEU)

5.11.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking, zoals dat is neergelegd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

5.12.

Ook dit standpunt faalt. In de verhouding tussen Nederland en Luxemburg zijn de Rijnvarendenovereenkomst en de daarin opgenomen aanwijsregels bindend (zie onder 5.7), zodat van handelen in strijd met het beginsel van loyale samenwerking wegens het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening geen sprake kan zijn.

E106-verklaring

5.13.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106-verklaring betoogd dat hij voor de sociale verzekeringen exclusief verzekerd is in Luxemburg.

5.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat de E106-verklaring geen betrekking heeft op het onderhavige jaar. Ten overvloede overweegt het Hof dat het met de Inspecteur van oordeel is dat aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106-verklaring in dit geval geen betekenis kan worden toegekend. Aan deze verklaring kwam onder de (oude) Verordening nr. 1408/71 geen betekenis toe in gevallen waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 12/04012, ECLI:NL:HR:2013:CA0827, BNB 2013/257, en HR 2 oktober 2015, nr. 14/05262, ECLI:NL:HR:2015:2904, BNB 2015/231). Die verklaring krijgt naar het oordeel van het Hof niet opeens betekenis door de inwerkingtreding per 1 mei 2010 van de Basisverordening. Uit de considerans van de op artikel 16 van de Basisverordening gestoelde Rijnvarendenovereenkomst volgt voorts dat de daarbij betrokken lidstaten het regime van het Rijnvarendenverdrag (ongewijzigd) hebben willen voortzetten.

Afwijking op individueel niveau op grond van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening)

5.15.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat in het onderhavige geval, waarin, naar hij stelt, sprake is van dubbele heffing van sociale verzekeringspremies, artikel 16 van de Basisverordening dient te worden toegepast in het belang van een bepaald persoon (belanghebbende). Hieraan staat, aldus nog steeds belanghebbende, de Rijnvarendenovereenkomst niet in de weg en evenmin het feit dat hij behoort tot de groep Rijnvarenden, aangezien de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst niet in belanghebbendes belang zijn.

5.16.

Naar het oordeel van het Hof zal belanghebbende, indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe overeenkomstig de in artikel 18 van de Toepassingsverordening beschreven procedure een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Luxemburg. Het Hof wijst op de onder 2.8 van de feiten vermelde uitspraken van de Rechtbank Rotterdam. Een dergelijk verzoek tot regularisatie kan geen inzet zijn van de onderhavige procedure, aangezien de inspecteur niet bevoegd is om een dergelijke 'regularisatieprocedure' te voeren. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 73, lid 2, Verordening (EG) 987/2009 (Toepassingsverordening)

5.17.

Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende voor de volksverzekeringen verzekerd in Nederland. Aan de in artikel 73, lid 2, van de Verordening (EG) 987/2009 genoemde terugbetaling van reeds in een andere Lidstaat betaalde sociale zekerheidspremies kan slechts worden toegekomen nadat het bevoegde orgaan van de Lidstaat waarvan de verzekeringsplicht is vastgesteld, in dit geval Nederland, zekerheid heeft gekregen over de aan de Lidstaat die op grond van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) 987/2009 de verzekeringsplicht voorlopig heeft vastgesteld betaalde premies. Wat er zij van de mogelijkheid in de onderhavige procedure van verrekening, belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevoegde autoriteit in Luxemburg de sociale verzekeringsplicht in Luxemburg voor het jaar 2013 voorlopig heeft vastgesteld. Een A1- of E-101verklaring over deze periode is er niet.

Verrekening ingehouden premies

5.18.

Belanghebbende heeft gesteld dat voor het jaar 2013 volledig rekening moet worden gehouden met door [E] S.A. in Luxemburg op belanghebbendes loon ingehouden werknemerspremies (zgn. Cotisations sociales) en dat hij dat recht ontleent aan de Mededeling van 5 januari 2016 van het Directoraat Generaal Belastingdienst/Cluster Fiscaliteit, DGB 2016/20 en voorgaande mededelingen. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Deze mededeling geeft alleen antwoord op de vraag hoe de buitenlandse sociale verzekeringen moeten worden gekwalificeerd (als werkgevers- of werknemerspremie) ter bepaling van het Nederlandse fiscale loon maar geeft geen antwoord op de vraag of zoals in dit geval in Luxemburg ten onrechte ingehouden premies mogen worden verrekend met in Nederland terecht ingehouden premies. De Mededeling bevat daarvoor geen tegemoetkoming. Het Hof merkt nog op dat het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 april 2009, CPP2009/93M, Stcrt. 2009, 76 de door de werknemer zelf betaalde premies voor verzekeringen die naar aard en strekking vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen, waaronder de AWBZ, dan wel vergelijkbaar zijn met de Nederlandse Zorgverzekeringswet niet in aftrek toestaat.

Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur

5.19.

Volgens belanghebbende brengen de in acht te nemen zorgvuldigheid en de in dat kader te maken belangenafweging met zich dat – teneinde dubbele premieheffing te voorkomen – (i) artikel 16, lid 1, van de Basisverordening bij de vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving moet worden toegepast, met als gevolg dat de Luxemburgse wetgeving op belanghebbende van toepassing moet worden verklaard en (ii) de kwestie op de voet van artikel 72 van de Basisverordening moet worden voorgelegd aan een Administratieve Commissie.

5.20.

Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. De Inspecteur is niet bevoegd om in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten (zie onder 5.16) en geen rechtsregel verplicht de Inspecteur om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland bevoegde autoriteit contact op te nemen teneinde een dergelijke regularisatieprocedure te doen starten. Hetzelfde geldt ten aanzien van belanghebbendes grief dat de kwestie niet is voorgelegd aan de Administratieve Commissie. Omstandigheden die in het onderhavige geval voor een dergelijk contact aanleiding zouden geven, zijn niet aannemelijk geworden. De Inspecteur mocht in redelijkheid het standpunt innemen dat (slechts) de wetgeving van Nederland van toepassing is. De stelling van belanghebbende dat door de Inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, stuit voorts af op hetgeen is overwogen onder 5.5 en 5.16. Ook het beroep op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel stuit op het voorgaande af.

Belastingrente

5.21.

Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van belastingrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Evenmin is gebleken dat deze bedragen niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen zijn berekend.

Immateriële schadevergoeding

5.22.

Belanghebbende heeft in de procedure voor de Rechtbank verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure in bezwaar en beroep. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen bedraagt twee jaar. Bij het doen van uitspraak door de Rechtbank op 7 juni 2018 was deze termijn overschreden. De Rechtbank heeft ten onrechte niet op het verzoek beslist, aldus belanghebbende.

5.23.

Het bezwaarschrift tegen de aanslag is op 14 april 2016 ontvangen; uitspraak op bezwaar is gedaan op 15 december 2017 en op 15 januari 2018 is beroep ingesteld en de uitspraak van de Rechtbank is op 7 juni 2018 gedaan. Tussen partijen staat vast dat de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de bezwaarprocedure, die langer dan zes maanden heeft geduurd terwijl de procedure in beroep binnen de termijn van anderhalf jaar is gebleven.

5.24.

Naar het oordeel van het Hof bedraagt de termijnoverschrijding afgerond zes maanden, zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase aangezien er geen bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding rechtvaardigen. De door de Inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 7.12.6 e.v. aangevoerde omstandigheden hebben zich met name voorgedaan voor het opleggen van de onderhavige aanslag en niet in de bezwaarfase. Het onderwerp van de zaak zelf is niet complex. Verder heeft de Inspecteur geen verzoek om instemming met aanhouding gedaan in verband met lopende procedures bij de Hoge Raad of andere rechterlijke instanties en heeft ook niet meegedeeld dat hij in verband daarmee de behandeling van het bezwaar en de uitspraak op bezwaar zou uitstellen (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/3907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.7.1 e.v.). De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat op die grond de redelijke termijn kan worden verlengd. Verder is niet als bijzondere omstandigheid aan te merken de verwijzing naar het grote aantal bezwaarprocedures die met betrekking tot dit onderwerp zijn gevoerd (vgl. HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.3).

Slotsom

5.25.

Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.048 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt hoger beroep, 1 punt zitting à € 512 x 1 (gewicht van de zaak) en voor de Rechtbank (1 punt beroep, 1 punt zitting à € 512 x 1 (gewicht van de zaak). De vergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase bedraagt € 254 (1 punt à € 254 x 1 (gewicht van de zaak)).

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 126 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van proceskosten, vastgesteld op € 2.302;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op € 500; en

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 172.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 3 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.